|
Uitspraak
99/474
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
AGIS zorgverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde oefent de taken en bevoegdheden uit die voorheen werden
uitgeoefend door Onderlinge Waarborgmaatschappij ANOZ Zorgverzekeringen
U.A. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de
Onderlinge Waarborgmaatschappij ANOZ Zorgverzekeringen U.A.
Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 2 december 1998, nr. AWB 97/1589 AWBZ,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft bij verzoek van 21 maart 2001 op grond van artikel 234 van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap aan het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) vragen ter
prejudiciële beslissing voorgelegd (de zaak C-156/01).
Het Hof heeft op 3 juli 2003 arrest gewezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 maart
2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn
gemachtigde mr. dr. F.T.I. Oey, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. F.G. Veldstra.
II. MOTIVERING
Appellant is in 1989 vanuit Nederland naar Frankrijk vertrokken en heeft
zich aldaar, als verplicht verzekerde voor de Nederlandse
Ziekenfondswet, per 1 juni 1989 ingeschreven bij het Franse
Ziekenfondsorgaan, de Caisse primaire d’assurance maladie (hierna: de
CPAM). Hij ontvangt sinds 9 augustus 1990 uitkeringen ingevolge de AAW
en WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot
100%. De inschrijving bij de CPAM is in elk geval vanaf laatstgenoemde
datum gebaseerd op artikel 28 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de
Raad van de EG van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale
zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun
gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: Vo.
1408/71) via overlegging van een E121-formulier als bedoeld in artikel
29 van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot
vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr.
1408/71 (hierna: Vo. 574/72). In november 1993 heeft appellant een
ernstig ongeluk gehad, waarvoor hij een jaar in Frankrijk medisch is
behandeld, waarna de behandeling is beëindigd. Eind 1994 is hij vanwege
een ontwikkelde post-traumatische dystrofie aan de rechterhand voor
verdere medische behandeling naar Nederland gekomen, alwaar hij in de
periode van 31 januari 1995 tot 29 maart 1995 opgenomen is geweest in
het Academisch Ziekenhuis Rotterdam. Van mei tot augustus 1995 heeft
appellant revalidatiesessies gevolgd in het revalidatiecentrum
Blixembosch in Eindhoven. Appellants inschrijving bij de CPAM is op 18
augustus 1995 beëindigd.
Bij het bestreden besluit van 24 november 1995 heeft gedaagde geweigerd
de in Nederland gemaakte kosten van verpleging en revalidatie van
appellant te vergoeden. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat de in
Nederland ondergane behandeling niet noodzakelijk was in de zin van
artikel 22, eerste lid, onder a sub i van Vo. 1408/71, omdat geen sprake
was van een toestand die het nodig maakte dat onmiddellijk prestaties
werden verleend in de zin van genoemd artikelonderdeel en evenmin was
voldaan aan de voorwaarden van artikel 22, eerste lid, onder c sub i van
Vo. 1408/71 aangezien de CPAM geen toestemming had verleend voor de
onderhavige behandeling in Nederland, gelet op de weigering een
E112-formulier af te geven. Het in de onderhavige zaak overgelegde
E111-formulier doet daaraan geen afbreuk.
Blijkens het advies van 27 december 1996 is de Commissie voor
beroepszaken van de Ziekenfondsraad - welke Raad belast was met het
toezicht op het beheer en de administratie van de ziekenfondsen en op
grond van artikel 74 van de Ziekenfondswet in casu om advies diende te
worden gevraagd - van oordeel dat genoemd besluit juist is.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 2 december 1998 het beroep tegen
het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat geen
sprake is van spoedeisende hulp in de zin van artikel 22, eerste lid,
onder a sub i van Vo. 1408/71 en dat gedaagde op goede gronden heeft
geweigerd toepassing te geven aan artikel 22, eerste lid, onder c sub i
van Vo. 1408/71 aangezien de CPAM geen toestemming heeft verleend.
Appellant heeft in zijn hoger beroepschrift aangevoerd dat de rechtbank
ten onrechte heeft overwogen dat de behandeling wegens de dystrofie niet
als spoedhulp is aan te merken. Voorts is naar voren gebracht dat hij in
redelijkheid ervan mocht uitgaan dat de vergoeding van de medische
behandelingen in orde was toen een E111-formulier werd afgegeven.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft gedaagde zich op het
standpunt gesteld dat artikel 21 van Vo. 1408/71 in casu niet kan worden
toegepast, aangezien geen sprake is van een werknemer in de zin van
artikel 19 van Vo. 1408/71 en dat met name gelet op het bepaalde in
artikel 93, tweede lid van Vo. 574/72 inzake de aanwijzing van het
bevoegde orgaan, het Franse orgaan als het bevoegde orgaan in de zin van
artikel 22 van Vo. 1408/71 dient te worden aangemerkt.
De Raad heeft vervolgens aan het Hof vragen ter prejudiciële beslissing
voorgelegd. Daarbij is er - conform een mededeling van appellant - vanuit
gegaan dat appellant ten tijde van belang woonplaats in Frankrijk had.
De vragen luidden als volgt:
“1. Heeft artikel 22, eerste lid, onder c, van Verordening (EEG) nr.
