|
Uitspraak
02/5953 AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep, Ziekenfonds (zorgkantoor
Zeeland), gevestigd te Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. K.P.T.G. Flos, advocaat te Middelburg, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 25
oktober 2002, reg.nr. Awb 02/14.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is een aanvullend hogerberoepschrift ingediend, waarop
gedaagde bij aanvullend verweerschrift heeft gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar appellant
- met voorafgaand bericht - niet is verschenen en gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. N.J.H. Dams-van der Heijden, werkzaam
bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming, mede gelet op de gedingstukken,
uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een persoonsgebonden
budget (hierna: PGB) ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(hierna: AWBZ) heeft het Regionaal Indicatieorgaan Zeeuwsch-Vlaanderen
vastgesteld in welke mate [naam dochter], de dochter van appellant,
aangewezen is op zorg en verpleging. Daarbij zijn per week acht uur
huishoudelijke zorg, 14 uur verzorging en 73 uur verpleging geïndiceerd.
Bij deze indicatie is rekening gehouden met een noodzakelijke
uitbreiding van 24 (driemaal acht) uur nachtzorg.
Bij besluit van 23 juli 2001 heeft gedaagde aan appellant voor de
periode van 1 augustus 2001 tot en met 31 december 2001 een PGB toegekend van f 2.450,-- per week (f 350,-- per dag), alsmede een
aanvullend PGB voor intensieve thuiszorg van f 2.100,-- per week (f 300,-- per dag).
Appellant heeft tegen het besluit van 23 juli 2001 bezwaar gemaakt.
Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte niet
ook budget is toegekend voor de geïndiceerde 24 uur nachtzorg.
Bij besluit van 30 november 2001 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant
tegen het besluit van 30 november 2001 ongegrond verklaard. Zij heeft
daartoe overwogen dat de Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet
(hierna: Regeling) op het uitgangspunt berust dat de keuze voor zorg in
natura of een PGB geen financieel voordeel of nadeel mag inhouden voor
degene die om zorg vraagt. Uit de toelichting blijkt dat artikel 2.5.1.7
van de Regeling inhoudt dat geen PGB behoeft te worden toegekend als de
thuiszorg door middel van een PGB, in vergelijking met de kosten van
opname in een semi- of intramurale instelling, voor de individuele patiënt
zodanig kostbaar is of wordt, dat het financieel niet langer verantwoord
is de verzekerde een PGB toe te kennen of te blijven toekennen. Voor
toekenning van - “geïndiceerde” - budgetten hoger dan f 650,-- per
dag dient het zorgkantoor advies te vragen aan het College voor
zorgverzekeringen (hierna: Cvz). Daarbij geldt dat het oordeel dat
opname in een intramurale instelling medisch gezien niet mogelijk is,
dient te berusten op een verklaring van een onafhankelijke medicus. De
rechtbank heeft het vervolgens niet onaanvaardbaar geacht dat gedaagde
zich op het standpunt stelt dat een budget van meer dan f 650,-- per dag
bij een vergelijking met de kosten van naturazorg niet meer verantwoord
is. De stelling van appellant dat gedaagde bij deze vergelijking is
uitgegaan van onjuiste kosten van de naturazorg, heeft de rechtbank
verworpen. Zij is van oordeel dat gedaagde zich terecht heeft gebaseerd
op de door de instelling te ontvangen kosten op grond van de AWBZ-normen
en niet van de werkelijke kosten van opvang van de dochter van
appellant. Met betrekking tot de door appellant gestelde
contra-indicatie voor opname in een AWBZ-instelling heeft de rechtbank
als haar oordeel uitgesproken dat de verklaring van de - onafhankelijke
- arts H.B. Binkhorst van 11 juli 2002 daarvoor onvoldoende basis biedt.
Overeenkomstig het geldende protocol moeten aan een dergelijke
verklaring als eisen worden gesteld dat het aan opname verbonden risico
helder wordt uiteengezet en dat zij gebaseerd is op de meest actuele
wetenschappelijke inzichten, zulks om te voorkomen dat particuliere
opvattingen van artsen de doorslag gaan geven.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij de kostenvergelijking
de werkelijke kosten van de naturazorg van [naam dochter] in aanmerking
moeten worden genomen en niet de vergoeding die de opvangende instelling
ontvangt in het kader van de AWBZ, aangezien deze vergoeding niet
toereikend is. Verder heeft hij naar voren gebracht dat opname in een
AWBZ-instelling gecontra-indiceerd is, nu bij [naam dochter] sprake is
van - onbehandelbare - verlatingsangst. Daartoe is een beroep gedaan op
een brief van het Universitair Medisch Centrum Utrecht van 6 november
2000, een verslag van de behandelaren van zijn dochter van 3 oktober
2001 en een verslag van een psychologisch herhalingsonderzoek van 5 juni
2000. Voorts heeft appellant aangevoerd dat onduidelijk is waarom het
rapport van de arts Binkhorst niet voldoet aan de eisen die aan het
rapport van een onafhankelijke arts worden gesteld. Ten slotte heeft
appellant betoogd dat gedaagde ten onrechte heeft nagelaten zelf het
advies van een onafhankelijke arts in te winnen.
