|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/6094 AWBZ
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats] (Marokko), opposant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 1 juni 2004 is het door opposant
ingestelde hoger beroep tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van
de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2003 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak van de Raad heeft opposant bij brief van 23 juni
2004 een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting
van 8 september 2004, waar partijen - zoals tevoren bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
In dit geding is de vraag aan de orde of de Raad opposant terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.
De uitspraak van de Raad van 1 juni 2004 steunt kort samengevat hierop,
dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van
de Beroepswet verschuldigde griffierecht niet binnen de door de griffier
bij aangetekende brief van 23 maart 2004 gestelde termijn van vier weken
is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs
niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
Opposant geeft in zijn verzetschrift aan dat hij zijn zwager heeft
verzocht om het verschuldigde griffierecht over te maken maar dat dit
helaas niet is gebeurd.
De Raad overweegt dat in situaties als de onderhavige het uitgangspunt
geldt dat het risico van het niet tijdig betalen van het
griffierecht volledig voor rekening komt van de partij die het hoger
beroep instelt.
In aansluiting op hetgeen in de uitspraak van 1 juni 2004 is overwogen
merkt de Raad op dat hij in hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd
geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de
conclusie dat opposant het verzuim niet kan worden tegengeworpen.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met
toepassing van artikel 8:55, vijfde lid aanhef en onder b, van de Awb
ongegrond te verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. t Hooft als voorzitter, in
tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
15 september 2004.
(get.) M.I. t Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|