|
Uitspraak
01/4923
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Onderlinge Waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds
u.a., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 30
juli 2001, reg.nr. 01/99 ZFW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad
bij brief van 20 januari 2003 nadere informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 april 2003, waar appellant is
verschenen, bijgestaan door zijn [broer] en zijn [moeder], en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.H. de Boer,
werkzaam bij gedaagde.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Appellant en gedaagde hebben bij brieven van 11 juli 2003 en 12 november
2003 vragen van de Raad beantwoord en stukken toegestuurd.
Appellant heeft op 2 januari 2004 schriftelijk gereageerd op de brief
van gedaagde van 12 november 2003.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 3 maart
2004 W.H.J. Mutsaers, psychiater te Haren, als deskundige benoemd voor
het instellen van een onderzoek. Deze psychiater heeft onder dagtekening
2 september 2004 over dat onderzoek een rapport uitgebracht.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 3 november
2004. Appellant is daar verschenen, bijgestaan door zijn [broer],
terwijl gedaagde zich wederom heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.H.
de Boer, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de navolgende, door
partijen niet betwiste, feiten en omstandigheden.
Appellant staat sinds 1993 onder psychiatrische behandeling van de
psychiater A.J. Tanghe, praktijkhoudend te Retranchement (Zeeuws-Vlaanderen)
en - in ieder geval ook later - in het Sint Franciscus
Xaveriusziekenhuis te Brugge (België).
De consulten bij psychiater Tanghe zijn - in elk geval tot 27 september
1996 - uit coulance door gedaagde vergoed. Pogingen, op aandrang van
gedaagde, om onder behandeling van een psychiater in de regio te komen,
onder meer bij de psychiaters De Wit en Beernink, zijn begin 1996
mislukt. In 1996 is appellant tweemaal en in 1997 eenmaal opgenomen
geweest op de psychiatrische afdeling van het Sint Franciscus
Xaveriusziekenhuis te Brugge. De eerste opname heeft appellant zelf
betaald, en de kosten van de twee daarop volgende opnames zijn in eerste
instantie betaald door de gewestelijke dienst te België. Appellant is
vervolgens in april 1998, mei 1998, oktober 1998 en in januari 1999 in
crisissituaties wederom opgenomen geweest op de psychiatrische afdeling
van genoemd ziekenhuis. De ouders van appellant brachten hem voor elke
crisisopname met de auto vanuit zijn woonplaats Enschede naar Brugge.
Gedaagde heeft - in het kader van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ) - geen overeenkomst met het Sint Franciscus
Xaveriusziekenhuis te Brugge.
Bij besluit van 19 april 2000 heeft gedaagde op grond van artikel 10 van
AWBZ en artikel 1 van de Regeling hulp in het buitenland AWBZ geweigerd
(1) de vergoeding van de kosten van behandelingen door psychiater Tanghe
in Retranchement na beëindiging van de coulanceregeling voort te zetten
en (2) toestemming te verlenen voor de opnames in het Sint
Franciscus-Xaveriusziekenhuis te Brugge in de jaren 1998 en 1999 en de
daaraan verbonden kosten te vergoeden. Hieraan ligt het standpunt ten
grondslag, dat het voor de geneeskundige verzorging van appellant niet
nodig is dat hij zich tot psychiater Tanghe wendt, dat er voor de
behandeling van de aandoening van appellant in de regio voldoende
adequate gecontracteerde hulp beschikbaar is en dat de behandeling in
het ziekenhuis in Brugge ook in Nederland gegeven kan worden.
