|
Uitspraak
04/5249 AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de stichting Centrum indicatiestelling zorg, gevestigd te Nieuwegein,
appellante,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2005 is, voor de gemeente Eindhoven, appellante
in de plaats getreden van de Stichting Regionaal Indicatie Orgaan
Eindhoven, gevestigd te Veldhoven. In deze uitspraak wordt onder
appellante tevens verstaan het Regionaal Indicatie Orgaan Eindhoven.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 augustus 2004, reg.nr. 04/848 AWBZ.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingezonden.
Namens appellante zijn desgevraagd nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 februari 2005 waar appellante
zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. W.J.M. Peters, juridisch adviseur bij de Stichting StimulanSZ te
Den Haag, en waar gedaagde in persoon is verschenen.
De Raad heeft het onderzoek heropend. Ter voortzetting van het onderzoek
heeft de Raad een aantal vragen aan appellante gesteld, die bij brief
van 24 maart 2005, aangevuld bij brieven van 30 maart en 24 april 2005,
zijn beantwoord.
Gedaagde heeft hierop schriftelijk gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een
nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft
gesloten.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende tussen
partijen niet in geschil zijnde feiten en omstandigheden.
Gedaagde, geboren in 1958, heeft sinds december 1975 een dwarslaesie
vanaf het niveau C3-C4, waardoor hij bijna volledig verlamd is en voor
nagenoeg alle dagelijkse levensverrichtingen aangewezen is op hulp. Hij
bewoont samen met zijn vriendin een Fokus-woning. Zijn vriendin is
werkzaam in de zorgverlening en heeft haar externe werktijd in een
aantal stappen teruggebracht tot 24 uur per week. Daarnaast levert zij
aan gedaagde gedurende 5 uur per week uit een persoonsgebonden budget (PGB)
betaalde verpleegkundige zorg. Gedaagde is buitenshuis actief, onder
meer in (bestuurs)functies bij maatschappelijke organisaties. Aan
gedaagde is tot 1 juli 2003 een budget PGB toegekend voor 9,5 uur
verpleging en 15 uur ondersteunende begeleiding per week.
Appellante heeft bij besluit van 1 juli 2003 bepaald dat gedaagde voor
de periode van 1 juli 2003 tot 1 juli 2004 geďndiceerd is voor 3 uur
(klasse 2) persoonlijke verzorging en 5,3 uur (klasse 3) verpleging per
week.
Gedaagde kan zich niet verenigen met dat besluit en heeft daartegen
bezwaar gemaakt.
Het College voor zorgverzekeringen heeft bij brief van 23 februari 2004
advies uitgebracht.
Appellante heeft het bezwaar van gedaagde bij besluit van 12 maart 2004
ongegrond verklaard.
Gedaagde heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Hij
kan zich er niet mee verenigen dat zijn aanvraag voor huishoudelijke
verzorging niet is gehonoreerd, dat het aantal uren voor verpleging is
verlaagd en dat geen indicatie is gegeven voor ondersteunende
begeleiding. Aangevoerd is dat bij de indicatiestelling is uitgegaan van
een zodanig omvangrijke mantelzorg door zijn vriendin dat deze
overbelast dreigt te raken. Om gedaagde te kunnen verzorgen heeft zij
haar werktijd teruggebracht tot 24 uur. Voorts acht gedaagde de aard, de
omvang en de tijdigheid van de in het kader van Fokus te ontvangen zorg
te rooskleurig ingeschat en de geďndiceerde uren voor door hem
aangegeven onderdelen van zorgfuncties te laag. Gedaagde heeft onder
meer gewezen op de verklaring van zijn huisarts dat met zijn
defaecatiezorg 70 tot 75 minuten per dag gemoeid is in plaats van de
door appellante aangehouden normtijd van 30 minuten. Hij stelt door het
wegvallen van 15 uur ondersteunende begeleiding te zullen vereenzamen
omdat hij alsdan zijn werk buitenshuis niet zal kunnen voortzetten. In
de gesprekken met hem zijn de aard en omvang van de verlangde
ondersteunende begeleiding niet aan de orde gesteld omdat appellante er
op voorhand van is uitgegaan dat hij daarvoor niet in aanmerking komt.
