|
Uitspraak
enkelvoudige kamer, 04/3313 AWBZ, 04/3395 AWBZ, 04/6129 AWBZ,
04/6131 AWBZ, 04/6138 AWBZ, 04/6139 AWBZ, 04/6879 AWBZ en 05/857 AWBZ
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de stichting Centrum indicatiestelling zorg, gevestigd te Nieuwegein,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2005 is, voor de gemeente Hof van Twente,
gedaagde in de plaats getreden van het Regionaal Indicatie Orgaan
Centraal Twente, gevestigd te Hengelo. In deze uitspraak wordt onder
gedaagde tevens verstaan het Regionaal Indicatie Orgaan Centraal Twente.
Namens appellant heeft mr. D. Greveling, werkzaam bij Greveling Rechtshulp
te Zwolle, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Almelo van 12 mei 2004, reg.nr. 03/1166 AWBZ (hierna: aangevallen
uitspraak 1), de uitspraak van de rechtbank Almelo van eveneens 12 mei
2004, reg.nr. 03/870 AWBZ (hierna: aangevallen uitspraak 2) en de
uitspraak van de rechtbank Almelo van 4 november 2004, reg.nr. 04/381
AWBZ (hierna: aangevallen uitspraak 3).
Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Op 21 december 2004 heeft de Raad partijen ingevolge artikel 8:44 van de
Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gehoord. Appellant heeft zich
laten vertegenwoordigen door mr. Greveling en gedaagde door P. de Bruin,
werkzaam bij gedaagde.
Vervolgens hebben partijen opnieuw nadere stukken ingezonden.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 18 mei 2005. Appellant is
verschenen, bijgestaan door mr. Greveling. Gedaagde heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. A.M.B. Haafkes-Waldorp, P. de Bruin en drs.
A.R. Zielhuis (arts), allen werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
1.1. Namens appellant heeft A. Brunner, werkzaam bij de GGD Regio
Twente, op 9 december 2002 een aanvraag ingediend om een indicatie voor
gespecialiseerde verzorging (thans: persoonlijke verzorging en/of
activerende begeleiding) ingevolge het bepaalde bij en krachtens de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ).
Bij brief van 11 november 2003 heeft mr. Greveling namens appellant
bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op die
aanvraag.
Bij brief van 31 december 2003 heeft mr. Greveling namens appellant
beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dat
bezwaar.
Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat de beslistermijn nog niet
was verstreken.
1.2. Namens appellant heeft mr. Greveling op 18 december 2002 een
aanvraag ingediend om een indicatie voor huishoudelijke verzorging
ingevolge het bepaalde bij en krachtens de AWBZ.
Bij besluit van 19 maart 2003 heeft gedaagde die aanvraag afgewezen op
de grond dat uit informatie van de GGD Regio Twente is gebleken dat
appellant niet de bereidheid heeft mee te werken aan noodzakelijke
veranderingen in zijn huishoudelijke omstandigheden.
Bij brief van 15 juli 2003 heeft mr. Greveling namens appellant bezwaar
gemaakt tegen dat besluit.
Bij brief van 29 september 2003 heeft mr. Greveling namens appellant
beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dat
bezwaar.
Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank dat beroep gegrond
verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van
een besluit op het bezwaar van 15 juli 2003 vernietigd, gedaagde
veroordeeld in de (op € 161,-- begrote) proceskosten van appellant en
bepaald dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht (€ 31,--)
dient te ver goeden.
1.3. Bij brief van 15 juli 2003 heeft mr. Greveling namens appellant
verzocht om een - aldus aangeduide - herindicatie.
Bij brief van 5 september 2003, aangevuld bij brief van 27 februari
2004, heeft gedaagde dat verzoek afgewezen.
Bij brief van 8 april 2004 heeft mr. Greveling namens appellant
daartegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 14 april 2004 heeft gedaagde dat bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Bij brief van 22 april 2004 heeft mr. Greveling namens appellant tegen
dat besluit beroep ingesteld.
Bij de aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond
verklaard.
