|
Uitspraak
99/5829
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[X.] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is op de gronden, uiteengezet in haar beroepschrift
van 25 november 1999, (hierna: de rechtbank) op 29 oktober 1999 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Vanwege gedaagde is onder dagtekening 25 januari 2000 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 november
2001, waar namens appellante is verschenen haar directeur [werkgever],
bijgestaan door mr. L.R.T. Peeters, advocaat te Dordrecht.
Gedaagde heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. H.B.
Heij, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te
Amsterdam.
II. MOTIVERING
A. Omtrent de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden
wordt het volgende overwogen.
1. Bij besluit van 28 december 1992 heeft gedaagde onder toepassing van
- onder meer - het bepaalde in artikel 16b van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (hierna: CSV) appellante hoofdelijk aansprakelijk
gesteld voor een premieschuld van ƒ 301.610,78 (€ 136.865) van het gefailleerde bedrijf B. van den Berg
Onderhoudsbedrijf te 's-Gravenhage (hierna: VBO), betreffende de jaren
1987 en 1988, welk bedrijf in onderaanneming werkzaamheden heeft
verricht voor appellante.
2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 11 november 1994 het beroep van
appellante tegen evengenoemd besluit gegrond verklaard, dit besluit
vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen met
inachtneming van deze uitspraak.
Bij deze uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het
volgende overwogen en beslist:
a) Niet in geschil is dat VBO in 1987 en 1988 in onderaanneming
werkzaamheden voor appellante heeft verricht, dat VBO toen het bedrijf
failliet ging een premieschuld had van ƒ 418.765,43 (€ 190.027,46),
noch dat appellante als aannemer hoofdelijk aansprakelijk is voor deze
premieschuld.
b) De grief dat het verband tussen de bij appellante te werk gestelde
werknemers van VBO en de niet betaalde premies ontbreekt, kan niet
slagen, aangezien uit artikel 16b CSV volgt dat bij gebreke van een
deugdelijke administratie bij de onderaannemer het aan de aannemer is
aan de hand van gegevens uit zijn administratie aan te tonen dat een
dergelijk verband ontbreekt. Appellante is er niet in geslaagd dit
aannemelijk te maken.
c) Aangezien het, wegens het ontbreken van een deugdelijke
loonadministratie bij VBO, niet mogelijk was een nauwkeurige berekening
te maken van de met de uitbestede werkzaamheden gemoeide premiebedragen,
diende de premievaststelling schattenderwijs te geschieden. Onder de
gegeven omstandigheden is de door gedaagde gehanteerde schattingsmethode
als reëel aan te merken.
d) Voorts is het aanvaardbaar te achten dat gedaagde ter bepaling van de
loonsommen van de niet verantwoorde en van de onbekende werknemers, het
geschatte nettoloon met toepassing van het anoniementarief heeft
omgerekend tot een brutoloon.
e) In zoverre kan derhalve het bestreden besluit in stand blijven.
f) Met betrekking tot de brutering van de bovenlonen moet worden
geoordeeld dat gedaagde er niet in geslaagd is het bewijs te leveren dat
VBO, toen hij de loonbetalingen deed, de wettelijk voorgeschreven
inhoudingen voor zijn rekening te nemen. Door in dit geval niettemin het
premieplichtige loon te bepalen op een wijze alsof VBO de op het loon in
te houden premies voor eigen rekening heeft willen nemen, heeft gedaagde
gehandeld in strijd met artikel 4 CSV.
g) Gezien het voorafgaande bestaat geen aanleiding nog in te gaan op de
stelling van appellante, dat zij voor een groter deel van de
premieschuld van VBO aansprakelijk is gesteld dan op grond van de feiten
gerechtvaardigd is.
3. Gedaagde heeft tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld en
daarbij bezwaren aangevoerd tegen hetgeen de rechtbank had beslist
aangaande genoemde brutering van de bovenlonen.
De Raad heeft bij uitspraak van 18 december 1997, beslissende op dit
hoger beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd, daartoe
overwegende dat Hij zich kan verenigen met de overwegingen van de
rechtbank omtrent genoemde brutering.