Naar zijn mening kan niet tot in het oneindige een beroep worden gedaan
op vrijwilligers voor het verlenen van ondersteunende begeleiding bij
zijn activiteiten buitenshuis en mag van medewerkers van bijvoorbeeld
gemeentelijke instellingen, woningbouwverenigingen en dergelijke, niet
worden verwacht dat zij hem in werktijd alle benodigde ondersteuning
bieden. Gedaagde is van mening dat het door appellante gevoerde beleid
ter zake van de indicatie voor ondersteunende begeleiding zich niet
verdraagt met artikel 6, eerste lid, van de AWBZ en artikel 6 van het
besluit zorgaanspraken AWBZ.
Appellante stelt zich - samengevat - op het standpunt dat voor de
functie huishoudelijke verzorging uitgangspunt is dat de leefeenheid
hiervoor zelf verantwoordelijk is. Indien één van de partners uitvalt,
wordt de andere in beginsel geacht alle huishoudelijke taken te kunnen
vervullen naast een fulltime functie buitenshuis. Dit gaat a fortiori op
wanneer 24 uur per week wordt gewerkt. Wat de functie persoonlijke
verzorging betreft is appellante van mening dat geen aanspraak kan
worden ontleend aan de AWBZ wanneer een beroep kan worden gedaan op een
voorliggende voorziening. Fokus is als zulk een voorziening aangemerkt
nu gedaagde daarop 24 uur per dag een beroep kan doen voor zijn
persoonlijke verzorging. Een aantal handelingen die voorheen ten titel
van verpleging voor indicatie in aanmerking kwamen, worden thans als
persoonlijke verzorging aangemerkt en behoren volgens appellante tot het
zorgpakket van Fokus. Het gaat daarbij om lichamelijke verzorging en
hulp bij beweging en houding, alsmede het tapoteren van de longen. Voor
persoonlijke verzorging bij activiteiten buitenshuis zijn 3 uren per
week geďndiceerd en voor verpleging 5,3 uren per week. Bij dit laatste
gaat het om het kloppen van de blaas en de dagelijks defaecatiezorg.
Voor ondersteunende begeleiding zijn - anders dan voorheen - geen uren
geďndiceerd op grond van het uitgangspunt dat indien de
maatschappelijke participatie van de gehandicapte niet wordt belemmerd
door beperkingen in zijn sociale redzaamheid (regelvermogen, regie,
leervermogen, communicatie of organisatievermogen), er geen aanspraak
bestaat op ondersteunende begeleiding, tenzij door ernstige fysieke
beperkingen vereenzaming of psychische decompensatie dreigt. Appellante
is van mening dat gedaagde voldoende zelfredzaam is en in staat moet
worden geacht om zelf vrijwilligers te activeren voor het verlenen van
ondersteunende begeleiding bij zijn activiteiten buitenshuis. Appellante
denkt daarbij aan zijn partner en aan vrijwilligers van de organisaties
waarvoor hij werkt.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 12 maart 2004 bij
uitspraak van 13 augustus 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd
en appellante opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde
te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Vastgesteld is dat
appellante ter zake van de zorgfunctie ondersteunende begeleiding geďndiceerd
heeft op grond van het beleid dat is neergelegd in het werkdocument
“De indicatiestelling voor ondersteunende begeleiding” van 30 juni
2003 van de Landelijke Vereniging van Indicatie Organen (hierna:
LVIO-werkdocument). Ter zake van huishoudelijke verzorging, persoonlijke
verzorging en ondersteunende begeleiding heeft zij vastgesteld dat
gedaagde is uitgegaan van de Indicatiecriteria voor Thuiszorg, opgesteld
door de regionale indicatieorganen in Zuidoost Noord-Brabant (hierna:
Thuiszorgcriteria). Zij heeft ter zake van deze criteria geoordeeld dat
appellante deze in redelijkheid heeft kunnen toepassen. Het
LVIO-werkdocument blijft naar haar oordeel binnen de wettelijke kaders.