2. Namens appellant heeft mr. Greveling zich in hoger beroep gemotiveerd
tegen de aangevallen uitspraken gekeerd (reg.nrs. 04/3395 AWBZ, 04/3313
AWBZ en 04/6879 AWBZ).
3.1. De Raad zal, gelet op de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb,
respectievelijk artikel 6:20 van de Awb, in verbinding met artikel 6:24
van de Awb, bij zijn beoordeling mede betrekken:
- het op 21 juni 2004 door mr. Greveling namens appellant bij de
rechtbank ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
op het bezwaar van 11 november 2003 (reg.nr. 04/6139 AWBZ);
- het op 24 juni 2004 door mr. Greveling namens appellant bij de
rechtbank ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
op het bezwaar van 15 juli 2003 (reg.nr. 04/6138 AWBZ);
- het besluit van gedaagde van 3 augustus 2004 waarbij het bezwaar van
11 november 2003 tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de
aanvraag van 9 december 2002 niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat de
aanvraag is ingetrokken, en gedaagde voorts heeft geweigerd de kosten
van de behandeling van dat bezwaar te vergoeden (hierna: nader besluit
1) (reg.nr. 04/6129 AWBZ);
- het besluit van gedaagde van eveneens 3 augustus 2004 waarbij het
bezwaar van 15 juli 2003 tegen het besluit van 19 maart 2003
niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat de aanvraag van 18
december 2002 onbevoegdelijk zou zijn gedaan, en waarbij gedaagde voorts
heeft geweigerd de kosten van de behandeling van dat bezwaar te
vergoeden (hierna: nader besluit 2) (reg.nr. 04/6131 AWBZ);
- het - naar aanleiding van het horen op 21 december 2004 genomen -
besluit van gedaagde van 28 december 2004 (hierna: nader besluit 3) (reg.nr.
05/857 AWBZ).
3.2. De Raad stelt bij zijn beoordeling voorop dat nader besluit 3 moet
worden aangemerkt als een (nader) besluit op bezwaar waarbij gedaagde
definitief heeft beslist omtrent de aanvragen van 9 december 2002 en 18
december 2002 en waarbij tevens alle eerdere besluiten (op bezwaar) zijn
ingetrokken. De Raad is er daarbij van uitgegaan dat gedaagde bij het -
eerste - besluit van 3 augustus 2004 niet alleen, expliciet, heeft
beslist op het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de
aanvraag van
9 december 2002 maar ook, impliciet, een - afwijzend - besluit op die
aanvraag heeft genomen. Voorts heeft de Raad in dit verband aangenomen
dat bij nader besluit 3 eveneens definitief - afwijzend - is beslist op
de verzoeken om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling
van de bezwaren van 15 juli 2003 en 11 november 2003.
4. Met betrekking tot de aangevallen uitspraken overweegt de Raad het
volgende.
4.1. Gelet op de totstandkoming van nader besluit 3 is geen sprake
(meer) van een procesbelang van appellant bij de hoger beroepen tegen de
aangevallen uitspraken, behoudens wat betreft de grief inzake de hoogte
van de proceskostenveroordeling in de aangevallen uitspraak 2 en de
grief dat de rechtbank ten onrechte niet is overgegaan tot vergoeding
van de kosten van de behandeling van het bezwaar van 8 april 2004 in de
aangevallen uitspraak 3.
4.2. In de procedure die heeft geleid tot de aangevallen uitspraak 2
heeft mr. Greveling namens appellant een beroepschrift ingediend en is
hij voorts verschenen ter zitting van de rechtbank van 21 april 2004.
Aldus is sprake van 2 punten. Volgens vaste rechtspraak wordt aan een
zaak betreffende een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
in beginsel gewichtsfactor 0,25 toegekend. Van bijzondere omstandigheden
om daarvan in dit geval af te wijken, is niet gebleken. Daarmee is
gegeven dat de proceskosten moeten worden begroot op 0,25 x 2 x €
322,-- = € 161,--, hetgeen de rechtbank ook heeft gedaan. Deze grief
slaagt derhalve niet. Dat de rechtbank in de overwegingen - abusievelijk
- heeft vermeld dat het om ¼ punt zou gaan, leidt niet tot een ander
oordeel.
