|
Uitspraak
03/5090
AWBZ t/m 03/5095 AWBZ en 03/5097 AWBZ t/m 03/5099 AWBZ
U I T S P R A A K
in de gedingen met reg.nrs. 03/5090 t/m 03/5095 en 03/5097 t/m 03/5099
AWBZ tussen:
appellanten (hierna: belanghebbenden 1-9),
en
de onderlinge waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds
U.A., gevestigd te Enschede, gedaagde (hierna: Amicon);
in het geding met reg.nr. 03/5292 AWBZ tussen:
Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep, Ziekenfonds, gevestigd te
Tilburg, appellante (hierna: CZ),
en
appellant (hierna: belanghebbende 10);
alsmede in het geding met reg.nr. 03/5693 AWBZ tussen:
appellanten (hierna: belanghebbenden 11),
en
het dagelijks bestuur van het Instituut Zorgverzekering Ambtenaren
Nederland, gevestigd te Nieuwegein, gedaagde (hierna: IZA).
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens belanghebbenden 1-9 en 11 heeft mr. J. Hoekstra, werkzaam bij
Bureau Kwalitas te Lemmer, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van
de rechtbank Almelo van 1 september 2003, reg.nrs. 03/02, 03/93, 03/124,
03/200 en 03/291 AWBZ, de uitspraak van de rechtbank Almelo van eveneens
1 september 2003, reg,nrs. 03/91, 03/103, 03/201, 03/314 en 03/484 AWBZ,
en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van
23 oktober 2003, reg.nrs. SBR 03/1825 en 03/1826.
CZ heeft op gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Roermond van 30 september 2003, reg.nr. 03/534 AWBZ.
Amicon, belanghebbende 10 en IZA hebben verweerschriften ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 14 april 2004, waar
belanghebbenden zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. Hoekstra
en door mr. K.R. van Dijk, juridisch adviseur bij de Landelijke
Organisatie Cliëntenraden te Utrecht, Amicon door mr. J.H. de Boer,
advocaat bij Amicon, IZA door mr. S. van der Pol, werkzaam bij IZA, en
CZ door mr. N.J. Dams-van der Heijden, werkzaam bij CZ.
II. MOTIVERING
In artikel 6, derde lid, eerste volzin, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ) is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking kan
worden gesteld dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan. De
bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde
behoort en de zorg en de voorzieningen die verstrekt worden, en mede
afhankelijk gesteld worden van het inkomen van de verzekerde en diens
echtgenoot.
Op grond van deze bepaling is het Bijdragebesluit zorg (Besluit van 26
september 1996, Stb. 486) vastgesteld. Daaraan voorafgaand gold het
Besluit eigenbijdrageregeling Bijzondere Ziektekostenverzekering 1983
(Bijdragebesluit AWBZ). Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het
Bijdragebesluit zorg is een ongehuwde verzekerde in geval van opname in
een AWBZ-instelling de zogenoemde hoge eigen bijdrage verschuldigd. Een
gehuwde verzekerde is daarentegen, ingevolge artikel 14, eerste lid, van
het Bijdragebesluit zorg, de zogenoemde lage eigen bijdrage
verschuldigd.
Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AWBZ wordt als
ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de
persoon met wie hij gehuwd is.
In alle hier aan de orde zijnde gevallen werden belanghebbenden (dan
wel, voorzover van toepassing, de desbetreffende erflaters) opgenomen in
een AWBZ-instelling, waarna de andere echtgenoot de oorspronkelijke
gezamenlijke huishouding zelfstandig voortzette. De eigen bijdrage werd
door de betrokken zorgkantoren (Amicon, CZ en IZA) vastgesteld op de
lage eigen bijdrage. Op aanvraag van belanghebbenden en hun echtgenoten
heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan hen op grond van de Algemene
Ouderdomswet (AOW) een ouderdomspensioen voor een ongehuwde toegekend.
De SVB heeft aan de zorgkantoren mededeling gedaan van de toekenning van
deze AOW-pensioenen. Naar aanleiding daarvan hebben de zorgkantoren
vervolgens aan belanghebbenden alsnog - met terugwerkende kracht - de
hoge eigen bijdrage opgelegd. Daarbij hebben zij zich op het standpunt
gesteld dat, nu belanghebbenden een AOW-pensioen voor ongehuwden hebben
aangevraagd, zij kenbaar hebben gemaakt als duurzaam gescheiden levend
te willen worden beschouwd, zodat zij ook als ongehuwd in de zin van de
AWBZ moeten worden aangemerkt.