Daarvan uitgaande is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellante
tekort is geschoten door de belastbaarheid van de partner van gedaagde
niet integraal in de beoordeling te betrekken, dat wil zeggen niet
alleen per zorgfunctie, maar ook gelet op het totale takenpakket van de
partner als mantelzorger in relatie tot de draaglast. Met betrekking tot
het tapoteren van gedaagdes longen is appellante naar haar oordeel
tekort geschoten door niet te onderzoeken of Fokus deze handelingen
adequaat kan verrichten. Wat de defaecatiezorg betreft heeft gedaagde
naar haar oordeel voldoende aannemelijk weten te maken, gelet op de
verklaring van de huisarts, dat de normtijd van 30 minuten per dag in
het geval van gedaagde niet toereikend is. Verder is de rechtbank van
oordeel dat appellante gelet op de door haar gehanteerde uitgangspunten
had moeten bezien in hoeverre gedaagde een beroep kan doen op externe
mantelzorg en in hoeverre zijn partner daarbij kan worden betrokken. Wat
de persoonlijke verzorging betreft heeft zij het standpunt van
appellante onderschreven.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de partner van gedaagde
(dreigende) overbelasting kan voorkomen door de functie verpleging, die
zij op basis van het toegekende PGB gedurende 5 uur per week vervult, te
laten vervullen door een derde. Op die manier komt tijd beschikbaar voor
het verlenen van mantelzorg. Met betrekking tot de voor defaecatiezorg
aangehouden normtijd van 30 minuten per dag is aangevoerd dat deze
gerechtvaardigd is. De daarvoor te verrichten handelingen volgen elkaar
niet direct op en in de tussenliggende tijd is er gelegenheid voor
andere activiteiten. De huisarts heeft niet aangegeven waarom in het
geval van gedaagde meer tijd nodig is. Wat het tapoteren van de longen
aangaat is er op gewezen dat deze behoren tot de eenvoudige
verpleegkundige assistentie. Fokus wordt verondersteld deze zorg te
kunnen bieden.
Gedaagde heeft aangevoerd dat zijn partner slechts 5 van de voorheen 9,5
geďndiceerde uren voor verpleging voor haar rekening heeft genomen
omdat daar de grens van haar belastbaarheid lag. Aan een integrale
beoordeling van de omvang van de door haar te bieden mantelzorg mag naar
zijn mening niet worden voorbijgegaan. Met betrekking tot de
defaecatiezorg wijst gedaagde erop dat het standpunt van de huisarts
berust op een ervaring van ruim 20 jaar en dat appellante haar standpunt
dat de normtijd juist is niet heeft onderbouwd. Op Fokus kan naar zijn
mening maar in beperkte mate een beroep worden gedaan, waarbij is
aangetekend dat de desbetreffende zorg in bepaalde gevallen niet tijdig
kan worden verleend.
De Raad overweegt het volgende.
Artikel 6, eerste lid, van de Algemene wet bijzondere ziektekosten
(AWBZ) bepaalt dat verzekerden aanspraak hebben op zorg ter voorkoming
van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling,
verpleging en verzorging. Onder deze zorg zijn begrepen voorzieningen
tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid, of
strekkende tot verbetering van levensomstandigheden, alsmede
maatschappelijke dienstverlening. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak
bestaat geregeld; daarbij kunnen met betrekking tot de inhoud en omvang
van de zorg beperkingen worden gesteld.
Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat slechts aanspraak op
zorg, als bedoeld in artikel 9a van die wet bestaat, indien en gedurende
de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de
verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud
en omvang op die zorg is aangewezen.
Artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat burgemeester en
wethouders erin voorzien dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners
een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of
een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen vormen van zorg.
Als vormen van zorg, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ,
zijn in artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ
(koninklijk besluit van 25 oktober 2002, Stb. 527) onder meer aangewezen
de in de artikelen 3 tot en met 6 van dat Besluit gedefinieerde
zorgfuncties huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging,
verpleging en ondersteunende begeleiding. Artikel 2, eerste lid, van het
Besluit zorgaanspraken AWBZ geeft geen aanspraak op deze vormen van zorg
voor zover deze kunnen worden bekostigd op grond van een andere
wettelijke regeling. Artikel 2, derde lid, van het Besluit
zorgaanspraken AWBZ bepaalt dat de aanspraak op zorg slechts bestaat
voor zover de verzekerde daarop, gelet op zijn behoefte en uit een
oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs is aangewezen.
Blijkens artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ omvat
ondersteunende begeleiding ondersteunende activiteiten in verband met
een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of
beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of
een psychosociaal probleem, gericht op bevordering of behoud van
zelfredzaamheid of bevordering van de integratie van de verzekerde in de
samenleving, te verlenen door een instelling.
