|
Uitspraak
00/1293
CSV en 00/1294 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], h.o.d.n. [X.], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraken van 19
januari 2000 de namens appellant tegen de besluiten van 6 november 1998
en 13 november 1998 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen die uitspraken hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft verweerschriften, gedateerd 1 augustus 2000, ingediend.
In de zaak, geregistreerd onder nummer 00/1294, heeft gedaagde
desgevraagd bij schrijven van 17 augustus 2001 nadere stukken
overgelegd.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27
september 2001, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.M. Schütz en mr. P.G.J.
Reurings, beiden werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Appellant exploiteert een bedrijf dat zich bezighoudt met de productie
van kokosstokken. In 1994 en 1995 heeft hij werkzaamheden laten
verrichten door Poolse arbeidskrachten. De arbeidskrachten werden in
1994 en in 1995 ter beschikking gesteld door het in Polen opgerichte
bedrijf [bedrijf 1] Sp. Z.O.O. (verder: [bedrijf 1]). In 1995 werden
voorts arbeidskrachten ter beschikking gesteld door het eveneens in
Polen opgerichte bedrijf [bedrijf 2] Sp. Z.O.O. (verder: [bedrijf 2]).
[bedrijf 1] en [bedrijf 2] verrichtten de loonbetalingen aan de Poolse
arbeidskrachten.
Bij besluit van 9 augustus 1996 heeft gedaagde aan [bedrijf 1] een
premiebesluit over de jaren 1994 en 1995 toegezonden, waarbij aan
[bedrijf 1] is medegedeeld dat de door de Poolse arbeidskrachten ten
behoeve van [bedrijf 1] verrichte werkzaamheden primair
verzekeringsplichtig worden geacht op grond van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten en subsidiair op grond van artikel 3 van
het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 655 (verder: het
Besluit). Meer subsidiair is de verzekeringsplicht gebaseerd op artikel
5, aanhef en onder d, van het Besluit.
Bij besluit van 11 maart 1997 heeft gedaagde aan [bedrijf 2] medegedeeld
dat de door de Poolse arbeidskrachten ten behoeve van [bedrijf 2]
verrichte werkzaamheden primair verzekeringsplichtig worden geacht op
grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en
subsidiair op grond van artikel 3 van het Besluit. Meer subsidiair is de
verzekeringsplicht gebaseerd op artikel 5, aanhef en onder d, van het
Besluit. Op 21 april 1997 is in verband hiermee een premienota over het
jaar 1995 aan [bedrijf 2] gezonden.
[Bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn met de betaling van de opgelegde premies
in gebreke gebleven.
Bij besluit van 18 december 1997 is appellant op grond van artikel 16a,
eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk
aansprakelijk gesteld voor de premies ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten ten bedrage van f 16.316,--, verschuldigd
ten aanzien van werknemers die in 1994 en 1995 aan haar ter beschikking
werden gesteld door [bedrijf 1]. Het tegen dat besluit ingestelde
bezwaar is bij besluit van 6 november 1998 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 27 maart 1998 is appellant op grond van artikel 16a,
eerste lid, van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de premies
ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten ten bedrage van f
1.657,--, verschuldigd ten aanzien van werknemers die in 1995 aan haar
ter beschikking werden gesteld door [bedrijf 2]. Het tegen dat besluit
ingestelde bezwaar is bij besluit van 13 november 1998 ongegrond
verklaard.
In de onderhavige gedingen dient de vraag te worden beantwoord of de
besluiten van 6 november 1998 en 13 november 1998 in rechte stand kunnen
houden.
Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de tegen die besluiten
ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij, naar
aanleiding van de door appellant aangevoerde gronden, geoordeeld dat
sprake is van inlening van arbeidskrachten in de zin van artikel 16a van
de CSV en dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] door gedaagde bij besluiten van
9 augustus 1996 en 11 maart 1997 zijn aangesproken voor het
verschuldigde premiebedrag. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat op
grond van de beschikbare stukken moet worden aangenomen dat hier te
lande enige vorm van vertegenwoordiging of bestuur van [bedrijf 1] en
[bedrijf 2] aanwezig was, zodat kan worden gezegd dat [bedrijf 1] en
[bedrijf 2] in Nederland waren gevestigd of een nevenvestiging hadden.
Daaruit heeft de rechtbank geconcludeerd dat er geen grond is voor het
oordeel dat artikel 14, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 in de weg staat
aan de aansprakelijkstelling van appellant voor de premieschulden van
[bedrijf 1] en [bedrijf 2]. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat
niet is gebleken dat het bedrag van de aansprakelijkstelling voor
onjuist moet worden gehouden.
De Raad overweegt het volgende.
