|
Uitspraak
02/6535
AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de erven en/of rechtverkrijgenden van wijlen [appellante], appellante,
en
OWM Groene land P.W.M. Zorgverzekeraar U.A., gevestigd te Zwolle,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Vanwege appellante is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Zwolle, van 22 november 2002, reg.nr. 02/558 AWBZ. Bij die uitspraak is het beroep van appellante
tegen het besluit van gedaagde van 15 april 2002 (het bestreden besluit)
ongegrond verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 november 2004. Van de zijde
van appellante is verschenen J. Zwikker, executeur in de nalatenschap
van appellante. Gedaagde is - met bericht - niet verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een uitgebreider overzicht van de voor dit geding van belang zijnde
feiten en het toepasselijk wettelijk kader verwijst de Raad naar de
aangevallen uitspraak. Gelet op de inhoud van de gedingstukken vormen
die feiten ook voor de Raad het uitgangspunt van zijn beoordeling.
Ten tijde in geding verbleef appellante permanent in het "European
Care Hotel" (ECH), een particulier woonzorgcentrum in Heino met
ruim 40 wooneenheden, dat op commerciële basis tijdelijk of blijvend
voorziet in huisvesting, voeding, begeleiding, verzorging en verpleging.
Het ECH is bij een landelijke vereniging van particuliere
verzorgingshuizen aangesloten. Het wordt geëxploiteerd door de ECH B.V.
(de b.v.), met medewerking van Stichting Zorg Voorziening ECH Heino (de
stichting). Blijkens de daarop betrekking hebbende vermeldingen in het
handelsregister van de Kamer van Koophandel bestond ten tijde in geding
het bestuur van ECH B.V. uit de directeur/enig aandeelhouder van ECH B.V.
en werd het bestuur van de stichting gevormd door de directeur van de b.v.
met diens echtgenote.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde vastgehouden aan zijn afwijzing
van appellantes verzoek om een persoonsgebonden budget (pgb) voor
verpleging en verzorging (vv) in de zin van het in Hoofdstuk II,
paragraaf 2.5.1. opgenomen artikel in 2.5.1.7 van de Regeling subsidies
AWBZ en Ziekenfondswet, zoals die regeling luidde ten tijde in geding
(hierna aan te duiden als: de Regeling). Gedaagde baseert die weigering
op het derde lid van die bepaling, inhoudende dat niet voor een pgb in
aanmerking komt de verzekerde die verblijft in een instelling waarin aan
personen duurzaam verblijf en verzorging wordt verschaft.
In eerste aanleg is vanwege appellante gesteld dat de door haar gehuurde
wooneenheid van ECH B.V. als haar thuis moet worden beschouwd waar zij
-los van die b.v.- van de stichting door haar bedongen zorg ontvangt. In
haar visie is er in haar situatie geen sprake van verblijf in een
instelling als bedoeld in artikel 2.5.1.7, derde lid, van de Regeling.
Voorts is aangevoerd dat de in die bepaling neergelegde
uitsluitingsgrond het toekenningsgebied van een pgb vv onredelijk
inperkt en tot discriminatie leidt tussen thuiswonenden en personen in
een instelling.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het ECH, hoewel dit uit twee aparte
rechtspersonen bestaat, moet worden beschouwd als een
"instelling" in de zin van het bij het bestreden besluit
gehanteerde artikel 2.5.1.7, derde lid van de Regeling. Met verwijzing
naar jurisprudentie van de Raad terzake van de relatie tussen een pgb vv
en verblijf in een particulier verzorgingshuis (CRvB, 22 oktober 1999,
reg.nr. 98/7322, RZA 2000, nr. 22) heeft de rechtbank overwogen dat geen
sprake is van een onaanvaardbare ongelijke behandeling van degenen die
in een instelling verblijven en degenen die thuis wonen. De slotsom van
de rechtbank luidt dat de bij het bestreden besluit gehanteerde
uitsluitingsgrond in het geval van appellante van toepassing is.
In hoger beroep zijn namens appellante de in eerste aanleg aangevoerde
grieven herhaald. Daarbij is benadrukt dat de haar tegengeworpen
uitsluitingsgrond tot een onbillijk resultaat heeft geleid: als zij een
pgb vv had kunnen besteden aan de door haar geprefereerde - voor haar
dure - zorg in het particuliere ECH, zou zij minder snel aangewezen raken
op een - door haar niet gewenste - opname in een voor haar goedkopere
reguliere zorgvoorziening, zoals een verpleeghuis.