Bij de door belanghebbenden in beroep bestreden besluiten hebben de
zorgkantoren de bezwaren van belanghebbenden tegen de primaire besluiten
tot - hernieuwde - vaststelling van de eigen bijdrage ongegrond
verklaard.
De rechtbank Almelo en de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht
hebben, voorzover hier van belang, de beroepen van belanghebbenden 1-9
en 11 ongegrond verklaard. De rechtbank Roermond heeft - met bepalingen
omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep van belanghebbende 10
gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat CZ
een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de
uitspraak.
De rechtbank Almelo en de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht
hebben, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 december
1987 (gepubliceerd in RZA 1988, nr. 65), geoordeeld dat in de bij hen
voorliggende gevallen geen sprake is van een situatie die vergelijkbaar
is met de situatie die aan de orde was in de uitspraak van de Raad van 17 december 1987. De rechtbank Roermond heeft, eveneens met verwijzing
naar de uitspraak van de Raad van 17 december 1987, geoordeeld dat het onjuist is om aan het enkele feit
dat een AOW-pensioen voor een ongehuwde is toegekend, de conclusie te
verbinden dat de betrokkene ook ongehuwd is in de zin van het
Bijdrage-besluit zorg. De rechtbank heeft voorts ook het feit dat de
betrokkene zelf een AOW-pensioen voor een ongehuwde heeft aangevraagd,
niet zonder meer doorslaggevend geacht.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In zijn uitspraak van 17 december 1987 heeft de Raad vooropgesteld dat
het uitgangspunt zal moeten zijn dat, indien de wetgever in een aantal
samenhangende wetten welbewust gelijkluidende begrippen heeft geïntroduceerd,
daaraan dezelfde uitleg moet worden gegeven. Voorts heeft de Raad
overwogen dat artikel 6, tweede lid (thans: derde lid), van de AWBZ de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een ruime vrijheid laat,
dat het de minister aldus vrijstaat om (bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur) onderscheidingen tussen verschillende categorieën
van personen te maken en ten aanzien van deze verschillende categorieën
te differentiëren in de hoogte van de eigen bijdrage, dat de minister
zo ook de vrijheid heeft om voor gevallen waarin een van de echtgenoten
in een AWBZ-instelling is opgenomen, de hoogte van de eigen bijdrage te
differentiëren al naar gelang al dan niet tegen hun beider wil een
wijziging in hun samenwoningspatroon is gekomen, en dat artikel 1,
derde lid, aanhef en onder b, van de AWBZ daaraan niet in de weg staat.
De Raad heeft voorts overwogen dat het duidelijk is dat de artikelen 5
en 6 van het - toenmalige - Bijdragebesluit AWBZ onder meer beogen om de
eigen bijdrage op een lager bedrag te stellen, indien een van de
echtgenoten door van zijn wil onafhankelijke omstandigheden in een
AWBZ-instelling is opgenomen en de andere echtgenoot voor zich een
zelfstandige huishouding in stand moet houden en derhalve voor hogere
(en de AWBZ voor lagere) kosten komt te staan dan wanneer beiden in een
AWBZ-instelling zouden zijn opgenomen. De Raad heeft dit oogmerk niet in
strijd met de AWBZ of anderszins onrechtmatig geacht. In het gegeven dat
in de bepalingen van het Bijdragebesluit AWBZ zelf dit oogmerk niet
expliciet tot uitdrukking is gebracht (en in die bepalingen met name
toch de termen ongehuwd en gehuwd worden gebruikt), heeft de Raad
vervolgens onvoldoende grond aanwezig geacht om te oordelen dat het door
de besluitgever beoogde doel niet op rechtens juiste wijze in het
Bijdragebesluit AWBZ zou zijn neergelegd. Ten slotte komt uit de
uitspraak van de Raad van 17 december 1987 naar voren dat telkens aan de
hand van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of
sprake is van een situatie ten aanzien waarvan de besluitgever heeft
beoogd de eigen bijdrage op een lager bedrag te stellen.