Dit standpunt is door het College voor zorgverzekeringen in zijn advies
van 22 december 2000 onderschreven.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 11 januari 2001
(het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Almelo heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 30 juli 2001 ongegrond verklaard. Naar het
oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat gedaagde in
redelijkheid niet heeft kunnen besluiten de vergoedingen van de
behandelingen door psychiater Tanghe niet langer te continueren nu
diezelfde behandelingen ook in de regio uitgevoerd konden worden door
artsen waarmee het zorgkantoor AWBZ een contract heeft gesloten
In hoger beroep betwist appellant uitsluitend de weigering van gedaagde
om toestemming te verlenen voor de opnames in het Sint
Franciscus-Xaveriusziekenhuis te Brugge in de jaren 1998 en 1999 en om
de kosten van die opnames te vergoeden. Appellant stelt zich op het
standpunt dat een overdracht van de behandeling van psychiater Tanghe
naar een psychiater in de regio Twente redelijkerwijs niet van hem
verwacht mocht worden, gelet op de in het verleden door een behandelend
psychiater in de regio Twente gestelde verkeerde diagnose, waardoor zijn
vertrouwen in een goede behandeling is geschaad, en op de
behandelingsmethodiek van psychiater Tanghe, waarbij ook de naaste
familie is betrokken. In crisissituaties is het naar zijn mening van
belang dat hij wordt behandeld door de psychiater bij wie hij onder
behandeling is (Tanghe).
Gedaagde handhaaft het in het bestreden besluit neergelegde standpunt en
voegt daar aan toe dat ook de Zeeuws-Vlaanderen-Regeling appellant niet
kan baten, nu hij niet in Zeeuws-Vlaanderen woonachtig is. Op grond van
deze Regeling kunnen alleen inwoners van Zeeuws-Vlaanderen die in
ambulante behandeling zijn van psychiater Tanghe sinds 1 april 1999 ten
laste van de AWBZ worden behandeld in genoemd ziekenhuis te Brugge.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de AWBZ - voor zover hier van
belang - wendt de verzekerde die zijn aanspraak op zorg tot gelding wil
brengen zich voor het ontvangen van de desbetreffende zorg zich tot een
persoon of instelling naar eigen keuze, met wie of met welke het
uitvoeringsorgaan, waarbij hij is ingeschreven, tot dat doel een
overeenkomst heeft gesloten.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een uitvoeringsorgaan aan een
verzekerde toestemming kan verlenen zich voor het tot gelding brengen
van zijn aanspraak op zorg, in afwijking van het bepaalde in het eerste
lid, te wenden tot een andere persoon of instelling in Nederland, indien
zulks voor de verkrijging van de in artikel 6 bedoelde zorg voor de
verzekerde nodig is. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in
welke gevallen en onder welke voorwaarden aan een verzekerde ook
toestemming kan worden verleend zich voor het tot gelding brengen van
zijn aanspraak te wenden tot een persoon of inrichting buiten Nederland.
Aan dit laatste is uitwerking gegeven in de Regeling hulp in het
buitenland AWBZ (hierna: Regeling). Ingevolge artikel 1 van de Regeling
kan de verzekerde zich voor het tot gelding brengen van zijn aanspraak
op zorg wenden tot een persoon of inrichting buiten Nederland indien het
uitvoeringsorgaan heeft vastgesteld dat zulks voor de geneeskundige
verzorging van de verzekerde nodig is.
Het geschil tussen partijen betreft uitsluitend de weigering van
gedaagde om (achteraf) toestemming te verlenen voor de opnames in het
Sint Franciscus Xaveriusziekenhuis te Brugge in april 1998, mei 1998,
oktober 1998 en in januari 1999 en de aan die opnames verbonden kosten
te vergoeden.
Vaststaat dat gedaagde als uitvoeringsorgaan van de AWBZ ten tijde in
geding geen overeenkomst had gesloten met het Sint Franciscus
Xaveriusziekenhuis te Brugge. Voorzover gedaagde al uitwerking heeft
gegeven aan de zogeheten Zeeuws-Vlaanderen Regeling kan deze Regeling
appellant niet baten, omdat appellant niet in Zeeuws-Vlaanderen woont en
deze Regeling bovendien eerst van toepassing is vanaf 1 april 1999,
terwijl genoemde opnames hebben plaatsgevonden voor die datum.
