|
Uitspraak
97/10826
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
X B.V., gevestigd te Y, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen,
Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift d.d. 4 december 1997 aangegeven gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen
van een door de Arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening 19
september 1997 gegeven uitspraak waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft op 28 april 1998 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 oktober
1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.A.J.
Berkers, werkzaam bij Gak Nederland B.V. Gedaagde is verschenen bij H.J.M.
van Riel, werkzaam bij Paardekoper & Hoffman Belastingadviseurs te
Rotterdam.
II. MOTIVERING
Voor de werknemers van gedaagde bestond de mogelijkheid deel te nemen
aan een spaarfonds. In het bedrijfsreglement van gedaagde was daartoe de
volgende bepaling opgenomen:
"Bovendien zijn alle werknemers gerechtigd te sparen in het zgn.
spaarfonds. Het spaartegoed is niet aan een maximum gebonden. Opnamen
uit het spaarfonds vinden plaats door middel van een cheque of door
overschrijving op uw bankgirorekening.
De rente wordt per week berekend en op 30 juni en 31 december aan het spaarsaldo toegevoegd.
De in het spaarfonds ingelegde gelden zijn niet verzekerd. In geval van
faillissement hebben inleggers de rechtspositie van concurrente crediteur."
Gedaagde vergoedde, ten tijde hier van belang een rente van 8% over de
door de werknemers geleende bedragen. Gedaagde gebruikte de geleende
gelden voor haar bedrijfsfinanciering.
Appellant stelt zich op het standpunt dat een rentepercentage van 8%,
afgezet tegen de destijds geldende marktrente, bovenmatig is en heeft
daaraan de gevolgtrekking verbonden dat de werknemers een voordeel/loon
uit dienstbetrekking genieten, dat ingevolge artikel 4, eerste lid, van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering tot het premieplichtig loon dient
worden gerekend. Appellant heeft dit (rente)voordeel schattenderwijs op
2% bepaald.
Gedaagde is van oordeel dat het hier uitsluitend gaat om een geldlening
tussen een debiteur en een crediteur, die niet zijn grond vindt in de
dienstbetrekking. Het voordeel van de hogere rente komt voort uit de
geldlening en niet uit de dienstbetrekking. Gedaagde wijst er bovendien
op dat het risicodragende leningen zijn, zodat een hogere
rentevergoeding ook gerechtvaardigd is.
De Raad is, anders dan gedaagde en de rechtbank, van oordeel dat het
door de werknemers genoten voordeel wel uit dienstbetrekking wordt
genoten.
Ingevolge het bedrijfsreglement staat deelname aan het spaarfonds open
voor "alle werknemers". De hoedanigheid van werknemer van
gedaagde is derhalve een voorwaarde om deel te kunnen nemen aan de
gunstige spaarregeling. Reeds daarmee is gegeven dat hetgeen werknemers
van gedaagde aan rentevergoeding ontvangen, uit hoofde van hun
dienstbetrekking wordt genoten. Gedaagde heeft wel gesteld dat ook
ex-werknemers aan de regeling kunnen deelnemen, doch die omstandigheid
doet niet af aan het - in ieder geval door de in dienst zijnde
werknemers - "uit dienstbetrekking genoten zijn".
De Raad is voorts van oordeel dat de vanwege gedaagde gestelde
omstandigheid dat de deelnemers aan het spaarfonds enig risico liepen
geen houvast biedt voor de opvatting dat appellant is uitgegaan van een
onjuist vastgesteld rentevoordeel, daar niet aannemelijk is geworden dat het risico van deelname aan het spaarfonds de risico's die zijn
verbonden aan andere, meer gebruikelijke, spaarvormen, duidelijk te
boven ging.
Tenslotte ziet de Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Mitsdien dient als volgt te worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover in hoger beroep
aangevochten;
Verklaart gedaagdes inleidend beroep in zoverre alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Berends als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 november
1998.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Berends.
|
|