|
Uitspraak
03/1016 AWBZ en 03/1017 AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
de erven van [verzekerden], laatstelijk gewoond hebbende te
[woonplaats], appellanten,
en
Stichting Centrale Zorgverzekeraars, Ziekenfonds, gevestigd te Tilburg,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft drs. E.P.M. van Puijenbroek, belastingadviseur,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg
van 24 januari 2003, reg.nr. Awb 02/158.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 2 februari 2005, waar partijen -
met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
A[verzekerden], (hierna: verzekerden), verbleven - voorzover hier van
belang - van 1998 tot en met 2001 in een AWBZ-instelling. Voor dat
verblijf is ingevolge het op artikel 6, derde lid van de AWBZ gebaseerde
Bijdragebesluit zorg (hierna ook: het Besluit), een bijdrage
verschuldigd. In het navolgende wordt uitgegaan van de tekst van het
Besluit, zoals dat luidde ten tijde in geding van belang.
De hoogte daarvan is afhankelijk van het bijdrageplichtig inkomen dat in
het berekeningsjaar is genoten of redelijkerwijs geacht kan worden te
zijn genoten (artikel 5 van het Besluit). Het bijdrageplichtig inkomen
wordt vastgesteld door het in het berekeningsjaar genoten inkomen, zoals
omschreven in artikel 6 van het Besluit, te verminderen met de
aftrekposten genoemd in artikel 7 van het Besluit. Betaalde
inkomstenbelasting leidt tot verlaging van het bijdrageplichtig inkomen.
Schenkingen zijn ingevolge artikel 7 van het Besluit geen aftrekpost.
Terugontvangen inkomstenbelasting behoort ingevolge artikel 6, eerste
lid, onder f, van het Besluit tot het bijdrageplichtig inkomen.
Verzekerden verwachtten teruggave van door hen betaalde
inkomstenbelasting over 1997 en 1998. In 1998 hebben zij hun zoon [naam
zoon] gemachtigd tot - onder meer - het doen van schenkingen. Die zoon
heeft vervolgens bij notariële akte van 22 januari 1999 verklaard dat
verzekerden de door hen verwachte vordering in verband met
belastingteruggave over 1997 en 1998 overdragen aan hun beide zonen ten
titel van schenking. Verzekerden verkregen vervolgens op een later
tijdstip in 1999 als gevolg van herzieningsbeslissingen van de fiscus
onvoorwaardelijk aanspraak op belastingteruggave over 1997 en 1998, tot
een bedrag - voorzover hier van belang - van f 59.239,--. Op verzoek
vanwege verzekerden heeft de belastingdienst dat bedrag in 1999
overgemaakt naar een bankrekening op naam van de beide zonen.
Bij het bestreden besluit van 20 februari 2002, zoals in eerste aanleg
nader toegelicht, handhaaft gedaagde de eerder ten aanzien van
verzekerden ingaande 1 juli 2000 vastgestelde bijdrage ingevolge de AWBZ
ten bedrage van f 3.654,-- per maand. Daarbij is de aan hen in het
toepasselijke berekeningsjaar 1999 toegekende belastingteruggave van f
59.239,-- meegeteld als door hen genoten inkomsten. Daartoe acht
gedaagde bepalend dat verzekerden door de op hun naam gestelde
herziening van de betreffende belastingaanslagen in 1999 de beschikking
verkregen over een vordering op de fiscus van f 59.239,--. Daardoor is
er in dat jaar sprake van bijdrageplichtige inkomsten die door hen zijn
genoten of redelijkerwijs geacht moeten worden te zijn genoten in de zin
van artikel 5, eerste lid, van het Besluit. Daaraan doet de namens
verzekerden in 1999 achtereenvolgens bewerkstelligde schenking en
uitbetaling aan hun zonen niet af. Hierbij acht gedaagde tevens van
belang dat in 1998, 1999 en 2001 de bijdrage op nihil is gesteld op
grond van door verzekerden opgegeven aftrekposten in verband met door
hen betaalde belasting.
De rechtbank heeft gedaagdes visie onderschreven en het bestreden
besluit in stand gelaten.
