|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/495
AWBZ
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Spanje) (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2003,
01/4444 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 20 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellante te kennen
gegeven naar haar mening belang te hebben bij voortzetting van de
procedure.
Het geding is voor de eerste maal behandeld ter zitting van 21 juni
2006. Namens appellante is daar verschenen mr. W.J.M. van Tongeren. De
Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A.J. Mastenbroek.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest. In verband hiermee heeft de Raad
besloten het onderzoek te heropenen.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 17 november 2006.
Appellante is daar niet verschenen. De Svb heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. A.H. Gersie.
II. OVERWEGINGEN
Appellante woont sinds 1986 met haar echtgenoot in Spanje. Haar
echtgenoot ontving toen een invaliditeitspensioen ingevolge de Algemene
burgerlijke pensioenwet (Abpw) op basis van een arbeidsongeschiktheid
van 80 tot 100% en was op grond hiervan verzekerd krachtens de
volksverzekeringswetten. Appellante ontving zelf bij vertrek geen
uitkering ingevolge de Nederlandse wetgeving. Sinds februari 1997
ontvangt appellante een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet (AOW).
Bij formulier gedateerd 29 mei 2001 heeft appellante de Svb verzocht om
toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering ingevolge de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
Bij primair besluit van 11 juli 2001 heeft de Svb het verzoek van
appellante afgewezen onder de overweging dat appellante op 31 december
1999 niet verplicht verzekerd was krachtens de AWBZ. Bij het bestreden
besluit van 8 november 2001 heeft de Svb het primaire besluit
gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard
voorzover dit is gericht tegen artikel 32a van de AWBZ. Voor het overige
heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij door het besluit van de
Svb wordt gedwongen terug te keren naar Nederland en langdurig
gescheiden van haar echtgenoot te leven. Zij heeft een beroep gedaan op
het recht op een ongestoord gezinsleven als verwoord in artikel 8 van
het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154 (hierna: EVRM). Naar het oordeel
van appellante wordt een onrechtmatig onderscheid gemaakt tussen
verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) en personen die
particulier verzekerd zijn tegen ziektekosten. Ten slotte zou aan het
echtpaar bij vertrek uit Nederland niet duidelijk zijn gemaakt dat
appellante niet langer verzekerd zou zijn.
De Svb blijft bij haar oordeel dat appellante niet voldoet aan de
voorwaarden welke in artikel 32a van de AWBZ worden gesteld voor het
ontstaan van een bevoegdheid tot vrijwillige verzekering ingevolge de
AWBZ.
De Raad overweegt als volgt.
De mogelijkheid tot vrijwillige verzekering ingevolge de AWBZ betreft
tijdvakken vanaf 1 januari 2000 en is in het leven geroepen bij artikel
32a van de AWBZ. Deze bepaling is van kracht gebleven tot 1 januari
2006. Ten aanzien van tijdvakken vanaf 1 januari 2006 bestaat niet
langer een mogelijkheid tot vrijwillige verzekering. De onderhavige
procedure betreft dus de bevoegdheid tot vrijwillige verzekering van
appellante over het reeds verstreken tijdvak 1 januari 2000 tot 1
januari 2006. Nu appellante te kennen heeft gegeven belang te hechten
aan voortzetting van de onderhavige procedure en nu enig belang met het
oog op de toepassing van supranationale coördinatieregels niet volledig
kan worden uitgesloten, acht de Raad geen termen aanwezig om het hoger
beroep van appellante niet-ontvankelijk te verklaren.
Ingevolge artikel 32a, eerste en tweede lid, van de AWBZ kan degene
wiens verzekering ingevolge de AWBZ is geëindigd, onder voorwaarden de
AWBZ-verzekering vrijwillig voortzetten indien hij buiten Nederland
woont en onmiddellijk voorafgaande aan de ingangsdatum van de
vrijwillige verzekering ten minste een jaar onafgebroken verzekerd is
geweest ingevolge de AWBZ.
Naar het oordeel van de Raad is appellante gedurende het jaar direct
voorafgaande aan de beoogde ingangsdatum van de vrijwillige verzekering
(1 januari 2000) niet verzekerd geweest ingevolge de AWBZ. Appellante
ontvangt sinds 1 februari 1997 een AOW-pensioen. Op grond van het toen
nog van kracht zijnde artikel 26, tweede lid, van het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 24
december 1998, Stb. 746 (KB 746) leidde de ontvangst van een
AOW-pensioen slechts tot verzekering krachtens de volksverzekeringen
indien dat recht aansloot op de verplichte verzekering op grond van de
volksverzekeringen dan wel op de vrijwillige verzekering krachtens de
AOW/Anw.
