|
Uitspraak
99/3918
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het
onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 18 juni 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen een correctienota van 21 januari 1997 en het besluit van 28 november 1996, waarbij de bezwaren
van appellant tegen het besluit van 30 september 1994 tot vaststelling van het loon in de jaren 1989 tot en
met 1992 waarover hij alsnog premies ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten is verschuldigd, ongegrond zijn verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 7 juni
1999 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd, appellant alsnog niet-ontvankelijk
verklaard in zijn bezwaren van 27 januari 1997, gedaagde veroordeeld in
de proceskosten van appellant en bepaald dat gedaagde het door appellant
gestorte griffierecht vergoedt.
Namens appellant is mr. A.F.J.M. Mulders, advocaat te Echt, op bij
aanvullend beroepschrift van 18 oktober 1999 aangevoerde gronden van die
uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 24 januari 2000, ingediend.
Daarbij is de Raad verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juni
2001, waar appellant, zoals aangekondigd, niet is verschenen en waar
voor gedaagde is verschenen mr. H.C.F. Bollen, werkzaam bij GUO
Uitvoeringsinstelling B.V.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 30 september 1994 heeft gedaagde naar aanleiding van een
door de Belastingdienst bij appellant gehouden boekenonderzoek
vastgesteld dat appellant in de jaren 1989 tot en met 1992 meer loon
heeft uitbetaald dan hij in zijn loonadministratie had verantwoord.
Hierbij heeft gedaagde aangegeven over welke bedragen (hierna:
SV-lonen) hij alsnog premies ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten dient af te dragen.
Tegen dit besluit is namens appellant een bezwaarschrift ingediend. Bij
besluit van 28 november 1996 heeft gedaagde hierop beslist. Uit de
bewoordingen waarin dit besluit is gesteld, leidt de Raad af dat hierbij
vijf bezwaren van appellant ongegrond zijn verklaard, doch het bezwaar
tegen de hoogte van de vastgestelde SV-lonen gegrond is verklaard, in
zoverre dat er forse bijstellingen ten gunste van appellant dienen
plaats te vinden.
Tegen het besluit van 28 november 1996 heeft appellant geen beroep
ingesteld.
Bij brief van 6 januari 1997 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld
van de SV-lonen over de jaren 1989 tot en met 1992 waarover hij alsnog
premies is verschuldigd.
De verschuldigde bedragen aan premies zijn vervolgens neergelegd in een
nota van 21 januari 1997.
Tegen de vaststelling van de SV-lonen, vervat in de brief van 6 januari
1997, en de nota van 21 januari 1997 zijn namens appellant op 27 januari
1997 bezwaarschriften ingediend.
Bij het thans bestreden besluit heeft gedaagde de bezwaren van appellant
van 27 januari 1997 gericht tegen de nota van 21 januari 1997 alsmede het besluit van 28 november 1996 ongegrond
verklaard.
In eerste aanleg is er van de zijde van gedaagde op gewezen dat dit
besluit een kennelijke misslag bevat, in die zin dat voor het besluit
van 28 november 1996 dient te worden gelezen de brief van 6 januari
1997.
De rechtbank heeft gedaagde hierin niet gevolgd. Naar het oordeel van de
rechtbank heeft bij dit besluit niet alleen een heroverweging
plaatsgevonden van het gestelde in de brief van 6 januari 1997 en de
nota van 21 januari 1997, maar tevens van het besluit van 28 november
1996. Nu tegen dit besluit geen bezwaarschrift kon worden ingediend en
overigens ook niet is ingediend, heeft de rechtbank bij de aangevallen
uitspraak geoordeeld dat het bestreden besluit dient te worden
vernietigd omdat gedaagde niet bevoegd was het besluit van 28 november
1996 op basis van de bezwaarschriften van 27 januari 1997 te
heroverwegen.
Vervolgens heeft de rechtbank zich gebogen over de vraag of de brief van
7 januari 1997 en de nota van 21 januari 1997 kunnen worden aangemerkt
als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). Deze vraag heeft de rechtbank ontkennend
beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 6 januari
1997 slechts een specificatie van het besluit van 28 november 1996 en de
nota van 21 januari 1997 slechts een factuur voortvloeiende uit dat
besluit. De brief en de nota roepen geen zelfstandige rechtsgevolgen in
het leven welke niet reeds door het besluit van 28 november 1996 in het
leven waren geroepen. Op grond hiervan heeft de rechtbank bij de
aangevallen uitspraak onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van
de Awb appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaren van
27 januari 1997.
In hoger beroep dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank
terecht de brief van 6 januari 1997 en de nota van 21 januari 1997 niet heeft aangemerkt als voor bezwaar vatbare
besluiten.
Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend en overweegt daartoe het
volgende.
Allereerst merkt de Raad op dat hij het niet aanvaardbaar acht dat bij
een op bezwaarschrift genomen besluit, voorzover daarbij de bezwaren
geheel of gedeeltelijk gegrond zijn verklaard, belanghebbende(n) in het
ongewisse wordt of worden gelaten omtrent de betekenis van die
gegrondverklaring voor het besluit waartegen het bezwaarschrift was
gericht. In dit geval heeft gedaagde verzuimd bij zijn besluit van 28
november 1996 aan te geven in hoeverre de bij besluit van 30 september 1994 vastgestelde SV-lonen in neerwaartse zin worden
aangepast. Het slechts vermelden van forse bijstellingen kan niet worden
aangemerkt als een adequate reactie op het bezwaarschrift. Nu evenwel
het besluit van 28 november 1996 niet in geschil is en ook niet in geschil kan zijn, kan
de Raad aan het hier overwogene met betrekking tot dit besluit zelf geen
gevolgtrekkingen verbinden.
Wel volgt hieruit dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, aan de
vaststelling van de SV-lonen over de jaren 1989 tot en met 1992, vervat
in de brief van 6 januari 1997, wel zelfstandige betekenis toekomt. Deze
vaststelling was immers nog niet gegeven bij het besluit van 28 november
1996. De vaststelling van de bedragen waarover (alsnog) premies dienen
te worden afgedragen, is gelet op deze premieplicht een besluit in de
zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Ook moet de nota van 21
januari 1997 worden aangemerkt als een besluit in deze zin en wel voor
wat betreft de hoogte van de verschuldigde premies; niet voor wat
betreft de daarbij vermelde SV-lonen, nu deze lonen zijn vastgesteld bij
het besluit van 6 januari 1997.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak op onderdelen
niet in stand kan worden gelaten.
De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 26,
eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet.
De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op f 710,-- voor verleende
rechtsbijstand.
De Raad stelt tot slot vast vast dat het door appellant in hoger beroep
gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het bestreden
besluit is vernietigd met betrekking tot de besluiten van 6 januari 1997
en 21 januari 1997, en voorzover daarbij appellant alsnog
niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaren tegen deze besluiten;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Wijst het geding ter verdere behandeling terug naar de rechtbank te
Roermond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag groot f 710,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 170,--
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.H.
Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2001.
(get.) B.J.
van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
|
|