Dit heeft tot gevolg dat ingevolge artikel 10, tweede lid, van de AWBZ
voor (vergoeding van de kosten van) de betreffende - als intramurale
zorg te kwalificeren - opnames in Brugge toestemming van gedaagde is
vereist.
Onder verwijzing naar het arrest van van 13 mei 2003 inzake V.G. Müller-Fauré
en E.M.M. van Riet (reg.nr. C-385/99) van het Hof van Justitie EG is de
Raad van oordeel dat in een geval als het onderhavige dit
toestemmingsvereiste, waarbij voor de verlening van toestemming als
voorwaarde is gesteld dat de zorg door de niet gecontracteerde
zorgverlener/instelling voor de medische behandeling van de verzekerde
vereist is, niet in strijd is met de artikelen 59 EG-Verdrag (thans, na
wijziging, artikel 49 EG) en 60 EG-Verdrag (thans artikel 50 EG). De
toestemming mag echter alleen op deze grond worden geweigerd wanneer bij
een instelling waarmee het ziekenfonds een overeenkomst heeft gesloten,
tijdig een identieke of voor de patiënt even doeltreffende behandeling
kan worden verkregen.
Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld, dat de
(crisis)behandelingen in het Sint Franciscus Xaveriusziekenhuis te
Brugge ook tijdig in een gecontracteerde zorginstelling in Nederland aan
appellant geboden had kunnen worden. De medisch adviseur van gedaagde
heeft in hoger beroep aangegeven, dat de vertrouwensrelatie met de
behandelaar in crisissituaties mede daarom nauwelijks van belang is, nu
uit gegevens van psychiater Tanghe blijkt dat appellant dan erg
onrustig, verward en paranoïde is.
Ook de Raad is van oordeel dat in crisissituaties ten tijde in geding
tijdig adequate hulp bij gecontracteerde zorginstellingen in Nederland
beschikbaar was. Daarvoor heeft hij met name van belang geacht dat de
deskundige Mutsaers na onderzoek tot de conclusie is gekomen dat in de
periode van 1 januari 1998 tot en met 16 januari 1999 naar objectief
medisch psychiatrische maatstaf redelijkerwijs van appellant, die in die
periode feitelijk onder behandeling was bij psychiater Tanghe, gevergd
kon worden dat hij zich in crisissituaties zou laten behandelen door een
andere psychiater dan zijn behandelend psychiater, en dat hij op medisch
psychiatrische gronden niet aangewezen was op opname op de
psychiatrische afdeling van het Sint Franciscus Xaveriusziekenhuis te
Brugge. Naar het oordeel van de deskundige was er ook een mogelijkheid
tot opname en adequate behandeling in Nederland.
De ter zitting van de Raad van de kant van appellant naar voren
gebrachte kritiek op het rapport van de deskundige leidt de Raad niet
tot een ander oordeel, omdat deze kritiek met name betrekking heeft op
de overgang van de reguliere behandeling naar een andere psychiater dan
Tanghe en niet op de conclusie van de deskundige met betrekking tot de
behandeling van appellant in crisissituaties. Ook overigens is de Raad
niet gebleken van medische gegevens, die de stelling van appellant, dat
hij in crisissituaties naar objectief medisch psychiatrische maatstaf
was aangewezen op behandeling door psychiater Tanghe te Brugge, nader
onderbouwen.
In hetgeen verder door en namens appellant is aangevoerd, ziet de Raad
geen grond om tot een ander oordeel te komen. In dit verband merkt de
Raad op dat er ten tijde in geding met betrekking tot een situatie als
de onderhavige geen rechtsregel was die gedaagde verplichtte om op
gelijke wijze te beslissen als andere verzekeraars die opnames in Brugge
van patiënten van psychiater Tanghe wel vergoeden.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep geen doel treft
en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W.
van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 november
2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|