Aan de bij de bestreden besluiten gehandhaafde aansprakelijkstellingen
op grond van artikel 16a van de CSV ligt het standpunt van gedaagde ten
grondslag dat de tussen de Poolse arbeidskrachten en [bedrijf 1],
respectievelijk [bedrijf 2] bestaande arbeidsverhouding
verzekeringsplicht meebrengt is op grond van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringen, dan wel - subsidiair - op grond van artikel 3
van het Besluit. De Raad volgt gedaagde niet in haar primaire standpunt
dat de Poolse arbeidskrachten in een privaatrechtelijke dienstbetrekking
stonden tot [bedrijf 1] en [bedrijf 2]. De Raad acht de daarvoor
vereiste gezagsverhouding tussen [bedrijf 1], respectievelijk [bedrijf
2] en deze arbeidskrachten onvoldoende aannemelijk. De Raad is evenwel
van oordeel dat van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding op grond
van artikel 3 van het Besluit wel sprake is. De Poolse arbeidskrachten
verrichtten door tussenkomst van [bedrijf 1] en [bedrijf 2]
werkzaamheden voor appellant, terwijl [bedrijf 1] en [bedrijf 2] het
daarvoor verschuldigde loon betaalden. Appelants stelling dat sprake was
van aanneming van werk, hetgeen verzekeringsplicht op grond van artikel
3 van het Besluit zou uitsluiten, kan niet worden gevolgd. Gelet op het
feit dat het uitsluitend ging om de inzet van personeel kan naar het
oordeel van de Raad niet van aanneming van werk worden gesproken.
Nu de vraag of de Poolse arbeidskrachten (in beginsel) in een
verzekeringsplichtige arbeidsverhouding staan tot [bedrijf 1] en
[bedrijf 2] in het voorgaande bevestigend is beantwoord, komt de Raad
toe aan de vraag of de Poolse arbeidskrachten, gelet op artikel 14,
eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
werknemersverzekeringen 1990, al dan niet als werknemer in de zin van de
werknemersverzekeringen dienen te worden beschouwd.
Partijen verschillen van mening over de vraag of [bedrijf 1] en [bedrijf
2] als buiten Nederland gevestigde werkgevers zijn aan te merken.
De Raad beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Waar een lichaam is gevestigd wordt blijkens artikel 2 van de sociale
werknemersverzekeringswetten beoordeeld naar de omstandigheden. Op grond
van de beschikbare gegevens staat vast dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2]
zijn opgericht in Polen. Op het op de facturen van [bedrijf 1] vermelde
adres te Krakow is echter geen vestiging van het bedrijf aangetroffen.
Voorts geldt voor beide bedrijven dat van enige bedrijfsactiviteit in
Polen niet is gebleken. Alle voor een bedrijf als [bedrijf 1] en
[bedrijf 2] relevante bedrijfsactiviteiten vonden daarentegen plaats in
Nederland. Blijkens de aan appellant verzonden facturen werd door
[bedrijf 1] tot eind 1994 een administratieadres te [Y.] gebruikt en
nadien een administratieadres te [Z.]. Blijkens het verslag van een op
20 april 1995 afgelegd bezoek aan het adres te [Z.] werden daar [C.] en
[D.] aangetroffen. [C.] verklaarde te bemiddelen tussen [bedrijf 1] en
de opdrachtgevers, terwijl [D.] verklaarde werkzaam te zijn voor
[bedrijf 2]. Voorheen was zij ook als gemachtigde voor [bedrijf 1]
opgetreden. Met betrekking tot [bedrijf 2] heeft de Belastingdienst
Ondernemingen te Rijswijk op 21 juli 1995 een rapport uitgebracht,
waaruit blijkt dat op het adres te [Z.] facturen werden opgemaakt,
betalingen werden gedaan en lonen werden uitbetaald. [D.] onderhield
blijkens het rapport namens [bedrijf 2] de contacten met opdrachtgevers
en andere externe relaties. Met betrekking tot [bedrijf 1] heeft de
Belastingdienst te Rijswijk op 28 juli 1995 een rapport uitgebracht,
waaruit blijkt dat op het adres te [Z.] eveneens voor [bedrijf 1]
facturen werden opgemaakt, betalingen werden gedaan en lonen werden
uitbetaald.
Bovenvermelde feiten en omstandigheden leiden de Raad tot de conclusie
dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] feitelijk in Nederland waren gevestigd,
zodat artikel 14, eerste lid van het Besluit uitbreiding en beperking
kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 toepassing mist.
De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat artikel 14, eerste lid,
van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
werknemersverzekeringen 1990 een uitzonderingsbepaling is. Op degene,
die zich op een dergelijke uitzonderingsbepaling beroept, rust de
verplichting in ieder geval een begin van bewijs te leveren met
betrekking tot het bestaan van de voorwaarden die in een dergelijke
uitzonderingsbepaling zijn gesteld. Van de zijde van appellant is niet
aangetoond of aannemelijk gemaakt dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2]
(feitelijk) buiten Nederland gevestigd waren.
Tot slot dient te worden beoordeeld of is voldaan aan de voorwaarden
waaronder een inlener hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor
de premie, welke de uitlener is verschuldigd. De Raad beantwoordt die
vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich daarbij achter de
overwegingen van de rechtbank dienaangaande.
Wat betreft de hoogte van de bedragen waarvoor appellant aansprakelijk
is gesteld, overweegt de Raad het volgende. Gedaagde heeft, bij gebreke
van een administratie ten aanzien van de voor appellant werkzaam geweest
zijnde Poolse arbeidskrachten, het premieloon vastgesteld op 70% van de
door [bedrijf 1], respectievelijk [bedrijf 2] bij appellant
gefactureerde bedragen. De Raad acht deze schatting alleszins redelijk
en aanvaardbaar.
Gelet op vorenstaande overwegingen komen de aangevallen uitspraken voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 november 2001.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|