Gedaagde heeft aangevoerd dat de verzekerde recht heeft op naturazorg en
dat in het kader van de AWBZ voor plaatsing in een instelling
uitsluitend de gestelde indicatie van belang is. De bekostiging van de
instelling speelt daarbij geen rol. Wat de bekostiging betreft is er
geen andere berekeningssystematiek dan de rekenstaten van de AWBZ.
Volgens gedaagde is het de bedoeling van de regeling inzake PGB’s om
een PGB mogelijk te maken als alternatief voor naturazorg, mits
financieel gelijkwaardig. De verklaring van de arts Binkhorst acht
gedaagde onvoldoende contra-indicatie, nu deze verklaring geen inzicht
geeft in de grondslag van het daarin neergelegde oordeel. De stelling
dat sprake is van onbehandelbare verlatingsangst acht gedaagde
onvoldoende onderbouwd en toegelicht.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 1p, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ziekenfondswet
(hierna: Zfw) houdt in dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald
dat het Cvz ten laste van de Algemene Kas dan wel ten laste van het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten overeenkomstig in die regeling
gestelde regels subsidies verstrekt ten behoeve van verzekerden
ingevolge de Zfw of de AWBZ om hun de mogelijkheid te geven om in plaats
van het tot gelding brengen van een aanspraak ingevolge die wetten zelf
te voorzien in de zorg die zij behoeven.
De desbetreffende ministeriële regeling is de Regeling subsidies AWBZ
en Ziekenfondswet (Stcrt. 2000, nr. 233).
Artikel 2.5.1.1, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat aan
zorgkantoren op aanvraag projectsubsidie wordt verleend die is bestemd
voor het verlenen van subsidies aan verzekerden in de vorm van PGB’s
ten behoeve van verpleging en verzorging. Artikel 1.1.1, aanhef en onder
h, van de Regeling bepaalt dat onder zorgkantoor wordt verstaan een
verbindingskantoor als bedoeld in artikel 1, onder c, van het
Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering.
Vaststaat dat gedaagde een zorgkantoor is waaraan een projectsubsidie
voor het toekennen van PGB’s is verleend.
Ingevolge artikel 2.5.1.4, tweede lid, van de Regeling worden bij het
verlenen van subsidie aan het zorgkantoor slechts PGB’s in aanmerking
genomen die zijn toegekend met inachtneming van de regels die zijn
opgenomen in paragraaf 2.5.1 van de Regeling. Blijkens artikel 2.5.1,
zesde lid, van de Regeling mag het zorgkantoor bij de toekenning van een
PGB geen andere voorwaarden stellen dan die welke voldoen aan de
paragraaf 2.5.1 van de Regeling.
Artikel 2.5.1.7, achtste lid, van de Regeling houdt in dat de verzekerde
niet in aanmerking komt voor een PGB, indien de kosten van het PGB ten
opzichte van de kosten van opname in een instelling naar het oordeel van
het zorgkantoor niet verantwoord zijn. Dit is niet van toepassing,
indien opname blijkens een verklaring van een onafhankelijke medicus
niet tot de mogelijkheden behoort. Blijkens de toelichting dient daarbij
te worden uitgegaan van de kosten van opname in een semi- of intramurale
instelling van de individuele patiënt. Voor “geïndiceerde”
budgetten hoger dan f 650,-- per dag dient het zorgkantoor volgens de
toelichting advies te vragen aan het Cvz.
De Raad is van oordeel dat de bepalingen van de onderhavige regeling
inzake PGB’s, anders dan de door de Ziekenfondsraad respectievelijk
het Cvz eerder vastgestelde regelingen terzake, moeten worden aangemerkt
als algemeen verbindende voorschriften, nu zij berusten op de in artikel
1p, eerste lid, aanhef en onder d, van de Zfw bedoelde regelgevende
bevoegdheid. De Raad stelt voorts vast, dat aan de zorgkantoren in
artikel 2.5.1.7, achtste lid, van de Regeling beoordelingsvrijheid is
toegekend met betrekking tot de vraag of de hogere kosten van een PGB in
verhouding tot die van naturazorg onverantwoord moeten worden geacht.
