|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/1360 AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
OWM Agis Zorgverzekeringen u.a., als rechtsopvolger van OWM ANOVA
Zorgverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Utrecht van 17 januari 2005, reg.nr. 03/2585.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft op dit verweerschrift schriftelijk gereageerd en nadere
stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 november 2005, waar appellant
- met bericht - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door C.C.J. Splint, werkzaam bij OWM Agis
Zorgverzekeringen u.a.
II. MOTIVERING
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde
feiten, de toepasselijke regelgeving en de standpunten van partijen in
eerste aanleg verwijst de Raad, mede gelet op de inhoud van de
gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met
het volgende.
Appellant is in verband met een dwarslaesie vanaf 19 maart 2001 tot 24
september 2001 opgenomen geweest in revalidatiecentrum Hoogstraat te
Utrecht. Gedurende dit verblijf is appellant op grond van artikel 14 van
het Bijdragebesluit zorg (hierna: Bijdragebesluit) de zogeheten lage
eigen bijdrage opgelegd.
Op 24 september 2001 is appellant overgeplaatst naar zorgcentrum
Rosendael en is bij hem een inkomensonderzoek verricht. Vervolgens is
appellant bij besluit van 24 januari 2002 meegedeeld dat hij ingevolge
artikel 4, aanhef en onder 1, van het Bijdragebesluit met ingang van 24
september 2001 een (hoge) eigen bijdrage is verschuldigd van € 399,49
per maand. Blijkens het bij dit besluit gevoegde berekeningsoverzicht
heeft gedaagde bij de vaststelling van die eigen bijdrage een bedrag van
€ 4.481,68 aan revalidatiekosten op het bijdrageplichtig inkomen in
mindering gebracht.
Bij besluit van 3 maart 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 24 januari 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 3 maart 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Hiertoe heeft
appellant ook in hoger beroep onder meer aangevoerd dat bij de
vaststelling van de hoge eigen bijdrage ten onrechte geen rekening is
gehouden met kosten die appellant heeft gemaakt teneinde zijn terugkeer
naar zelfstandig wonen mogelijk te maken.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gelet op de in het Bijdragebesluit opgenomen bepalingen ter zake van de
vaststelling van de eigen bijdrage, en met name op het bepaalde in
artikel 10, eerste en tweede lid, van het Bijdragebesluit waarin is
omschreven welke kosten in verband met terugkeer naar de maatschappij na
verblijf in de instelling of het verzorgingshuis op de inkomsten in
mindering worden gebracht, onderschrijft de Raad de in de aangevallen
uitspraak neergelegde beslissing van de rechtbank. Daaraan voegt de Raad
toe dat, zoals de Raad reeds in zijn uitspraak van 16 april 1999 (LJN
AA8592) heeft overwogen, in het Bijdragebesluit een strak omlijnde en
uitputtende regeling is gegeven, niet alleen met betrekking tot wat
onder het bijdrageplichtig inkomen valt, maar ook met betrekking tot wat
daarvan is uitgezonderd dan wel wordt toegestaan als aftrekpost. Nu de
door appellant gemaakte kosten ter zake van de aanschaf van zijn nieuwe
woning en de inrichting daarvan niet als aftrekpost in artikel 10 of in
een van de overige bepalingen van het Bijdragebesluit is opgenomen heeft
gedaagde, mede gelet op het feit dat in het Bijdragebesluit een
hardheidclausule ontbreekt, die kosten terecht niet op het
bijdrageplichtig inkomen van appellant in mindering gebracht.
De Raad is voorts niet gebleken dat gedaagde de hoogte van de opgelegde
hoge eigen bijdrage op onjuiste wijze heeft berekend.
In hetgeen overigens door appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen
grond om tot een ander oordeel te komen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Ter zake van de voor appellant ontstane achterstand in de betaling van
de door hem verschuldigde hoge eigen bijdrage merkt de Raad overigens op
dat gedaagde zich ter zitting - desgevraagd - bereid heeft verklaard om
de aflossingsperiode van die schuld te verruimen van drie naar zeven
jaar.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft, in tegenwoordigheid van S.M.A.
School als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 december
2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) S.M.A. School.
|
|