4.3. Met betrekking tot de aangevallen uitspraak 3 stelt de Raad vast
dat in het bezwaarschrift van 8 april 2004 niet, althans niet
uitdrukkelijk, is verzocht om vergoeding van de kosten van de
behandeling van dat bezwaar. Nu een dergelijk verzoek ook anderszins
voorafgaand aan het nemen van het besluit op bezwaar van 14 april 2004
niet is gedaan, was gedaagde - gelet op artikel 7:15, derde lid, van de
Awb - niet gehouden daarbij ook een beslissing te nemen over de
vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar. Evenmin was
de rechtbank daarom gehouden met betrekking tot die kosten een
beslissing omtrent de toepassing van artikel 8:75 van de Awb in
verbinding met artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb te
geven. Ook deze grief slaagt derhalve niet.
4.4. Uit het in 4.1 tot en met 4.3 overwogene volgt:
- dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard;
- dat de aangevallen uitspraak 2 dient te worden bevestigd voorzover
deze betrekking heeft op de proceskostenveroordeling en dat het hoger
beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 voor het overige
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard;
- dat de aangevallen uitspraak 3 dient te worden bevestigd voorzover
daarbij met betrekking tot de kosten van de behandeling van het bezwaar
van 8 april 2004 geen toepassing is gegeven aan artikel 8:75 van de Awb
in verbinding met artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de
Awb, en dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 3 voor het
overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling van gedaagde in
de proceskosten van appellant en evenmin voor een bepaling dat gedaagde
het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
dient te vergoeden. Voor de goede orde merkt de Raad op dat het
voorgaande de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 gegeven
beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten uiteraard
onverlet laat.
5.1. Met de totstandkoming van nader besluit 3 is tevens gegeven dat
appellant geen procesbelang (meer) heeft bij de beroepen van 21 juni
2004 en 24 juni 2004 en evenmin bij de beroepen tegen de nadere
besluiten 1 en 2, zodat deze beroepen niet-ontvankelijk dienen te worden
verklaard.
5.2. Wel ziet de Raad aanleiding gedaagde ter zake van de beroepen van
21 juni 2004 en 24 juni 2004 te veroordelen in de proceskosten van
appellant, begroot op € 161,-- (2 punten voor de beroepschriften, gewichtsfactor 0,25, derhalve 0,25 x
2 x € 322,-- = € 161,--). De proceskosten in verband met het verschijnen ter
inlichtingencomparitie en ter zitting van de Raad, zal de Raad hierna
betrekken bij zijn overwegingen in onderdeel 6.10. Voorts ziet de Raad
aanleiding te bepalen dat gedaagde het door appellant ter zake van deze
beroepen betaalde griffierecht van in totaal € 74,-- (2 x € 37,--)
vergoedt.
6. Met betrekking tot nader besluit 3 overweegt de Raad het volgende.
6.1. Appellant heeft tegen nader besluit 3, kort weergegeven, het
volgende aangevoerd:
- de besluitvorming is onzorgvuldig geweest: ten onrechte is aan
appellant geen inzicht gegeven in de vragen die aan de huisarts zijn
gesteld en is het advies van de huisarts niet aan appellant
bekendgemaakt; voorts is nagelaten inlichtingen in te winnen bij de
behandelend specialisten;
- gelet op de beperkingen van appellant is ten onrechte voor
huishoudelijke verzorging klasse 2 (2 tot 3,9 uur per week) geïndiceerd
in plaats van klasse 3 (4 tot 6,9 uur per week);
- ten onrechte is de indicatie voor huishoudelijke verzorging gegeven
met ingang van de datum van nader besluit 3 (28 december 2004) in plaats
van met ingang van de datum van de aanvraag (18 december 2002);
- ten onrechte is voor persoonlijke verzorging geen indicatie verleend;
appellant maakt ook voor persoonlijke verzorging aanspraak op klasse 3,
en wel met ingang van de datum van de aanvraag (9 december 2002); ten
onrechte heeft gedaagde verwezen naar een voorliggende voorziening voor
persoonlijke verzorging;
- gedaagde heeft niet binnen de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6,
eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van
de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), op de aanvragen van 9
december 2002 en 18 december 2002 beslist; met verwijzing naar de uitspraak van de Raad
van 8 december 2004 (LJN AR7273) verzoekt appellant om gedaagde te
veroordelen tot vergoeding van door hem geleden immateriële schade;
- ten onrechte heeft gedaagde afwijzend beslist op het verzoek om
vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar
van 15 juli 2003;
- ten onrechte heeft gedaagde afwijzend beslist op het
verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van
het bezwaar van 11 november 2003.