In hoger beroep bestrijden appellanten de rechtmatigheid van de bij het
bestreden besluit gehandhaafde bijdrage uitsluitend met de stelling dat
de door de fiscus in 1999 terugbetaalde inkomstenbelasting niet door
verzekerden is ontvangen of genoten in de zin van het eerste lid van de
artikelen 6 en 5 van het Besluit. Appellanten verstaan eerstgenoemde
bepaling aldus dat alleen rekening mag worden gehouden met feitelijk
ontvangen inkomsten. Daarvan was in hun visie geen sprake, aangezien de
door verzekerden verwachte aanspraak op belastingteruggave door hen in
januari 1999 bij notariële schenkingsakte was overgedragen aan hun
zonen en het bedrag van f 59.239,-- niet aan verzekerden is betaald.
Verder stellen appellanten dat dit bedrag ook niet geacht kan worden
door hen te zijn genoten in de zin van artikel 5, eerste lid, van het
Besluit. De door gedaagde aan de laatste zinsnede van die bepaling
toegekende reikwijdte leidt volgens hen tot een ontoelaatbare -
willekeurige - uitbreiding van het inkomensbegrip.
Gedaagde heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd. Daarbij is
onder meer gewezen op het belang van de onverkorte naleving van de in
het Besluit neergelegde bijdrageplicht.
De Raad overweegt als volgt.
Het Bijdragebesluit zorg behelst een eigenstandig en imperatief stelsel
terzake van de bijdrageplicht voor ingevolge de AWBZ aangewezen
bijdrageplichtige zorg. Mede ter bevordering van de effectuering van die
plicht bevat het Besluit enerzijds een limitatieve lijst van wat (wel en
wat niet) tot het bijdrageplichtig inkomen behoort en anderzijds een
maatstaf voor de toetsing of bijdrageplichtige inkomsten zijn
"genoten". Voor dat laatste is bepalend of die inkomsten zijn
genoten “dan wel redelijkerwijs geacht kunnen worden te zijn
genoten”.
De Raad stelt vast dat de door verzekerden in het berekeningsjaar 1999
terugontvangen belasting van f 59.239,-- een inkomenspost is die in het
Besluit uitdrukkelijk is aangewezen als een bestanddeel van het
bijdrageplichtig inkomen. Voor de vervolgens rijzende vraag, of die -
als zodanig tot het bijdrageplichtig inkomen behorende - teruggave door
verzekerden is “genoten”, is gelet op de tekst en strekking van
artikel 5, eerste lid, van het Besluit niet enkel bepalend of dat bedrag
feitelijk door hen is ontvangen. Daaraan doet niet af dat destijds bij
de totstandkoming van die bepaling in de eerste plaats is gedacht aan
inkomsten die in het berekeningsjaar feitelijk zijn ontvangen. Blijkens
de toelichting op de laatste zinsnede van het eerste lid van artikel 5
van het Besluit is immers niet uitgesloten dat ook andere dan de daar
als voorbeeld genoemde bijdrageplichtige inkomsten, die niet feitelijk
aan de rechthebbende zijn uitbetaald, aangemerkt kunnen worden als
redelijkerwijs te zijn genoten.
Gelet op het voorgaande heeft gedaagde de aan verzekerden toegekende,
aan hen vrij ter beschikking gekomen, aanspraak op belastingteruggave
terecht aangemerkt als inkomen dat door hen is of redelijkerwijs geacht
kan worden te zijn genoten, ook al hadden verzekerden de door hen
verwachte aanspraak op belastingteruggave ten titel van schenking
overgedragen aan hun zonen en al werd hun nadien definitief ontstane
vordering op hun verzoek door de fiscus betaald aan die zonen. De
zojuist genoemde handelwijze van verzekerden moet - in het kader van het
eerste lid van artikel 5 van het Besluit - worden geduid als een
constructie, die niet wegneemt dat als gevolg van de toekenning in 1999
van de aanspraak op belastingteruggave voor verzekerden in dat jaar een
bijdrageplichtig genietingsmoment is ontstaan. Met de tekst en de
strekking van de in die bepaling opgenomen maatstaf “bijdrageplichtig
inkomen dat is of redelijkerwijs geacht kan worden te zijn genoten”
strookt niet dat die kwalificatie kan worden omzeild door vanwege de
belastingdienst terug te ontvangen inkomstenbelasting aan derden “af
te staan” zoals door verzekerden is gedaan. Voorts verdraagt de door
appellanten bepleite beperkende uitleg zich niet met de systematiek van
het Besluit, waarin betaalde inkomstenbelasting leidt tot een verlaging
van het bijdrageplichtig inkomen en een teruggave van teveel betaalde
inkomstenbelasting leidt tot een verhoging van het bijdrageplichtig
inkomen.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van
S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 maart
2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|