|
Uitspraak
05/23 AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Spanje), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Amsterdam van 2 december 2004, reg.nr. 03/4789 AWBZ.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 31 mei 2005, waar appellant niet
is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. G.
de Josselin, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en de
toepasselijke algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad naar
de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier, wat de feiten betreft, met
het volgende.
Bij besluit van 17 juni 2003 heeft gedaagde de premie voor vrijwillige
verzekering van appellant voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ) definitief berekend.
Bij brief van 4 augustus 2003 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar
gemaakt.
Gedaagde heeft appellant in de gelegenheid gesteld toe te lichten waarom
hij eerst na het verstrijken van de daarvoor geldende wettelijke termijn
van zes weken zijn bezwaarschrift heeft ingediend, welke toelichting
door appellant bij brief van 21 augustus 2003 is gegeven.
Bij besluit van 16 september 2003 heeft gedaagde het bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard wegens, niet-verschoonbare,
termijnoverschrijding.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit
besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. Hij heeft daartoe, evenals in bezwaar en in beroep, aangevoerd
dat hij wegens manische depressiviteit en daarmee samenhangende
concentratieproblemen niet in staat is geweest binnen de wettelijke
termijn een bezwaarschrift in te dienen.
De Raad stelt vast dat de gedingstukken geen toereikend aanknopingspunt
bieden voor de vaststelling dat appellant gedurende de zes weken van de
bezwaartermijn niet in staat zou zijn geweest een, al dan niet
voorlopig, bezwaarschrift in te dienen. Uit de door appellant ingezonden
psychiatrische rapportage van 8 augustus 1997 blijkt weliswaar dat
appellant soms - dat wil zeggen: incidenteel - depressieve perioden
heeft, maar dat enkele gegeven kan niet de conclusie dragen dat hiervan
gedurende de hier van belang zijnde termijn ook daadwerkelijk sprake
was.
Gelet hierop is de Raad met de rechtbank van oordeel dat gedaagde
redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de overschrijding van de
bezwaartermijn niet-verschoonbaar is, zodat gedaagde het bezwaar terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De aangevallen uitspraak komt gezien het voorgaande voor bevestiging in
aanmerking. De Raad komt dan ook, anders dan appellant met het hoger
beroep beoogde te bereiken, niet toe aan een inhoudelijke beoordeling
van het onderliggende geschil omtrent de AWBZ-premieberekening.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een vergoeding in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. W.I. Degeling als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) M. Pijper.
|
|