De Raad verenigt zich, gelet op de feiten en de toepasselijke
regelgeving, met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de
strekking van de overwegingen waarop dit berust. Nu in hoger beroep geen
wezenlijk nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gekomen volstaat de Raad
met het volgende.
Ingevolge het onder de algemene bepalingen van hoofdstuk I van de
Regeling opgenomen artikel 1.1.1. onder a, in samenhang met de algemene
toelichting op die regeling, moet onder het begrip instelling onder meer
worden verstaan: een privaatrechtelijke rechtspersoon. In de op het pgb
vv betrekking hebbende paragraaf 2.5.1. van hoofdstuk II van de Regeling
wordt van die algemene begripsomschrijving niet afgeweken. ECH B.V. en
Stichting Zorgvoorziening ECH zijn privaatrechtelijke rechtspersonen.
Derhalve voldoen zij (ook) voor de toepassing van de bepalingen omtrent
het pgb vv in die paragraaf aan de omschrijving van het begrip
instelling.
Gezien de doelstelling van de b.v. en van de stichting, de functionele
verwevenheid tussen die rechtspersonen en de wijze van exploitatie van
het ECH in de praktijk, dient dit zorgcentrum voor de toepassing van de
in het derde lid van artikel 2.5.1.7 van de Regeling opgenomen
uitsluitingsgrond te worden aangemerkt als een instelling die er op is
gericht wonen en zorg gecombineerd en op samenhangende wijze binnen een
met het oog daarop georganiseerd verband aan te bieden. Gelet daarop
moet het - permanente - verblijf van appellante in het ECH in het kader
van die bepaling worden gekwalificeerd als verblijf in "een
instelling waarin aan personen duurzaam verblijf en verzorging wordt
verschaft".
Uit het voorgaande volgt dat de uitsluitingsgrond van artikel 2.5.1.7,
derde lid, van de Regeling in de weg staat aan het door appellante
gevraagde pgb vv.
In lijn met zijn in de aangevallen uitspraak weergegeven jurisprudentie
merkt de Raad voorts op dat de regelgever met de onderhavige en de
daaraan voor afgegane soortgelijke regeling(en) heeft beoogd om
enerzijds tegemoet te komen aan de wens van verzekerden om thuis
verpleging en verzorging te ontvangen en, anderzijds, de daaruit ten
laste van het algemeen fonds voortvloeiende (extra) kosten te beheersen.
Met het oog daarop is een pgb vv ingevolge het tweede en het derde lid
van artikel 2.5.1.7. van de Regeling opengesteld voor verzekerden die
blijkens een afgegeven indicatiebesluit zijn aangewezen op verpleging en
verzorging in de thuissituatie. De kring van geïndiceerde die voor een
pgb vv in aanmerking kunnen komen is, naar ook strookt met de strekking
van de bij de Regeling behorende toelichting, beperkt tot
hulpbehoevenden die in hun particuliere huishouding verblijven en aldaar
de noodzakelijke verpleging en verzorging (wensen te) ontvangen. Ten
tijde hier in geding behoorden tot de doelgroep van
"thuiswonenden" in de zin van artikel 2.5.1.7 van de Regeling
derhalve niet degenen die verblijven in een instelling - zoals het ECH -
waarin reeds centraal wordt voorzien in de noodzakelijk verpleging en
verzorging.
De hiervoor vermelde met de Regeling beoogde begrenzing acht de Raad als
doelstelling objectief gerechtvaardigd, mede gelet op de andere
mogelijkheden die verzekerden onverkort ten dienste staan om reguliere
verzorging en verpleging ten laste van de AWBZ te verkrijgen. Ook van de
wijze waarop die doelstelling in artikel 2.5.1.7., derde lid van de
Regeling is vormgegeven, kan niet worden gezegd dat deze niet op
redelijke gronden berust.
Nu de Regeling voor situaties als hier in het geding geen
hardheidsclausule kent en de toepasselijke regelgeving (ook anderszins)
niet voorziet in de mogelijkheid van een redelijkheidstoetsing als door
appellant is gevraagd, leidt het vorenoverwogene tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5
januari 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|