|
Uitspraak
04/3444 AWBZ
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de onderlinge verzekeringsmaatschappij Univé Zorgverzekeraar U.A.,
gevestigd te Alkmaar, gedaagde.
1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft haar vader [naam vader] in de hoedanigheid van
bewindvoerder over het vermogen van appellante hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar
van 11 mei 2004, reg.nr. ZFW 03/1518 en ZFW 04/235.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is - gevoegd met het geding tussen het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn en appellant,
geregistreerd onder nummer 04/3765 WVG - behandeld ter zitting van de
Raad op 6 april 2005, waar [naam vader] is verschenen voor appellante en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. S.J. Lantinga en V. Jansen, beiden
werkzaam bij gedaagde. Tevens waren aanwezig drs. W.J.M. Peters namens
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn en mr.
J.D. van Vlastuin namens appellante in zaak 04/3765 WVG. Na de gevoegde
behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In de
onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
2. MOTIVERING
Appellante, geboren op 15 juli 1969, is verstandelijk en lichamelijk
gehandicapt; voorts is zij - ondermeer - autistiform en heeft zij
gedragsstoornissen.
Appellante beschikt reeds meerdere jaren over een persoonsgebonden
budget voor verstandelijk gehandicapten(PGB-VG). Het vanaf 1998
verstrekte budget ziet er als volgt uit (waarbij de letters D en F zien
op de aanduiding van het indicatievereiste en de romeinse cijfers op de
budgetcategorie):
1998 D + F VII € 49.598,17 (met toepassing van de hardheidsclausule)
1999 D + F VII € 49.598,17 (met toepassing van de hardheidsclausule)
2000 D + F VII € 51.231,78 (met toepassing van de hardheidsclausule)
2001 D + F VII € 52.820,01 (definitief toegekend: € 20.416,--)
2002 F V € 20.416,00
Daarnaast ontving zij in de jaren 2001 en volgende van
EsDéGé-Reigersdaal,
een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 8 van de AWBZ, op grond
van die wet zorg in natura in de “Rode Luifel” ten behoeve van haar
dagbesteding. Voor het jaar 2002 is appellante tevens een
persoonsgebonden budget voor verpleging en verzorging (PGB-VV) toegekend
van € 53.589,17.
Op 10 april 2002 heeft het RIO West-Friesland aan gedaagde advies
uitgebracht over de zorgbehoefte van appellante. In dit advies is
overwogen dat appellante in verband met haar verstandelijke en
lichamelijke handicaps en gedragsproblematiek is aangewezen op 24-uurs
aanwezigheid, begeleiding en dagbesteding, in verband waarmee
budgetcategorie VII voor een PGB-VG is geadviseerd. Tevens is
geadviseerd dit budget met toepassing van de hardheidsclausule aan te
vullen met de geïndiceerde uren verpleging en verzorging.
Op basis van dit RIO-advies heeft gedaagde ambtshalve aan appellante bij
besluit van 20 november 2002 voor het jaar 2003 een PGB-VG van €
21.278,-- toegekend op grond van de Regeling Subsidies AWBZ en
Ziekenfondswet (hierna: de Regeling). Dit bedrag is gebaseerd op een
indeling in budgetcategorie V. Daarnaast heeft gedaagde bij een
afzonderlijk besluit, eveneens op basis van de Regeling, een PGB-VV van
€ 55.865,45 toegekend.
Bij het besluit van 19 september 2003 is het bezwaar van appellante
tegen het besluit van 20 november 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter - met een
bepaling omtrent het griffierecht - het beroep, voor zover dat gericht
is tegen de omvang van het PGB-VG voor het jaar 2003, gegrond verklaard,
het besluit van 20 november 2002 vernietigd en bepaald dat de
rechtsgevolgen van het vernietigd besluit in stand blijven.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij ten onrechte is
ingedeeld in de budgetcategorie V, omdat door het RIO categorie VII is
geadviseerd en het daarbij in de visie van de vertegenwoordiger van
appellante niet uitmaakt of de dagbesteding al dan niet in natura wordt
genoten. Voorts is aangevoerd dat, in aanvulling op het overeenkomstig
categorie V toegekende bedrag van € 21.278,-- en naast het PGB-VV, met
toepassing van de hardheidsclausule een extra bedrag had moeten worden
toegekend in verband met de intensieve zorgvraag op gedragsgebied.