Aan de nota van toelichting bij dit artikel ontleent de Raad het
volgende:
“Ondersteunende begeleiding neemt de aandoening, beperking of handicap
voor gegeven aan en bouwt daarop verder. De begeleiding gaat dus uit van
de (rest)mogelijkheden van de verzekerde. Bij ondersteunende begeleiding
gaat het om activiteiten die de verzekerde ondersteunen bij zijn
dagindeling en zijn participatie in de maatschappij bevorderen. Daarbij
kan gedacht worden aan het structureren van de dag, het geven van
praktische hulp, het in het kader van de doelstelling van de zorg
vergezellen van de verzekerde, het bieden van ondersteuning bij het
voeren van de regie over het leven en, met name als er sprake is van een
verstandelijke handicap, het bieden van een gezinsstructuur. De
ondersteunende begeleiding vindt onder andere plaats door middel van
ondersteunende of structurerende gesprekken en non-verbale communicatie,
het oefenen van dagelijkse vaardigheiden en het stimuleren van gedrag
dat al bij de verzekerde aanwezig is.”
De Raad stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting
vast dat appellante het in het LVIO-werkdocument neergelegde
uitgangspunt hanteert dat een verzekerde met een verstandelijke, fysieke
of zintuiglijke handicap geen aanspraak op ondersteunende begeleiding
heeft, wanneer hij over een adequaat regel- en organisatievermogen
beschikt. Indien hij in die zin voldoende zelfredzaam is wordt hij in
staat geacht, al dan niet met gebruikmaking van voorliggende
voorzieningen en mantelzorg, maatschappelijk te participeren. Slechts
onder omstandigheden (dreigend sociaal isolement) is het mogelijk dat er
wel aanspraak op ondersteunende begeleiding bestaat.
De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat artikel 6 van het
Besluit zorgaanspraken AWBZ geen ruimte biedt voor het hanteren van een
uitgangspunt dat de aanspraak op ondersteunende begeleiding verengt tot
gevallen waarin in onvoldoende mate zelfredzaamheid aanwezig is.
Hierdoor worden verstandelijk, fysiek of zintuiglijk gehandicapten, die
in veel gevallen voldoende zelfredzaam zijn, behoudens uitzonderingen,
categorisch buiten de aanspraak op ondersteunende begeleiding gehouden,
ook in de gevallen waarin ondersteunende begeleiding bijdraagt aan het
behoud van zelfredzaamheid of aan integratie van de verzekerde in de
samenleving. Noch in de tekst noch in de toelichting van dat Besluit is
voor zulk een uitgangspunt voldoende aanknopingspunt te vinden.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit, waarin dit uitgangspunt wel is
gehanteerd en toegepast, wegens strijd met de wet niet in stand kan
blijven en dat appellante een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde
zal moeten nemen met inachtneming van deze, ’s Raads, uitspraak.
Met het oog op het nemen van dat besluit overweegt de Raad dat
appellante aandacht zal dienen te schenken aan de omvang van de
integrale draaglast van de partner van gedaagde in relatie tot de omvang
van de in redelijkheid van haar te vergen mantelzorg en haar
draagkracht, waarbij niet op voorhand valt in te zien waarom uit de PGB betaalde verpleeguren ingeleverd zouden moeten worden om overbelasting
ten gevolge van uitbreiding van het aantal uren mantelzorg te voorkomen.
Tevens zal appellante - na op het geval toegespitst onderzoek en met
inachtneming van voormelde verklaring van de huisarts - gemotiveerd
moeten aangeven waarom de normtijd van 30 minuten per dag voor
defaecatiezorg in het voorliggende geval toereikend is. Wat de in het
kader van Fokus te verlenen zorg betreft is de Raad van oordeel dat deze
als een voorliggende voorziening (artikel 2, eerste lid, Besluit
zorgaanspraken AWBZ) aangemerkt moet worden. Appellante zal zich echter,
mede gelet op hetgeen van de zijde van gedaagde daarover naar voren is
gebracht, in het kader van de indicatiestelling moeten verdiepen in de
vraag in hoeverre de in geding zijnde zorgfuncties, uitgedrukt in uren,
in het kader van Fokus gewaarborgd zijn.
Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen
uitspraak, gedeeltelijk met verbetering van gronden, dient te worden
bevestigd.
De Raad acht termen aanwezig om appellante te veroordelen tot vergoeding
van de proceskosten in hoger beroep. Deze worden begroot op € 24,56
voor reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellante in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag
groot € 24,56;
Bepaalt dat van appellante een recht van € 414,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9
november 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|