6.2. De Raad is, met gedaagde, van oordeel dat de feitelijke gang van
zaken zoals blijkend uit het zich bij de gedingstukken bevindende
indicatierapport van 28 december 2004 en uit hetgeen partijen ter zitting van de Raad hebben
verklaard, geen aanleiding biedt voor de vaststelling dat de
besluitvorming onzorgvuldig is voorbereid. Appellant heeft - eerst - op
22 december 2004 aan gedaagde de op grond van artikel 7, derde lid, van
het Zorgindicatiebesluit vereiste toestemming verleend voor het opvragen
van de relevante medische gegevens. Op 23 december 2004 heeft drs.
Zielhuis appellant thuis bezocht en gedurende ongeveer 50 minuten met
hem gesproken. De bevindingen heeft hij eveneens op 23 december 2004
telefonisch besproken met de huisarts. Geen geschreven of ongeschreven
rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel legt op gedaagde de verplichting
om aan de betrokkene - vooraf - inzicht te geven in de vraagstelling aan
de huisarts en eventuele behandelend specialisten en evenmin om de
gestelde vragen en de beantwoording daarvan in het indicatierapport
afzonderlijk en uitdrukkelijk weer te geven. De Raad ziet voorts geen
aanleiding om aan te nemen dat in het contact tussen drs. Zielhuis en de
huisarts sprake is geweest van onduidelijkheden. Drs. Zielhuis heeft
verklaard dat aan de orde is geweest de relatie tussen appellant en zijn
huisarts. De huisarts heeft aangegeven op de hoogte te zijn van de
medische en sociale problematiek en de medische beperkingen van
appellant en niet bekend te zijn met psychische of psychosomatische
problematiek bij appellant. De huisarts heeft ook geen melding gemaakt
van bij appellant na het door hem in mei 2002 ondergane CVA opgetreden
TIA’s. Verder is nog aangevoerd dat ten onrechte is aangenomen dat
appellant niet onder specialistische behandeling is en dat appellant, op
advies van zijn longarts, bij een neuroloog loopt. De Raad kan aan deze,
eerst ter zitting betrokken en niet met namen en periodes
geconcretiseerde stelling, niet de door appellant gewenste betekenis
toekennen. Drs. Zielhuis heeft verklaard dat appellant bij gelegenheid
van het huisbezoek heeft aangegeven op dat moment niet onder
specialistische behandeling te zijn. De Raad heeft geen aanknopingspunt
gevonden voor het oordeel dat drs. Zielhuis op die verklaring niet mocht
afgaan, zodat er voor hem ook geen reden was om in het gesprek met de
huisarts hierop nader in te gaan.
6.3. Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat gedaagde mocht uitgaan
van de medische gegevens zoals die ten tijde van het nemen van nader
besluit 3 bekend waren. Niet is gebleken is dat bij appellant - zoals
gesteld - sprake is van betekenende stoornissen in het gezichtsvermogen,
stoornissen in de fijne motoriek, evenwichtsstoornissen, COPD,
incontinentie en allergieën. Er is daarom geen grond om aan te nemen
dat voor huishoudelijke verzorging in plaats van klasse 2, klasse 3 had
moeten worden geïndiceerd. Overigens heeft appellant bij het huisbezoek
zelf aangegeven dat het hem vooral te doen is om hulp voor schoonmaak-
en opruimwerkzaamheden. Daarvoor is klasse 2 toereikend.