De Raad ziet geen aanleiding om onder het Bijdragebesluit zorg anders te
oordelen. Niet alleen zijn de structuur en de terminologie van het
Bijdragebesluit zorg in dezen in essentie niet anders dan die van het
Bijdragebesluit AWBZ, in de nota van toelichting (paragraaf 1.3) is
bovendien uitdrukkelijk het hiervoor bedoelde oogmerk herhaald en wordt
vermeld dat uitgangspunt is dat in geval van een echtpaar waarvan
slechts één echtgenoot in een AWBZ-instelling is opgenomen, de lage
eigen bijdrage is verschuldigd.
Derhalve dient in de onderhavige gedingen de vraag te worden beantwoord
of in de thans voorliggende gevallen sprake is van een situatie ten
aanzien waarvan de besluitgever heeft beoogd de eigen bijdrage op een
lager bedrag te stellen.
Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Naar het oordeel van de Raad
is van een dergelijke situatie geen sprake in gevallen - als de
onderhavige - waarin aan beide echtgenoten, naar aanleiding van de
opname van een van hen in een AWBZ-instelling, op hun daartoe strekkende
aanvraag een AOW-pensioen voor een ongehuwde is toegekend. Met die
aanvraag moeten zij geacht worden te kennen hebben gegeven feitelijk als
ongehuwd te willen worden beschouwd, terwijl met het aan elk van hen
toegekende - hogere - AOW-pensioen voor een ongehuwde (enige)
compensatie is gegeven voor de hogere kosten van het zelfstandig
voortzetten van de zelfstandige huishouding. Een andere opvatting zou
niet alleen onvoldoende recht doen aan het hiervoor geformuleerde
oogmerk van de besluitgever, maar zou bovendien het - ongerijmde en
ongewenste - gevolg hebben, dat betrokkenen de keuze voor (registratie
van) hun leefvorm telkens afhankelijk zouden mogen stellen van de in
financieel opzicht voor hen gunstigste uitkomst.
De Raad onderschrijft derhalve, zij het op enigszins andere gronden, de
oordelen van de rechtbank Almelo en van de voorzieningenrechter van de
rechtbank Utrecht, en niet het oordeel van de rechtbank Roermond.
Dat betekent dat in de gedingen met reg.nrs. 03/5090 t/m 03/5095,
03/5097 t/m 5099 en 03/5693 AWBZ de aangevallen uitspraken van de
rechtbank Almelo en van de voorzieningenrechter van de rechtbank
Utrecht, voorzover aangevochten, moeten worden bevestigd.
In het geding met reg.nr. 03/5292 AWBZ overweegt de Raad nog het
volgende.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de primaire beroepsgrond van
belanghebbende 10 geen doel treft.
Subsidiair is aangevoerd dat CZ in het kader van de vaststelling van de
hoogte van de eigen bijdrage ten onrechte 50% van het gezamenlijke
inkomen (over het jaar 2000) van belanghebbende 10 en haar echtgenoot
heeft toegerekend aan belanghebbende 10. Daaromtrent heeft de rechtbank
- uitdrukkelijk ten overvloede - met verwijzing naar de uitspraak van de
Raad van 6 maart 2001 (gepubliceerd in RZA 2001, nr. 52, en RSV 2001,
nr. 101) overwogen dat in (het stelsel van) het Bijdragebesluit zorg
geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden om die toerekening onjuist
te achten.
De Raad stelt allereerst vast dat, nu de rechtbank uitdrukkelijk heeft
aangegeven dat het hier een overweging ten overvloede betreft, geen
sprake is van een door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud
verworpen beroepsgrond. Dat belanghebbende 10 daartegen geen hoger
beroep heeft ingesteld, staat daarom niet in de weg aan bespreking van
deze beroepsgrond door de Raad in het kader van de devolutieve werking
van het hoger beroep. Vervolgens stelt de Raad vast dat, op de door de
rechtbank aangegeven gronden, ook deze subsidiaire beroepsgrond geen
doel treft.
Dat betekent dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank Roermond moet
worden vernietigd en het beroep van belanghebbende 10 ongegrond moet
worden verklaard.
Ten slotte overweegt de Raad dat in geen van de gedingen aanleiding is
voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
In de gedingen met reg.nrs. 03/5090 t/m 03/5095, 03/5097 t/m 5099 en
03/5693 AWBZ:
Bevestigt de aangevallen uitspraken voorzover aangevochten;
In het geding met reg.nr. 03/5292 AWBZ:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli
2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) I.D. Veldman.
|
|