|
Uitspraak
03/2536
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de onderlinge waarborgmaatschappij Zorgverzekeraar VGZ u.a., gevestigd
te Eindhoven, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft A.J.G.A.C. Prince op de bij het beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 april 2003, reg.nr. AWB 02/343,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 11 januari 2004 heeft appellante in aanvulling op het
beroepschrift verzocht om gedaagde te veroordelen tot schadevergoeding.
Bij brief van 18 maart 2004 heeft gedaagde op verzoek van de Raad nadere
informatie ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 maart 2004, waar voor
appellante A.J.G.A.C. Prince is verschenen en waar gedaagde zich heeft
zich laten vertegenwoordigen door mr. D. van der Laar, werkzaam bij
gedaagde.
II. MOTIVERING
Appellante heeft in februari 1999 een hartoperatie ondergaan. Op 3 april
1999 is zij naar haar woonhuis overgebracht. Daar is zij in haar
opdracht verpleegd en verzorgd door personeel van Zorgservice Brabant,
een particulier bureau voor thuiszorg. Dit bureau heeft met een viertal
nota's bij appellante een bedrag van f 8.477,90 in rekening gesteld.
Bij brief van 24 juli 1999 heeft appellantes gemachtigde aan gedaagde
verzocht om vergoeding van deze kosten.
Bij primair besluit van 13 februari 2001 heeft gedaagde dit verzoek
afgewezen.
Bij het bestreden besluit van 3 januari 2002 heeft gedaagde het bezwaar
van appellante tegen het primair besluit ongegrond verklaard en de
afwijzing overeenkomstig het advies van het College voor
zorgverzekeringen van 19 december 2001 gehandhaafd.
Het bestreden besluit berust op het standpunt van gedaagde dat het op
grond van de toepasselijke wettelijke voorschriften voor een aanspraak
op thuiszorg vereiste indicatiebesluit ontbreekt. Bovendien wordt
volgens gedaagde niet voldaan aan het in artikel 8, eerste lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) gestelde vereiste dat een
instelling die zorg als bedoeld in artikel 6 van die wet verleent, als
zodanig moet zijn toegelaten.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden
besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat er door gedaagde geen
enkele twijfel is geuit over de noodzaak van thuiszorg en dat gedaagde
zelf geen 24-uursthuiszorg kon bieden. Voorts is gewezen op een artikel
in het tijdschrift Medisch Contact van 23 mei 2003, waaruit zou blijken
dat de richtlijn is dat spoedeisende zorg binnen een dag wordt geοndiceerd
en dat als dat niet mogelijk is de zorg eerst moet worden ingezet,
waarna de indicatie achteraf kan worden gesteld. Tenslotte heeft
appellante zich beroepen op een arrest van het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen van 13 mei 2003, zaak C-385/99.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geval toepasselijke algemeen
verbindende voorschriften verwijst de Raad naar de aangevallen
uitspraak. Voor zover in het navolgende algemeen verbindende
voorschriften worden genoemd, zijn dat de bepalingen zoals die ten tijde
in geding luidden.
Ingevolge het bepaalde in artikel 9b van de AWBZ, in samenhang bezien
met de artikelen 9a en 6 van de AWBZ, artikel 2 van het
Zorgindicatiebesluit en de artikelen 2, 12, 15 en 16 van het Besluit
zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering, kunnen verzekerden
hun aanspraak op (onder meer) verpleging en verzorging in verband met
ziekte of herstel in beginsel pas tot gelding brengen, indien zij een
advies hebben overgelegd van een onafhankelijk indicatieorgaan als
bedoeld in artikel 9a van de AWBZ - het Regionaal Indicatie Orgaan (RIO)
-, waaruit blijkt dat zij op die zorg zijn aangewezen. Eerst nadat door
het RIO, na inventarisatie van de zorgbehoefte, objectief is bepaald
welke zorg naar inhoud, omvang en kwaliteit nodig is, kan de wijze van
het tot gelding brengen van de aanspraak op grond van de AWBZ aan de
orde komen.
Vast staat dat geen RIO-advies is uitgebracht, zodat niet voldaan is aan
het bepaalde in artikel 9b van de AWBZ. Zoals ook de rechtbank heeft
overwogen kan appellante reeds hierom de door haar gestelde aanspraak op
(vergoeding terzake van) thuiszorg niet tot gelding brengen.
Hieraan kunnen de redenen die (de familie van) appellante had om zonder
tussenkomst van gedaagde of het RIO zorg te betrekken van een
particulier bureau voor thuiszorg, te weten de wens tot
24-uursverpleging thuis en eerdere goede ervaringen met het betreffende
particuliere thuiszorgbureau, niet afdoen. De Raad merkt hierbij nog op,
dat niet gebleken is van een onmogelijkheid tot - tijdige -
indicatiestelling door het RIO, temeer niet nu van de zijde van
appellante zelfs geen RIO-advies is aangevraagd.
Al hetgeen overigens door appellante in hoger beroep is aangevoerd kan
er evenmin toe leiden dat voorbijgegaan zou moeten worden aan het
wettelijk vereiste advies van het aangewezen onafhankelijk
indicatieorgaan.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, waarbij het
beroep ongegrond is verklaard, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet, gelet hierop, geen aanleiding voor een veroordeling tot
schadevergoeding of voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid
van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar
op 5 mei 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|