|
Uitspraak
99/3694
CSV en 99/4182 CSV
U I T S P R A A K
in het gedingen tussen:
[X.] B.V., gevestigd te [Y.], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellante is mr. E. Kind, werkzaam bij Aegon N.V. te
's-Gravenhage, als gemachtigde van appellante, op bij aanvullend
beroepschrift (met bijlagen) van 24 september 1999 aangegeven gronden
bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de
Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch onder dagtekening 19 mei
1999 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Door gedaagde is bij schrijven van 12 november 1999 van verweer gediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13
september 2001, waar voor appellante als gemachtigden zijn verschenen
drs. W.P.A.L. Jansen, financieel directeur van Meeus Holding B.V. en mr.
A.J.W. van Mook, werkzaam bij Aegon N.V., terwijl gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door mr. W.M.G. van Nieuwburg-Timmermans,
werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
In hoger beroep is primair in geschil of de door appellante, als
assurantietussenpersoon, aan haar werknemers verstrekte zogenoemde
personeelskortingen op via haar afgesloten verzekeringen door gedaagde
terecht en op goede gronden tot het premieloon voor de sociale
werknemersverzekeringen zijn gerekend en, of bij een bevestigende
beantwoording van die vraag, gedaagde het vertrouwenbeginsel heeft
geschonden door tot premieheffing over te gaan.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de eerste vraag
bevestigend beantwoord en de tweede ontkennend en daartoe als volgt
overwogen, waarbij appellante is aangeduid als eiseres en gedaagde als
verweerder.
"Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Coördinatiewet sociale
verzekering (CSV) is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt
genoten.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de CSV dient niet in geld genoten
loon in aanmerking te worden genomen naar de waarde welke daaraan in het
economische verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat voor
zover de verwerving van het loon het gebruik of verbruik daarvan
meebrengt, de waarde wordt gesteld op ten hoogste het bedrag van de
besparing. Ingevolge artikel 8, tweede lid, kunnen hieromtrent bij
ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.
Dergelijke nadere regels zijn gesteld bij resolutie d.d. 14 mei 1986 van
de Staatssecretaris van Financiën (Rolno. 286-7275). De Sociale
Verzekeringsraad (SVR) heeft bij circulaire van 27 november 1986 (nr.
892) die nadere regels ook als uitgangspunt genomen voor de
premieheffing in het kader van de sociale verzekeringswetten.
Zowel in de resolutie als in de circulaire is bepaald dat indien aan
werknemer producten uit het bedrijf van de werkgever worden verstrekt
tegen een eigen bijdrage in geld, er onder voorwaarden van uit kan
worden gegaan dat door de werknemers geen tot het loon behorend voordeel
wordt genoten.
Deze voorwaarden zijn;
- de producten zijn voor de werkgever niet branchevreemd;
- de hoeveelheid ervan gaat niet uit boven hetgeen in een gezin als dat
van de werknemer pleegt te worden geconsumeerd;
- de bijdrage van de werknemer is ten minste gelijk aan de integrale
kostprijs voor de werkgever.
In het onderhavige geval verstrekt eiseres korting op de door haar
personeel via haar als tussenpersoon afgesloten verzekeringen. De
werknemers worden gewoon belast voor de volledige premies die door de
verzekeraars in rekening worden gebracht. De door de verzekeraar aan
eiseres als tussenpersoon uitbetaalde provisie wordt vervolgens door
eiseres contant aan het betreffende personeelslid uitbetaald.
De rechtbank volgt verweerder in het oordeel dat de aangeboden
verzekeringen niet kunnen worden gezien als product uit het bedrijf van
de werkgever, in de zin van voormelde beleidsregels. De rechtbank acht
hierbij in navolging van verweerder van belang dat de
verzekeringsovereenkomsten niet worden gesloten tussen eiseres en haar
werknemers, maar tussen de verzekeringsmaatschappij(en) en de werknemers
van eiseres. Het feit dat eiseres bij de totstandkoming van deze
verzekeringsovereenkomsten bemiddelt en daar provisie voor ontvangst
bewerkstelligt niet dat de niet door haar verstrekte verzekeringen
zouden moeten worden aangemerkt als wel door haar te zijn verstrekt. De
rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de Hoge Raad
van 8 februari 1995, gepubliceerd in BNB 1995/93, waarin op
vergelijkbare wijze is geoordeeld. De door eiseres gemaakte vergelijking
met een autodealer gaat dan ook niet op. In het geval dat een
personeelslid van een autodealer een auto bij zijn werkgever koopt komt
de overeenkomst wel tot stand tussen het personeelslid en zijn
werkgever, en niet tussen het personeelslid en de autofabrikant.
De rechtbank kan eiseres evenmin volgen in de stelling dat de aan de
werknemers uitbetaalde provisie buiten het loon zou moeten worden
gehouden omdat haar bemiddelingswerkzaamheden zouden moeten worden
gezien als haar product, dat zij gratis aan haar werknemers zou mogen
verstrekken. Ook deze stelling miskent immers dat sprake is van
verzekeringsovereenkomsten tussen verzekeringsmaatschappijen en
personeelsleden van eiseres waarin een bepaalde verzekeringspremie is
overeengekomen, en dat de door eiseres in verband daarmee aan de
werknemers doorbetaalde provisie op grond van hetgeen in de vorige
alinea is overwogen als loon moet worden gezien.
Door eiseres is ten aanzien van de personeelskortingen voorts nog een
beroep gedaan op het vertrouwenbeginsel. Eiseres heeft daartoe
aangevoerd dat naar aanleiding van een eerdere looncontrole d.d. 23
september 1993 betreffende de jaren 1988 tot en met 1992 geen correcties
hebben plaatsgevonden terzake de personeelskortingen, en dat zij daaraan
het vertrouwen mocht ontlenen dat de personeelskortingen bij
gelijkblijvende omstandigheden niet tot het loon zouden worden gerekend.
