|
Uitspraak
04/1893 AWBZ
P
R O C E S - V E R B A A L
van de mondelinge uitspraak op 24 november 2004
van de meervoudige kamer.
Zitting heeft: mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter, en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. R.H.de Bock, als leden; griffier: C.H.T.W. van
Rooijen.
7e Zaak, reg.nr. 04/1893 AWBZ, inzake:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante, verschenen in persoon en bijgestaan
door mr. P.H. Dijns,
tegen
de directeur van het Regionaal Indicatie Orgaan Zuid- Kennemerland,
gedaagde, verschenen bij gemachtigde J.C. Warmerdam, werkzaam bij
gedaagdes organisatie.
Bij het bestreden besluit van 15 juli 2003 heeft gedaagde het bezwaar
tegen het primaire besluit van 28 februari 2003 niet-ontvankelijk
verklaard.
De rechtbank Haarlem heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 8 maart 2004, reg.nr. 03-1385 AWBZ, ongegrond
verklaard.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en overweegt dat niet
gebleken is van een bezwaarschrift van een eerdere datum dan die van 28
november 2002. Aangezien [naam broers], broers van appellante, bij
beschikking van de kantonrechter van 15 oktober 2002, tot bewindvoerder
respectievelijk mentor zijn benoemd, was appellante ten tijde van het
indienen van het bezwaarschrift niet bevoegd in rechte de belangen van
haar ouders te behartigen. Het feit dat de aanvraagdatum voor een
Persoonsgebonden Budget Verpleging en Verzorging (PGB - V&V) gelegen
ligt voor 15 oktober 2002 doet hier niet aan af.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
De Raad beslist als volgt:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Waarvan proces-verbaal.
Utrecht, 24 november 2004.
De fungerend voorzitter, M.I. ’t Hooft.
De plv. griffier, C.H.T.W. van Rooijen.
Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Centrale Raad van Beroep.
|
|