|
Uitspraak
02/6052
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de onderlinge waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds
U.A.F., gevestigd te Enschede, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25
oktober 2002, reg.nr. 01/1192 AWBZ.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 december 2004, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Voets en gedaagde door mr.
A. Vosmeijer, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting,
uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Op 17 november 2000 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag om een
persoonsgebonden budget (hierna: PGB) ingediend.
Bij brief van 19 december 2000 heeft het Indicatie Orgaan Arnhem
(hierna: het Indicatieorgaan) aan appellant medegedeeld dat op 8
december 2000 een indicatiebesluit is vastgesteld, inhoudende -
voorzover hier van belang - dat geen uren zijn geïndiceerd voor het
koken van de warme maaltijden omdat gebruik kan worden gemaakt van een
voorliggende voorziening (koel/vers maaltijden van de SWOA). Aan het
slot van die brief is vermeld dat tegen het indicatiebesluit bezwaar kan
worden gemaakt.
Bij uitspraak van 19 december 2000 (op 24 februari 2001 gepubliceerd in
USZ 2001, nr. 52) heeft de Raad geoordeeld dat een indicatiestelling als bedoeld
in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten niet kan
worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad heeft voorts aangegeven dat
bezwaren tegen een indicatiestelling - slechts - aan de orde kunnen
worden gesteld in het kader van (het) bezwaar tegen het besluit van het
ziekenfonds of de zorgverzekeraar inzake de aanspraken van de verzekerde
op zorg.
Bij besluit van 24 januari 2001 heeft gedaagde aan appellant een PGB
toegekend voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2001.
Daarbij heeft gedaagde de indicatiestelling van 19 december 2000 tot
uitgangspunt genomen. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het
besluit van 24 januari 2001.
Bij brief van 30 januari 2001 heeft appellant bij het Indicatieorgaan
een bezwaarschrift ingediend tegen de brief van het Indicatieorgaan van
19 december 2000. Appellant is van mening dat ten onrechte geen uren
zijn geïndiceerd voor het koken van de warme maaltijden.
Bij brief van 16 maart 2001 heeft de secretaris van de
bezwaarschriftencommissie van het Indicatieorgaan het bezwaarschrift
doorgezonden aan gedaagde. Van deze doorzending heeft de secretaris bij
brief van eveneens 16 maart 2001 mededeling gedaan aan appellant.
Bij brief van 10 april 2001 heeft gedaagde appellant medegedeeld het
bezwaar, gelet op de uitspraak van de Raad van 19 december 2000, in
behandeling te nemen als zijnde gericht tegen het besluit (van gedaagde)
van 24 januari 2001.
Bij besluit van 17 mei 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit
van 24 januari 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 17 mei
2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar van
appellant tegen de brief van het Indicatieorgaan van 19 december 2000
niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat gedaagde het bezwaarschrift
ter verdere behandeling doorstuurt aan het Indicatieorgaan. De rechtbank
heeft - kort weergegeven - geoordeeld dat gedaagde het bezwaar tegen de
brief van het Indicatieorgaan van 19 december 2000 ten onrechte in
behandeling heeft genomen als zijnde gericht tegen het besluit (van
gedaagde) van 24 januari 2001 en dat, nu gedaagde dit niettemin heeft
gedaan, hij het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren aangezien
dit - slechts - door het Indicatieorgaan kan worden behandeld.
Appellant heeft dit oordeel van de rechtbank gemotiveerd betwist.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad is buiten twijfel
dat het bezwaarschrift van 30 januari 2001 is gericht tegen de brief van
het Indicatieorgaan van 19 december 2000 en niet tegen het besluit van
gedaagde van 24 januari 2001. Voor doorzending van het bezwaarschrift
aan gedaagde bestaat derhalve geen (rechts)grond.
Eveneens staat vast dat, ondanks het feit dat de uitspraak van de Raad
op 24 februari 2001 is gepubliceerd in USZ en uit de gedingstukken
blijkt dat die uitspraak kort na de publicatie - en daarmee binnen de
bezwaartermijn - bij de gemachtigde van appellant bekend was, en ondanks
het feit dat aan het slot van het besluit van gedaagde van 24 januari 2001 is vermeld dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt,
tegen dat besluit geen bezwaar is gemaakt.
In die omstandigheden ziet de Raad geen grond voor het volgen van de
door het Indicatieorgaan en gedaagde gekozen constructie, waarin het
bezwaar tegen de brief van het Indicatieorgaan van 19 december 2000 in
wezen wordt geconverteerd in een bezwaar tegen het besluit van gedaagde
van 24 januari 2001.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor de goede orde merkt de Raad nog op dat doorzending van het
bezwaarschrift van 30 januari 2001 aan (de rechtsopvolger van) het
Indicatieorgaan achterwege kan blijven, nu daarop geen andere beslissing
kan worden genomen dan niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.
Ten overvloede overweegt de Raad met betrekking tot het bezwaar van
appellant tegen het niet indiceren van uren voor het koken van de warme
maaltijden nog, dat niet is gebleken dat de in de indicatiestelling
genoemde voorliggende voorziening naar objectiefmedische maatstaf niet
als adequaat kan worden aangemerkt.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. 't
Hooft en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D.
Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari
2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I.D. Veldman.
|
|