6.4. Gelet op artikel 13, tweede lid, van het Zorgindicatiebesluit en de
toelichting daarbij dient - in het bijzonder vanwege het naturakarakter
van de te indiceren zorg - uitgangspunt te zijn dat een indicatiebesluit
in beginsel geen terugwerkende kracht heeft en dat, tenzij er redenen
zijn om een latere datum te kiezen, de indicatie wordt verleend met
ingang van de datum van het indicatiebesluit. De Raad wil niet
uitsluiten dat de bijzondere omstandigheden van het concrete geval
aanleiding kunnen geven om van dit uitgangspunt af te wijken. In het
geval van appellant is van dergelijke omstandigheden echter niet
gebleken.
6.5. Appellant heeft bij het huisbezoek aangegeven dat hij zelfstandig
is en geen belemmeringen ondervindt bij zijn persoonlijke verzorging,
behoudens bij het knippen van de nagels. In artikel 2, derde lid, van
het Besluit zorgaanspraken AWBZ is bepaald dat de verzekerde slechts
recht heeft op AWBZ-zorg voorzover hij daarop, gelet op zijn behoefte en
uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs is
aangewezen. Gedaagde heeft, onbetwist, vastgesteld dat appellant met
zijn wandelstok een afstand van 500-1000 meter lopend kan overbruggen en
zodoende het dorp kan bereiken (supermarkt, huisarts, apotheek en ook
pedicure/manicure). Gedaagde heeft derhalve op goede grond kunnen
aannemen dat appellant voor het knippen van de nagels niet is aangewezen
op persoonlijke verzorging. Ter zitting heeft gedaagde nog verduidelijkt
dat hij met het gebruik van de term voorliggende voorziening in nader
besluit 3 hierop het oog heeft gehad.
6.6. Met betrekking tot het beroep op schending van de redelijke termijn
stelt de Raad voorop dat, volgens vaste rechtspraak, in geval van een
“civil right and obligation” voor de vaststelling van de duur van de
termijn als datum van aanvang daarvan wordt genomen de datum waarop
bezwaar is gemaakt tegen het primaire besluit (of het uitblijven
daarvan). In dit geval is derhalve de termijn aangevangen op 11 november
2003 respectievelijk 15 juli 2003. De Raad stelt vervolgens vast dat de
termijn eindigt op de datum waarop deze uitspraak wordt gedaan. Reeds
gelet op het tijdsverloop tussen deze data, is van schending van de
redelijke termijn geen sprake. Het verzoek om veroordeling tot
schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Voor de goede orde merkt
de Raad nog op dat (de gemachtigde van) appellant er kennelijk aan
voorbijziet dat artikel 6 van het EVRM, voorzover hier van belang,
betrekking heeft op de toegang tot de rechter en geen zelfstandige
grondslag biedt voor het sanctioneren van (te) trage bestuurlijke
besluitvorming.
6.7. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 13 juni 2005 (LJN: AT7364)
overweegt de Raad dat artikel 7:15, tweede lid, van de Awb het mogelijk
maakt dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling
van het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit
redelijkerwijs heeft moeten maken, door het betrokken bestuursorgaan
worden vergoed, tenzij het niet tijdig nemen van een besluit het
bestuursorgaan niet kan worden verweten. De Raad stelt in dit geval vast
dat het - eerste - besluit van 3 augustus 2004 is genomen na het
verstrijken van de in artikel 12, eerste lid, van het
Zorgindicatiebesluit voorgeschreven beslistermijn van zes weken, en
voorts dat niet is gebleken dat zulks gedaagde niet kan worden verweten.
Bij nader besluit 3 is derhalve ten onrechte geweigerd de kosten te
vergoeden van de behandeling van het bezwaar van 11 november 2003 tegen
het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 9 december
2002. Omtrent de hoogte van de vergoeding overweegt de Raad dat deze
dient te worden vastgesteld op 0,25 x 1 punt (indienen bezwaarschrift) x € 322,-- = € 80,50.
