|
Uitspraak
99/5757
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[naam BV], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 18 augustus 1998 heeft appellant, voor zover in hoger
beroep in geschil, gedaagdes bezwaren tegen correctienota's van 17 juni
1998, ter zake van de door gedaagde gehanteerde autoregeling voor haar
personeel over de jaren 1993 tot en met 1997 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft gedaagdes beroep
tegen dat besluit bij uitspraak van 27 september 1999 gegrond verklaard,
het bestreden besluit vernietigd onder bepaling dat appellant een nieuw
besluit dient te nemen op de bezwaarschriften van gedaagde met
inachtneming van de uitspraak, appellant veroordeeld in de proceskosten
van gedaagde en gelast dat appellant het door gedaagde gestorte
griffierecht vergoedt.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 10 januari 2000
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 11 oktober 2001. Aldaar zijn partijen, zoals tevoren
schriftelijk aan de Raad bericht, niet verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde exploiteert een carrosserieherstelbedrijf en een autobedrijf,
waarbij de schadeherstelwerkzaamheden vooral ten behoeve van het
moederbedrijf, een autoleasemaatschappij plaatsvinden. De werknemers van
gedaagde konden bij de moedermaatschappij teruggekomen lease-auto's
kopen tegen de handelsprijs minus f. 500,-- en vanaf 1995 dienden de
werknemers de handelsprijs te betalen en betaalde gedaagde eenmaal 's
jaars f. 500,-- aan de kopende werknemers uit.
In hoger beroep is tussen partijen uitsluitend in geschil of appellant
de korting op de handelsprijs, en na 1 januari 1995 de eenmaal 's jaars
betaalde f. 500,-- , terecht tot het premieloon ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) heeft gerekend en ter zake
premiecorrectienota's heeft opgelegd.
De Raad overweegt inzake de autoregeling zoals die tot 1 januari 1995
gold als volgt.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de CSV dient niet in geld genoten
loon in aanmerking te worden genomen naar de waarde welke daaraan in het
economisch verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat voor
zover de verwerving van het loon het gebruik of verbruik daarvan
meebrengt, de waarde op ten hoogste het bedrag van de besparing wordt
gesteld. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de CSV kunnen hieromtrent
bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld, hetgeen is
geschied bij resolutie van 14 mei 1986 van de Staatssecretaris van
Financiën , nr. 286-7275, BNB 1986/213, zoals deze is gewijzigd bij de
Resolutie van 19 augustus 1988, nr. DB88-3351, BNB 1988/315.
De Sociale Verzekeringsraad heeft deze regelgeving als richtlijnen voor
de toepassing van de sociale werknemersverzekeringen overgenomen bij
circulaire van 27 november 1986, nr. 892.
Ingevolge deze richtlijnen is geen sprake van een tot het premieloon
behorend voordeel indien aan de werknemer een product uit het bedrijf
van de werkgever wordt verstrekt tegen een eigen bijdrage in geld, mits
aan een aantal voorwaarden is voldaan.
Primair zal derhalve de vraag moeten worden beantwoord of sprake is van
een product uit het bedrijf van de werkgever.
De Raad beantwoordt die vraag ontkennend en verwijst hiertoe naar het
arrest van de HR van 15 december 1999, BNB 2000/55.
Reeds daarom heeft appellant de korting van f. 500,-- bij aankoop van de
auto terecht tot het premieloon gerekend.
Wat betreft de autoregeling per 1 januari 1995 heeft de Raad moeten
vaststellen dat geen sprake meer is van een korting op de handelsprijs,
maar van de betaling (eens per jaar) van f. 500,-- aan werknemers die
een auto van gedaagde kochten.
De Raad is van oordeel dat appellant ook deze betalingen, zijnde loon in
geld, terecht tot het premieloon heeft gerekend op grond van artikel 4
van de CSV.
Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep van appellant slaagt en
de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, terwijl het
inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond dient te worden
verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr.
L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 november
2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|