1408/71 ook betrekking op een (gezinslid van een) rechthebbende op
pensioen of rente, die krachtens artikel 28 van Verordening (EEG) nr.
1408/71 recht heeft op verstrekkingen van het orgaan van de woonplaats
-in casu het Franse (...) Ziekenfondsorgaan- voor rekening van het
overeenkomstig artikel 28, tweede lid, onder a, van Verordening (EEG)
nr. 1408/71 aangewezen bevoegde orgaan - in casu het Nederlandse
Ziekenfondsorgaan -, in het geval dat de pensioengerechtigde (of zijn
gezinsleden) zich met het oog op de medische behandelingen naar de
bevoegde lidstaat - Nederland - begeeft?
2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt welk orgaan dient
dan de toestemming als bedoeld in artikel 22, eerste lid onder c,
Verordening (EEG) nr. 1408/71 te verlenen?
3. Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt is op het recht op
verstrekkingen van een (gezinslid van een) pensioen- of rentetrekker,
die krachtens artikel 28 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 recht heeft
op verstrekkingen van het orgaan van de woonplaats - in casu het Franse
(...) Ziekenfondsorgaan - voor rekening van het overeenkomstig artikel
28, tweede lid, onder a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 aangewezen
bevoegde orgaan - in casu het Nederlandse Ziekenfondsorgaan -, bij
verblijf op het grondgebied van de bevoegde staat het bepaalde in
artikel 21 dan wel het bepaalde in artikel 31 Verordening (EEG) nr.
1408/71 van toepassing?”
Bij zijn arrest van 3 juli 2003 heeft het Hof voor recht verklaard:
“1) Artikel 22, lid 1, sub c en i, van verordening (EEG) nr. 1408/71
(...), moet aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een
rechthebbende op een pensioen of rente en zijn gezinsleden die wonen in
een andere lidstaat dan de lidstaat die dit pensioen of deze rente
verschuldigd is en die uit dien hoofde na hun inschrijving bij het
orgaan van de woonplaats aanspraak kunnen maken op verstrekkingen
krachtens artikel 28 van deze verordening, wanneer deze
sociaalverzekerden zich met het oog op een medische behandeling wensen
te begeven naar de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd
is.
2) Het orgaan van de woonplaats is het orgaan dat bevoegd is om de in
voormeld artikel 22, lid 1, sub c en i, bedoelde voorafgaande
toestemming te verlenen, wanneer het verzoek om toestemming betrekking
heeft op sociaalverzekerden die zich in een dergelijke situatie
bevinden.”
Ter zitting van de Raad is namens appellant evenwel betoogd dat
appellant zich reeds in december 1994 in Nederland heeft gevestigd. De
kosten van de medische behandelingen in Nederland hadden (reeds) bij
beoordeling naar nationaal recht vergoed dienen te worden, aldus
appellant.
Met betrekking tot dit beroep van appellant op het nationale recht als
grondslag voor de vergoeding van genoemde medische behandelingen
overweegt de Raad als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is er sprake van wonen in
Nederland indien er een band van duurzame aard bestaat tussen Nederland
en de betrokkene. Bij die beoordeling dienen alle omstandigheden in
aanmerking te worden genomen.
De Raad is van oordeel dat van de kant van appellant ter zitting van de
Raad zodanige omstandigheden zijn aangevoerd dat niet onaannemelijk moet
worden geacht dat - anders dan zou kunnen worden opgemaakt uit zijn
inschrijving in juli 1995 in het bevolkingsregister van de gemeente
Eindhoven - hij reeds ten tijde van zijn opname in het ziekenhuis in
Rotterdam zijn woonplaats in Nederland, en dan met name in Eindhoven,
had. Hierbij acht de Raad onder meer van belang dat appellant zich ter
zitting op een pensionovereenkomst van 10 december 1994 met een
pensionhouder in Eindhoven heeft beroepen en heeft verklaard dat hij
geen woning meer in Frankrijk had, nu zijn bank zijn huis in Frankrijk
voor eind 1994 had doen verkopen. Appellant is nadien ook in Nederland
gebleven en heeft zich daar opnieuw gevestigd.
Bij het nemen van het bestreden besluit is gedaagde ervan uitgegaan dat
appellant ten tijde van zijn opname in het ziekenhuis en zijn
revalidatie in het centrum Blixembosch nog in Frankrijk woonde. Gedaagde
heeft niet onderzocht of appellant eind 1994 zijn woonplaats in
Frankrijk heeft opgegeven en sindsdien wederom woonachtig was in
Nederland en aan de Zfw aanspraak kon ontlenen op verstrekkingen. In dat
verband kan niet zonder betekenis blijven dat appellant in die periode
regelmatig contact heeft gezocht met de Nederlandse uitvoeringsorganen.
Het bestreden besluit is derhalve in strijd met het bepaalde in artikel
3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen.
Het vorenstaande leidt ertoe dat het bestreden besluit en de aangevallen
uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, dienen te worden
vernietigd. Gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende
rechtsbijstand in beroep en € 1.932,= in hoger beroep.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit gegrond en
vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag van € 2.254,=;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het door hem betaalde griffierecht
van € 95,29 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|