Daarvan uitgaande is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat
gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen hoger
budget toe te kennen dan f 650,-- per dag (f 237.250,-- op jaarbasis).
Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat met de geïndiceerde zorg
een budget van f 384.425,-- op jaarbasis gemoeid zou zijn geweest, welk
bedrag beduidend veel hoger is dan de kosten van opname van de dochter
van appellant in een zorginstelling, waarmee een bedrag van f 163.000,--
per jaar gemoeid zou zijn geweest. In het licht hiervan kan dan ook niet
worden gezegd dat gedaagde zich ten onrechte op het standpunt heeft
gesteld dat toekenning van een hoger budget dan f 650,-- per dag
strijdig moet worden geacht met de uitgangspunten van de Regeling, te
weten de rechtsgelijkheid van de verzekerden en de doelmatigheid van de
besteding van de beschikbare middelen, en om die reden onverantwoord
moet worden geacht.
Met betrekking tot de stellingname van appellant dat bij de vergelijking
moet worden uitgegaan van de werkelijke kosten van zorg en verpleging
van [naam dochter] in plaats van de vergoeding die een instelling in
geval van opname van haar op grond van de AWBZ zou ontvangen, is de Raad
van oordeel dat de door gedaagde aangelegde maatstaf, mede in het licht
van de voor zorg en verpleging beschikbare financiële middelen, niet
voor onjuist kan worden gehouden.
Dat opname van [naam dochter] in een instelling niet tot de
mogelijkheden behoort, acht de Raad door de voorhanden zijnde medische
gegevens onvoldoende aannemelijk gemaakt. Weliswaar blijkt uit de
gegevens van de behandelende sector van het bestaan van psychische
problemen, maar niet dat die van dien aard zijn dat deze aan opname in
een instelling in de weg zouden staan. In het bijzonder het rapport van
het psychologisch herhalingsonderzoek van 5 juni 2000 biedt daarvoor
geen aanknopingspunten.
Het - in beroep bij de rechtbank door appellant ingebrachte - rapport
van de arts Binkhorst leidt de Raad niet tot een ander oordeel.
Weliswaar stelt deze arts dat [naam dochter] het alternatief van een
verpleeghuis alleen al op psychische gronden niet kan worden aangedaan
en dat dit voorts ook op medische gronden (huidige niveau van
begeleiding en alertheid) als gecontra-indiceerd moet worden beschouwd,
maar enige controleerbare en verifieerbare onderbouwing voor dit
standpunt ontbreekt.
Dat gedaagde zelf een verklaring van een onafhankelijke arts had moeten
inwinnen onderschrijft de Raad niet, nu in dit geval het bestaan van een
situatie als bedoeld in artikel 2.5.1.7, achtste lid, van de Regeling
niet aannemelijk is geworden. Hij heeft daarbij laten wegen dat de
onmogelijkheid van opname van [naam dochter] in een instelling
onvoldoende blijkt uit de gegevens van de behandelende sector, dat de
verklaring van de arts Binkhorst onvoldoende is onderbouwd en dat
appellant niet inhoudelijk is ingegaan op het aanbod van gedaagde ter
zitting van de rechtbank om mee te werken aan een second opinion
dienaangaande. Voorts heeft hij belang gehecht aan de brief van de
Indicatiecommissie lichamelijk gehandicapten Zeeland van 8 oktober 1998,
waaruit blijkt dat [naam dochter] een positief indicatieadvies heeft
gekregen voor opname in “De Tiende” te Goes en dat zij daarvoor op
de wachtlijst was geplaatst. De omstandigheid dat in het verslag van de
behandelaren van [naam dochter] van 3 oktober 2001 wordt gereleveerd dat
plaatsing op “De Tiende” wordt verhinderd door afwezigheid van
gekwalificeerde medewerkers die de beademing kunnen verzorgen, leidt de
Raad niet tot een ander oordeel. Daarmee is immers nog niet gegeven dat
in dit tekort niet had kunnen worden voorzien, dan wel dat opname van
[naam dochter] in een andere instelling niet mogelijk zou zijn geweest.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 30 november 2001 terecht ongegrond heeft verklaard, zodat de
aangevallen aanspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. R.M.
van Male en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W.
van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 april
2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|