|
Uitspraak
02/5938
AWBZ en 02/5939 AWBZ
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de erven van wijlen [betrokkene], appellanten,
en
OVM Unive Zorgverzekeraar u.a., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij besluiten op bezwaar van 26 juni 2001 en 20 december 2001 (de
bestreden besluiten) heeft gedaagde vastgehouden aan de eerder met
toepassing van het Bijdragebesluit zorg (hierna: het Besluit) jegens
[betrokkene] (hierna: betrokkene) met ingang van 12 juli 2000
respectievelijk 1 juli 2001 vastgestelde bijdrage wegens aan haar
verleende bijdrageplichtige zorg in een AWBZ instelling (hierna:
AWBZ-zorg).
De rechtbank Alkmaar heeft bij de aangevallen uitspraak van 22 oktober
2002, nrs. AWBZ 01/1443 en AWBZ 02/31, waarnaar hierbij wordt verwezen,
de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
Vanwege betrokkene is op daartoe bij aanvullende beroepschriften
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 16 juni 2004, waar
voor appellanten is verschenen mr. P.G.M. Klaver, Belasting- en
Bedrijfsadviseur, en voor gedaagde mr. S.P.J. Snoek, werkzaam bij
gedaagde.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten en de toepasselijke regelgeving
verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen
uitspraak.
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of gedaagde bij
de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen in de zin van het
Besluit terecht heeft geweigerd ten gunste van betrokkene rekening te
houden met schenkingen van haar (in de vorm van lijfrentetermijnen) aan
liefdadigheidsinstellingen. Betrokkene had zich contractueel voor een
periode van 5 jaar tot die giften verplicht toen de AWBZ-zorg voor haar
nog niet aan de orde was. Appellanten stellen dat, in verband daarmee,
het (volledig) voorbijgaan aan die giften tot een onredelijke uitkomst
leidt die niet door de besluitgever is bedoeld. Zij zijn van mening dat
die giften c.q. de daardoor ontstane fiscale voordelen, daaronder
begrepen het - omvangrijke - bedrag van de in het berekeningsjaar 2000
terug ontvangen belasting, in mindering moeten komen op haar
bijdrageplichtig inkomen. Het achterwege laten van een mindering als
door hen bepleit leidt er volgens hen toe dat in het onderhavige geval
de aan betrokkene opgelegde (zogenoemde inkomensafhankelijke) bijdragen
in strijd met de bedoeling van de regelgever mede uit haar vermogen
moeten worden gefinancierd.
De rechtbank heeft de bestreden besluiten in stand gelaten. Daartoe
heeft zij, lettend op de in de aangevallen uitspraak aangegeven
bepalingen van het Besluit, onder meer overwogen dat de van toepassing
zijnde regelgeving geen grondslag biedt voor het op het bijdrageplichtig
inkomen in mindering brengen van de uit hoofde van lijfrente gedane
verplichte giften c.q. de daaruit voortvloeiende belastingvoordelen.
In hetgeen vanwege appellanten - bij wijze van herhaling van het
gestelde in eerste aanleg - is aangevoerd heeft de Raad geen grond
gevonden om de slotsom van de rechtbank niet te onderschrijven.
Daaraan voegt de Raad het volgende toe.
Bij het Besluit, zoals dat ten tijde in geding luidde, is voorzien in
een duidelijke enumeratieve omschrijving van wat (wel en wat niet) tot
het bijdrageplichtig inkomen behoort respectievelijk wat als aftrekpost
in aanmerking komt.
Tot dat inkomen behoren onder meer de - in casu door betrokkene in het
berekeningsjaar genoten - bruto inkomsten uit pensioen, uit vermogen
alsmede de terug ontvangen inkomsten - en vermogensbelasting. Enkel een
beperkt aantal in artikel 6, vierde lid, van het Besluit met name
genoemde uitkeringen, daaronder begrepen bijdragen van kerkelijke of
particuliere weldadigheidsinstellingen, wordt in afwijking van de in het
eerste lid van artikel 6 gegeven definitie niet als bijdrageplichtig
inkomen aangemerkt. Terug ontvangen inkomsten - en/of vermogensbelasting
wordt in voormeld vierde lid niet genoemd onder de daar aangegeven
uitzonderingen.
Giften zijn niet opgenomen in de in artikel 7 van het Besluit
neergelegde opsomming van aftrekposten, ook dan niet als zij (op een
wijze als in casu) zijn gedaan aan instellingen van weldadigheid. Van
een duidelijk andersluidend oogmerk van de regelgever blijkt uit de
wetsgeschiedenis niet.
Gelet op het aan het Besluit inherente limitatieve en imperatieve
karakter, de eenduidige strekking van voormelde artikelen 6 en 7 alsmede
het ontbreken van een hardheidsclausule, is gedaagde rechtens niet
gehouden om giften in mindering te brengen op het bijdrageplichtig
inkomen. Dat is niet anders als die giften voortvloeien uit
lijfrenteverplichtingen jegens weldadigheidsinstellingen, ook dan niet
als die verplichtingen zijn aangegaan op een tijdstip waarop nog geen
sprake was van (inschrijving voor) AWBZ-zorg. De stelling van
betrokkene, dat zij de haar opgelegde bijdragen slechts kan betalen door
haar vermogen aan te spreken, laat onverlet dat zij de door gedaagde
vastgestelde - bijdrageplichtige - inkomsten in het berekeningsjaar
onbetwist heeft genoten en dat de door haar aangevoerde giften in het
kader van het Besluit niet gelden als aftrekpost. Daarbij moet in het
oog worden gehouden dat in het Besluit ten tijde in geding sprake was
van een eigenstandig inkomensbegrip dat (op onderdelen) afwijkt van het
inkomensbegrip in andere regelingen en dat, gelet op het
vorenoverwogene, geen ruimte laat voor het vanwege betrokkene met een
beroep op de billijkheid bepleite, voor haar gunstiger uitwerkende,
begrip "besteedbaar inkomen''. Overigens betwisten appellanten niet
dat gedaagde uitgaande van de bijdrageplichtige inkomsten van betrokkene
in de respectieve berekeningsjaren de krachtens de AWBZ verschuldigde
bijdragen juist heeft berekend.
Uit het vorengaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet
worden bevestigd.
Voor een proceskosten veroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. G.M.T. Berkel-
Kikkert en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peters als griffier en uitgesproken op 28 juli 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) S.W.H. Peters.
|
|