De rechtbank stelt dienaangaande voorop dat premieschulden van
rechtswege ontstaan en dat verweerder gelet op het bepaalde in artikel
11 en 13 van de CSV in beginsel steeds verplicht is om met inachtneming
van de wettelijke verjaringstermijnen de ingevolge de
Werknemersverzekeringen verschuldigde premies vast te stellen. Zulks
laat echter onverlet dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin door
een uitvoeringsinstelling bij een werkgever zodanig vertrouwen is
opgewekt dat geen premie zal worden geheven dat geen rechtsplicht tot
premievaststelling meer bestaat. Bij uitspraak van 8 maart 1995 (RSV
1995/184) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat
premieheffing terzake bepaalde als loon aan te merken betalingen
achterwege diende te blijven in een geval waarin bij eerdere
looncontroles ook niet tot een premieplicht over de betreffende
betalingen was geconcludeerde. Blijkens deze uitspraak heeft de CRvB
daarbij van belang geacht dat de betreffende looncontroleur op de hoogte
was van alle relevante feiten, dat de relevante bescheiden aan hem zijn
getoond en met hem zijn besproken. Door vervolgens geen premienota's
vast te stellen terzake de betreffende betalingen is door de
uitvoeringsinstelling bij de werkgever het vertrouwen gewekt dat
premieheffing bij gelijkblijvende omstandigheden ook nadien achterwege
zou blijven.
De rechtbank volgt verweerder echter in het oordeel dat in het
onderhavige geval niet gebleken is van een zodanig opgewekt vertrouwen
als aan de orde in laatstgenoemde uitspraak van de CRvB. In het
onderhavige geval is enkel sprake van een eerdere looncontrole (over de
jaren 1988 tot en met 1992) waarbij ten aanzien van de
personeelskortingen geen opmerkingen zijn gemaakt. De reden waarom bij
gelegenheid van deze looncontrole geen opmerkingen zijn gemaakt over de
personeelskortingen is echter onduidelijk gebleven. Dat de kortingen
destijds met de looncontroleur zijn besproken is niet aannemelijk
geworden, zulks is in ieder geval niet gesteld namens eiseres. Het valt
derhalve geenszins uit te sluiten dat de betreffende post bij de
looncontrole over het hoofd is gezien. Het feit dat de post in het
geheel niet aan de orde komt in het looncontrolerapport lijkt daar op te
duiden. Bij deze stand van zaken is het enkele feit dat naar aanleiding
van deze looncontrole geen correcties zijn opgelegd terzake de
personeelskortingen onvoldoende om te kunnen stellen dat bij eiseres een
zodanig vertrouwen is gewekt dat terzake deze kortingen ook in de
toekomst geen premies zouden worden vastgesteld, dat thans de wettelijk
verplichte premievaststelling terzake de betreffende als loon aan te
merken personeelskortingen achterwege zou moeten blijven.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiseres, voorzover
betrekking hebbende op de premiecorrecties terzake de
personeelskortingen, ongegrond moet worden verklaard."
De Raad kan zich volledig verenigen met de overwegingen van de rechtbank
en maakt deze tot de zijne. Hetgeen van de kant van appellante in hoger
beroep is aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van hetgeen in
beroep is aangevoerd, zodat de Raad geen grond ziet tot nadere
overwegingen ten aanzien van beide onderdelen van het hoger beroep.
Ten slotte dient de Raad nog de vraag te beantwoorden of de rechtbank
het verzoek van appellante om veroordeling van gedaagde in de kosten van
rechtsbijstand in de bezwaarfase gemaakt, terecht niet heeft
gehonoreerd.
In dit verband heeft appellante naar voren gebracht dat naar haar mening
gedaagde een onrechtmatig primair besluit heeft genomen en dat dit aan
haar kan worden toegerekend. Hiertoe is aangevoerd dat gedaagde zijn
premiecorrectienota's uitsluitend heeft gebaseerd op een controlerapport
van de belastingdienst, waarin geen namen van werknemers op wie de
correcties betrekking hadden, waren vermeld, zodat ten onrechte geen
rekening is gehouden met het maximumpremiedagloon. Bovendien had
gedaagde ook uit voorgaande controles kunnen opmaken dat tal van
werknemers een loon genoten waarbij het maximumpremieloon is
overschreden.
Met de rechtbank, onder overneming van de daartoe gebezigde gronden, is
de Raad van oordeel dat hetgeen van de kant van appellante is aangevoerd
niet tot het oordeel kan leiden dat sprake is van een onrechtmatig
primair besluit. De Raad voegt hieraan nog toe dat eerst tijdens de
hoorzitting in bezwaar door appellante de brief van 29 februari 1996 van
de belastingdienst is overgelegd waaruit naar voren komt dat nagenoeg
alle werknemers op wie de correctienota's betrekking hebben, een loon
boven het maximumpremiedagloon verdienen. De Raad acht de omstandigheid
dat gedaagde in dit verband eerdere looncontrolerapporten niet
raadpleegde van onvoldoende betekenis om tot het verregaande oordeel te
komen dat sprake zou zijn geweest van een primair besluit dat tegen
beter in is genomen.
Dit betekent dat het hoger beroep van appellante, ook op dit onderdeel,
niet kan slagen.
De Raad ziet, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van N.J.
Stolten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 november
2001.
(get.) B.J.
van der Net.
(get.) N.J. Stolten.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen 6weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|