In het geval van appellante was van verzekering direct voor 1 februari
1997 geen sprake nu zij niet in Nederland woonde of werkte en ook niet
op grond van enige bepaling in KB 746 verplicht verzekerd was. Bovendien
was appellante direct voorafgaand aan 1 februari 1997 niet vrijwillig verzekerd ingevolge de AOW/AWW.
Appellante is daarom toen zij het AOW-pensioen ging ontvangen niet gaan
behoren tot de kring van verzekerden krachtens de volksverzekeringen.
Gelet hierop voldoet appellante niet aan de voorwaarden die in artikel
32a van de AWBZ werden gesteld voor het ontstaan van een bevoegdheid tot
vrijwillige verzekering ingevolge de AWBZ.
Met betrekking tot de grief van appellante dat het feit dat zij zich tot
1 januari 2006 niet vrijwillig kon verzekeren ingevolge de AWBZ afbreuk
heeft gedaan aan haar aanspraken op grond van artikel 8 van het EVRM,
oordeelt de Raad dat is gesteld noch gebleken dat de gewraakte regeling
appellante daadwerkelijk heeft beperkt in de beleving van haar
gezinsleven, nu er gedurende de gehele litigieuze periode sprake is
geweest van een daadwerkelijk gezinsleven tussen appellante en haar
echtgenoot. Deze grief dient reeds om die reden te worden verworpen.
Voorzover appellante heeft willen stellen dat artikel 32a van de AWBZ
een ongeoorloofd onderscheid maakte tussen verzekerden ingevolge de Zfw
en personen die particulier verzekerd zijn tegen ziektekosten, verwerpt
de Raad deze grief. Alle personen die niet verplicht verzekerd zijn
ingevolge de AWBZ en die voldeden aan de voorwaarden gesteld in artikel
32a van de AWBZ waren immers bevoegd tot vrijwillige verzekering
ingevolge de AWBZ. In deze bepaling werd geen onderscheid gemaakt tussen
verzekerden ingevolge de Zfw en particulier verzekerden. Voorzover
appellante heeft bedoeld te stellen dat de bepalingen inzake de
verplichte verzekering krachtens de AWBZ een ongeoorloofd onderscheid
bevatten tussen particulier verzekerden en verzekerden ingevolge de Zfw,
merkt de Raad op dat hij zich over deze stelling in dit geding niet kan
uitlaten. Bij het bestreden besluit is immers slechts vastgesteld dat
appellante niet bevoegd was zich vrijwillig te verzekeren. Appellante
zou, zo zij verplicht verzekerd was geweest ingevolge de AWBZ, evenmin
de bevoegdheid tot vrijwillige verzekering krachtens deze wet hebben
gehad.
Appellante heeft ten slotte gesteld dat niemand haar of haar echtgenoot
voorafgaand aan het vertrek heeft geattendeerd op het feit dat zij niet
langer verzekerd zou blijven ingevolge de AWBZ. In verband hiermee heeft
zij een brief overgelegd van het hoofd van de afdeling
pensioengerechtigden van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP)
waarin aan de echtgenoot van appellante is medegedeeld dat op hem na
vertrek naar Spanje in principe de volksverzekering AOW/AWW van
toepassing blijft. In deze brief, die van een ander bestuursorgaan dan
de Svb afkomstig is, wordt niets gesteld over de verzekeringspositie van
appellante na vertrek krachtens enige volksverzekeringswet. Dat
appellante deze brief aldus heeft opgevat dat zij ook zelf verzekerd zou
blijven, dient voor haar risico te blijven. Nu ook overigens niet is
gebleken van aantoonbare en onvoorwaardelijke toezeggingen door een
bevoegd bestuursorgaan die voor appellante gedragsbepalend zijn geweest
en tot onomkeerbare stappen hebben geleid, is er geen sprake van zo
bijzondere omstandigheden dat strikte naleving van de wettelijke
bepalingen door de Svb geen rechtsplicht meer kan zijn. Eventuele
verwachtingen bij appellante kunnen dan ook niet leiden tot het oordeel
dat de Svb appellante in strijd met artikel 32a van de AWBZ tot de
vrijwillige verzekering ingevolge die wet had moeten toelaten.
Gelet op het vorenstaande kan het hoger beroep van appellante geen doel
treffen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van één der
partijen in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L.
de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 januari
2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van
verzekerden.
|
|