6.8. Bij het - tweede - besluit van 3 augustus 2004 heeft gedaagde, na
de eerdere afwijzing bij het besluit van 19 maart 2003, alsnog
(gedeeltelijk) positief beslist op de aanvraag van 18 december 2002.
Gedaagde heeft daarmee in zoverre het besluit van 19 maart 2003 herroepen. Naar het oordeel van de Raad is in dit geval
echter niet voldaan aan het in artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin,
van de Awb neergelegde vereiste dat sprake is van aan gedaagde te wijten
onrechtmatigheid. De Raad acht daarvoor doorslaggevend dat uit de
gedingstukken blijkt dat appellant niet alleen onvoldoende blijk heeft
gegeven van de bereidheid mee te werken aan noodzakelijke veranderingen
in zijn huishoudelijke omstandigheden, maar vooral dat appellant - in
die fase van de (voorbereiding van de) besluitvorming door gedaagde -
onvoldoende medewerking heeft verleend aan het door gedaagde in te
stellen onderzoek naar zijn (medische) situatie. Derhalve is bij nader
besluit 3 terecht geweigerd de kosten te vergoeden van de behandeling
van het bezwaar van 15 juli 2003 tegen het besluit van 19 maart 2003.
6.9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen nader besluit 3
gegrond moet worden verklaard en dat nader besluit 3 - uitsluitend -
voorzover daarbij is geweigerd de kosten van de behandeling van het
bezwaar van 11 november 2003 tegen het niet tijdig nemen van een besluit
op de aanvraag van 9 december 2002 te vergoeden, wegens strijd met
artikel 7:15, tweede lid, van de Awb moet worden vernietigd. De Raad
zal, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met
artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb, gedaagde
veroordelen in de - hiervoor in onderdeel 6.7 reeds begrote - kosten die
appellant in verband met de behandeling van dat bezwaar redelijkerwijs
heeft moeten maken.
6.10. De Raad ziet voorts aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant met betrekking tot nader besluit 3. Die
kosten begroot de Raad op 1 x 2,5 punt (indienen beroepschrift,
verschijnen ter inlichtingencomparitie, verschijnen ter zitting) x €
322,-- = € 805,--. Ter zake van nader besluit 3 is geen griffierecht
geheven.
7. Tot slot merkt de Raad voor de goede orde nog op dat met deze
uitspraak vaststaat dat naar aanleiding van de aanvragen van 9 december
2002 en 18 december 2002 geen nadere besluitvorming door gedaagde
ingevolge het bepaalde bij en krachtens de AWBZ meer nodig is en dat
alle uit die aanvragen voortgevloeide bezwaar- en
(hoger)beroepsprocedures ingevolge het bepaalde bij en krachtens de
AWBZ, hiermee definitief zijn afgerond.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1
niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak 2 voorzover betrekking hebbende op de
veroordeling van gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep, en
verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 voor het
overige niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak 3 voorzover daarbij met betrekking
tot de kosten van de behandeling van het bezwaar van 8 april 2004 geen
toepassing is gegeven aan artikel 8:75 van de Awb in verbinding met
artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb, en verklaart het
hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 3 voor het overige
niet-ontvankelijk;
Verklaart de beroepen van 21 juni 2004 en 24 juni 2004
niet-ontvankelijk, veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant
tot een bedrag van € 161,-- en bepaalt dat gedaagde aan appellant het
in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 74,-- vergoedt;
Verklaart de beroepen tegen de nadere besluiten 1 en 2
niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen nader besluit 3 gegrond, vernietigt nader
besluit 3 voorzover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in
verband met de behandeling van het bezwaar tegen het niet tijdig nemen
van een besluit op de aanvraag van 9 december 2002 is afgewezen, wijst
het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af, en veroordeelt
gedaagde in de proceskosten tot een bedrag van € 885,50.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29
juni 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|