|
Uitspraak
01/4532
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Commissie belast met de algemene leiding en het beheer van de Dienst
geneeskundige verzorging van de politie, gevestigd te Amersfoort,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 november 2000 heeft gedaagde de eigen bijdrage in de
kosten van zorg, als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), die door het psychiatrisch
ziekenhuis Vredenrust te Bergen op Zoom aan de echtgenote van appellant
is verleend, met ingang van 5 april 2000 vastgesteld op f 540,-- per
maand, welk bedrag met ingang van 1 juli 2000 is verhoogd naar f 550,--
per maand.
Gedaagde heeft het bezwaar tegen dat besluit bij het thans bestreden
besluit van 2 februari 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Middelburg heeft bij de aangevallen uitspraak van 19 juli
2001 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 januari 2003.
Appellant is daar in persoon verschenen. Gedaagde heeft zich daar laten
vertegenwoordigen door mr. T.W.J.M. Gallee, werkzaam bij de Dienst
geneeskundige verzorging politie.
Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het
onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Bij brief van 22 december 2003 heeft gedaagde gereageerd op een
vraagstelling van de Raad van 12 december 2003.
Desgevraagd hebben partijen bij op 3 mei 2004 en op 4 mei 2004 ingekomen
brieven toestemming gegeven voor het achterwege blijven van een zitting.
II. MOTIVERING
De feiten, die in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld,
worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het
uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant tijdig op de hoogte is
gebracht van de verschuldigde eigen bijdrage, dat hij daarmee rekening
heeft kunnen houden door tijdig te reserveren en dat zich in het
onderhavige geval geen bijzondere situatie voordoet op grond waarvan
gedaagde de hoogte van de eigen bijdrage zou hebben moeten matigen.
Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
Hij heeft aangevoerd dat de in geding zijnde eigen bijdrage te laat is
vastgesteld. Hoewel hij al begin 2000 tweemaal de gevraagde gegevens
voor het vaststellen van de eigen bijdrage heeft overgelegd aan het
Zorgkantoor West-Brabant, heeft hij pas bij besluit van 28 november 2000
te horen gekregen dat hij met ingang van 5 april 2000 een eigen bijdrage
van f 540,-- per maand, en met ingang van 1 juli 2000 van f 550,-- per
maand, verschuldigd is. Daarnaast stelt hij zich op het standpunt dat
gedaagde de hoogte van de eigen bijdrage naar beneden dient bij te
stellen vanwege de extra kosten die hij heeft gemaakt ten gevolge van de
ziekte van zijn echtgenote en de beperkte draagkracht die hij als
alleenverdiener heeft vanwege een hoge huur, twee studerende kinderen en
twee auto's.
Gedaagde acht geen grond aanwezig voor matiging van de bij het bestreden
besluit opgelegde eigen bijdrage. Bij opname in het psychiatrisch
ziekenhuis is melding gemaakt dat na 365 dagen een eigen bijdrage
verschuldigd zou zijn. Ook is op 30 november 1999 een bericht uitgegaan
dat op 5 april 2000 een eigen bijdrage verschuldigd zou zijn. Daarnaast
heeft appellant begin 2000 tweemaal inkomensgegevens verstrekt voor het
vaststellen van deze eigen bijdrage. Vanwege achterstanden bij het
zorgkantoor is de eigen bijdrage laat vastgesteld. Ten aanzien van de
privι-omstandigheden is gedaagde van mening dat deze niet van invloed
zijn op de verschuldigde eigen bijdrage.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Blijkens artikel 6, derde lid, van de AWBZ kan bij algemene maatregel
van bestuur als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking
worden gesteld, dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan.
Artikel 2, eerste lid, van de desbetreffende algemene maatregel van
bestuur, het Bijdragebesluit zorg (het Besluit), bepaalt dat de
verzekerde van 18 jaar of ouder bijdraagt in de kosten van zorg, welke
door een instelling of verzorgingshuis wordt verleend.
Artikel 5, eerste lid, van het Besluit luidde ten tijde in geding, voor
zover van belang, als volgt:
"Voor de vaststelling van de bijdrage wordt uitgegaan
van het bijdrageplichtig inkomen dat in het berekeningsjaar (...) is
genoten, of redelijkerwijs geacht kan worden te zijn genoten."
De artikelen 6 tot en met 8 van het Besluit bepaalden op welke wijze het
bijdrageplichtige inkomen dient te worden vastgesteld. Blijkens dit
samenstel van artikelen dient te worden uitgegaan van het inkomen van de
verzekerde in het refertejaar verminderd met limitatief opgesomde
aftrekposten.
Artikel 8 van het Besluit luidde ten tijde van belang van zover hier van
belang als volgt:
"Uitkeringen, gedaan om te voorzien in de kosten van
onderhoud, worden, na toepassing van de artikelen 5, 6 en 7, op de
inkomsten in mindering gebracht, voor zover deze naar redelijke
maatstaven strekken tot dat doel en worden gedaan ten behoeve van eigen,
aangehuwde en pleegkinderen, mits voor die kinderen op grond van de
artikelen 7 en 26 van de Algemene Kinderbijslagwet recht op een
uitkering bestaat of aan die kinderen, voor zover ze de leeftijd van 27
jaar nog niet hebben bereikt, studiefinanciering is toegekend krachtens
de Wet op de studiefinanciering."
Op basis van de thans beschikbare gedingstukken en het verhandelde ter
terechtzitting is de Raad van oordeel dat niet is gebleken, dat gedaagde
bij de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen op de inkomsten
onderhoudsuitkeringen als bedoeld in artikel 8 van het Bijdragebesluit
zorg in mindering heeft gebracht of dat gedaagde naar aanleiding van de
in het bezwaarschrift van appellant genoemde omstandigheid, dat hij
kostwinner is met twee studerende kinderen, (nader) onderzoek heeft
gedaan naar aanwezigheid en omvang van voor aftrek in aanmerking komende
onderhoudsbijdragen als bedoeld in artikel 8 Bijdragebesluit zorg, zoals
luidend ten tijde hier in geding.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering
berust, zodat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene
wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Aangezien het beroep tegen
het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond is
verklaard, kan ook deze uitspraak niet in stand blijven.
Gedaagde zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op
het bezwaar van appellant dienen te nemen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen tot vergoeding van de in beroep gemaakte
proceskosten. Deze kosten worden begroot op 12,40 aan reiskosten.
Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet
gebleken.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Draagt gedaagde op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van
appellant met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van door appellant gemaakte
reiskosten tot een bedrag groot 12,40;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van het door appellant in beroep en
in hoger beroep gestorte griffierecht ten bedrage van 104,37.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16
juni 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|