Verwezen is naar het
RIO-besluit nr. 06 van 9 december 2003 waarin ook voor de functie
begeleiding een indicatie is opgenomen. Ten slotte is van de zijde van
appellante het standpunt ingenomen dat geen korting in verband met de
dagbesteding in natura had mogen worden toegepast, omdat het eerst door
de definitieve toekenning van het PGB-VG over 2002 bij besluit van 14
augustus 2003 aan de vertegenwoordiger van appellante duidelijk is
geworden dat het in het besluit van 20 november 2002 toegekende bedrag
voor het PGB-VG in 2003 niet op een vergissing berustte.
Gedaagde heeft in hoger beroep benadrukt dat voor de jaren 2001 en
volgende de dagbesteding in natura is verstrekt, in verband waarmee deze
kosten op het PGB-VG in mindering behoren te worden gebracht. In 2001 is
dat per abuis niet geschied, zodat in dat jaar ten onrechte een budget
voor de dagbesteding is verstrekt. Weliswaar wordt in het RIO-advies van
10 april 2002 de budgetcategorie VII genoemd, maar omdat de dagbesteding
als verstrekking in natura ingevolge de AWBZ is verstrekt, blijft
budgetcategorie V over. Op grond van genoemd RIO-advies is besloten om
voor de benodigde extra zorg ter vervanging van de toepassing van de
hardheidsclausule een
PGB-VV toe te kennen.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de bepaling van de
voorzieningenrechter dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit
van 19 september 2003 in stand blijven. Dit besluit betreft de
toekenning van het PGB-VG voor het jaar 2003.
Ingevolge artikel 2.5.2.8 (in samenhang met artikel 2.5.2.9, tweede lid
onder a) van de Regeling, zoals die luidde ten tijde in geding, gold in
het jaar 2003 voor het toekennen van een PGB-VG voor de budgetcategorie
V (onder meer aan de orde, indien een volwassene is aangewezen op
verblijf en begeleiding gedurende meer dan 25 uur per week:
indicatiecategorie F) een budget van € 21.278-- en voor
budgetcategorie VII (aan de orde indien een volwassene naast de
indicatie F ook is aangewezen op begeleiding buitenshuis, die
voornamelijk overdag nodig is, gedurende meer dan 25 uur per week:
indicatiecategorie D) een budget van € 34.533,-- . Tussen partijen is
onbetwist dat appellante is geïndiceerd voor categorie D en F. Voorts
staat vast dat vanwege gedaagde in 2003 de geïndiceerde dagbesteding
(indicatie D) aan appellante in natura is verstrekt. Op grond hiervan
heeft gedaagde haar terecht ingedeeld in budgetcategorie V. Zou zij zijn
ingedeeld in budgetcategorie VII, zoals haar gemachtigde voorstaat, dan
zou aan haar de dagbesteding dubbel worden verstrekt, eenmaal in natura
en eenmaal in geld. Het door gedaagde toegekende bedrag stemt overeen
met het aan de budgetcategorie V verbonden bedrag.
Ingevolge artikel 2.5.2.9, vierde lid, van de Regeling kan het
zorgkantoor in gevallen van kennelijke hardheid aan de verzekerde die
wordt ingedeeld in de budgetcategorieën VII en VIII een hoger budget
toekennen dan voortvloeit uit de berekeningen volgens het tweede lid.
Aangezien appellante is ingedeeld in budgetcategorie V is gedaagde op
grond van deze bepaling niet bevoegd om in haar geval een hoger budget
toe te passen. Naar aanleiding van hetgeen namens appellante met
betrekking tot de extra benodigde zorg is gesteld, merkt de Raad nog op,
dat voor de voor appellante extra benodigde verzorging en verpleging en
de begeleiding daarbij een PGB-VV is toegekend en dat de extra zorg in
de vorm van begeleiding die volgens de gemachtigde van appellante nodig
is in verband met haar gedragsstoornissen, ten tijde in geding niet
onder het PGB-VG maar onder het pgb voor geestelijke gezondheidszorg
viel.
Het beroep op het ontbreken van tijdige bekendheid met de hoogte van het
toegekende budget faalt, omdat de vertegenwoordiger van appellante uit
het besluit van 20 november 2002, ontvangen op 28 januari 2003, tijdig
de omvang van het toegekende PGB-VG had kunnen begrijpen. Dat hij meende
dat dit bedrag op een vergissing berustte behoort voor zijn risico te
komen. Het had op zijn weg gelegen om daarover duidelijkheid te vragen
bij gedaagde. Niet gebleken is dat hij dit heeft gedaan of dat er van de
zijde van gedaagde een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en
ongeclausuleerde toezegging is gedaan die bij de vertegenwoordiger van
appellante de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat appellante
voor een hoger dan het toegekende budget in aanmerking zou komen.
De slotsom is dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten,
voor bevestiging in aanmerking komt.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|