Aangaande de bezwaren die appellante (als gedaagde in dat geding) in een
verweerschrift d.d. 21 juli 1997, tevens incidenteel hogerberoepschrift
genoemd, naar voren had gebracht tegen de aansprakelijkstelling als
zodanig, heeft de Raad overwogen dat de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb) geen incidenteel appel kent, hetgeen betekent dat de
omvang van het geding wordt bepaald door het beroep, ingesteld door
appellant (thans gedaagde), alsmede dat hetgeen na ommekomst van de
beroepstermijn bij wege van incidenteel appel is aangevoerd tegen de
aansprakelijkstelling als zodanig, buiten beschouwing blijft.
4. Bij besluit van 23 april 1998 heeft gedaagde, rekening houdend met
voornoemde uitspraken van de rechtbank en de Raad, appellante op grond
van meergenoemd artikel 16b aansprakelijk gesteld voor een bedrag van ƒ
61.184,83 (€ 27.764,47) ter zake van onbetaalde premies ingevolge de
sociale werknemersverzekeringswetten, verschuldigd door VBO over de jaren 1987 en 1988.
In een aan de raadsman van appellante gericht schrijven van 2 juli 1998
heeft gedaagde, ingaande op de bezwaren van appellante tegen de omvang
van de aansprakelijkstelling, onder vermelding van gespecificeerde
gegevens en becijferingen uiteengezet waarom - naar de mening van
gedaagde - appellante verhoudingsgewijs niet voor een groter deel van de
premieschuld van VBO aansprakelijk is gesteld, dan op grond van de
feiten gerechtvaardigd is.
Bij het thans bestreden besluit van 16 september 1998 heeft gedaagde de
door appellante tegen evenvermeld besluit aangevoerde bezwaren ongegrond
verklaard
5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de grieven van
appellante, onderscheidenlijk inhoudende (-) dat het bestreden besluit
niet deugdelijk is gemotiveerd omdat het is gebaseerd op gegevens uit
een strafrechtelijk onderzoek die pas later in procedure zijn gebracht
en dermate omvangrijk zijn, dat de relevante gegevens eerst na
uitgebreide studie kenbaar kunnen zijn en (-) dat het verband tussen de
premieschuld van VBO en de werknemers van dat bedrijf die bij appellante
te werk zouden zijn gesteld, van de hand gewezen op de grond dat
aangaande de aansprakelijkheid van appellante en het bestaan van een
relevant verband in evenbedoelde zin, bij eerdervermelde uitspraak van
11 november 1994 beslissingen zijn gegeven, die in hoger beroep zijn
bevestigd.
6. Aangaande de grief dat appellante voor een onevenredig deel van de
premieschuld van VBO aansprakelijk is gesteld, heeft de rechtbank, onder
verwijzing naar gedaagdes brief van 2 juli 1998 (hiervoor vermeld onder
4) overwogen dat appellante tegenover de gemotiveerde uiteenzetting van
gedaagde geen andersluidende berekeningen heeft gesteld. In de
beschikbare gegevens heeft de rechtbank geen grond kunnen vinden voor
het oordeel dat gedaagde de totale premieschuld niet op evenredige wijze
heeft verdeeld.
B. Van de zijde van appellante is in hoger beroep, samengevat
weergegeven, het volgende betoogd.
1. Er is sprake van schending van artikel 6 van het Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(hierna: EVRM), gezien de termijn die is verstreken sedert het
verschuldigd worden van de onderhavige premies. Daarbij moet in
aanmerking worden genomen:
- dat het besluit van 28 december 1992 (hiervoor vermeld onder 1) is
gegeven drie dagen voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar
waarbinnen een dergelijke beslissing dient te worden genomen,
- dat het na de uitspraak van de rechtbank d.d. 11 november 1994 tot 28
april 1997 heeft geduurd voordat de gronden voor het beroep waren
aangevuld en
- dat gedaagde na de uitspraak van de Raad d.d. 19 december 1997 eerst
op 23 april 1998 een nieuwe beslissing heeft gegeven.
In verband met deze schending heeft gedaagde zijn recht verwerkt om
appellante aansprakelijk te stellen voor premieschulden van VBO.
2. Appellante heeft in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak
van de Raad d.d. 18 december 1997, verzuimd tijdig beroep in te stellen
tegen de uitspraak van de rechtbank. Zij hoefde dit echter niet te doen,
aangezien de uitspraak van de rechtbank d.d. 11 november 1994 materieel
positief voor haar was uitgevallen. Derhalve kon zij met eventuele
bezwaren wachten op een nieuw besluit van gedaagde.
Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar
grieven inzake de motivering van het bestreden besluit en het niet
voldoende zijn aangetoond van verband tussen de premieschuld van VBO en
de werknemers van dat bedrijf, die bij appellante werkzaam zouden zijn
geweest. In hoger beroep zal daarover alsnog dienen te worden
geoordeeld.
Voorts is de rechtbank ten onrechte niet ingegaan op de grief van
appellante, dat niet in rechte is komen vast te staan dat een bedrag van
ƒ 418.765,43 (€ 190.027,46) aan premieschuld onbetaald is gebleven.
Ten slotte is de rechtbank er ten onrechte vanuit gegaan dat appellante,
vanwege onbekendheid met de mogelijkheid van verhaal van onbetaalde
premies op de betrokken werknemers, dit punt eerst ter zitting van de
rechtbank naar voren heeft gebracht.
C. Ten aanzien van het voorafgaande overweegt de Raad het volgende.
1. Met betrekking tot het beroep dat appellante heeft gedaan op artikel
6 EVRM, moet worden opgemerkt dat de rechtbank bij de aangevallen
uitspraak terecht, onder verwijzing naar 's Raads uitspraak van 17 maart
1997 (RSV 1999/232), heeft overwogen dat het overschrijden van redelijk
termijn in een geval als het onderhavige, waarin het mede gaat om een
verplichting naar burgerlijk recht, met zich kan brengen dat een
bestuursorgaan niet meer, althans niet onverkort aan zijn besluit kan
vasthouden, mits de overschrijding in overwegende mate aan dat orgaan
kan worden toegerekend. Zulks geldt niet, als de overschrijding is
gelegen in de behandelingsduur bij de rechter, in welk geval de
belanghebbende zich ter zake van de vaststelling van de schending en de
daaraan te verbinden gevolgen dient te wenden tot de burgerlijke
rechter. Dit laatste laat echter onverlet dat, in het geval dat niet
verontschuldigbare gebreken in de gevalsbehandeling ertoe leiden dat
meer dan één procedure moet worden gevoerd om de rechtsstrijd tot een
einde te brengen, een normaal te achten behandelingsduur bij de
rechterlijke instantie na de eerste procedure, bij de toetsing aan
artikel 6 EVRM voor rekening van dat orgaan kan worden gebracht in de
zin als hierboven aangegeven.
De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de tijd die gedaagde
nodig had voor het nemen van de beslissing d.d. 28 december 1992 tot aansprakelijkstelling van appellante, bij de
kwestie inzake de toepasselijkheid van artikel 6 EVRM buiten beschouwing
dient te blijven, aangezien het een door gedaagde ambtshalve te nemen
besluit betrof, waarvoor een wettelijke termijn gold. Daarenboven moet
in dit verband in aanmerking worden genomen het complexe geheel van
feiten en omstandigheden die aan de orde waren bij het onderzoeken van
het doen en laten van VBO, in welk verband tevens een strafrechtelijk
onderzoek aan de orde was.
De procedure inzake het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
d.d. 11 november 1994 heeft geduurd tot 18 december 1997, het tijdstip van 's Raads uitspraak in dat geding. De
betrekkelijk lange duur van die procedure is mede gelegen in het
verlenen door de Raad van uitstel aan gedaagde (appellant in dat geding)
in verband met een door de Hoge Raad te wijzen arrest inzake brutering
met toepassing van het zogenaamde anoniementarief. Anders dan appellante
meent, kan de duur van voornoemde procedure niet op het conto van
gedaagde worden geschreven.
Naar het oordeel van de Raad kan voorts niet worden staande gehouden dat
genoemde procedure in hoger beroep moest worden gevoerd om een einde te
maken aan een rechtsstrijd, die voortvloeide uit niet verontschuldigbare
gebreken in de gevalsbehandeling.
De Raad is, de ter zake dienende feiten en omstandigheden in aanmerking
nemend, van oordeel dat evenmin kan worden staande gehouden dat gedaagde
meergenoemd vereiste van een redelijke termijn niet in acht heeft
genomen door op 23 april 1998 een nieuw besluit inzake de aansprakelijkstelling van
appellante te geven met inachtneming van eerdervermelde uitspraken van
de rechtbank en van de Raad.
Gezien het voorafgaande faalt de grief van appellante inzake schending
van artikel 6 EVRM.
2. In verband met het namens appellante gestelde als hiervoor
weergegeven onder B sub 2, stelt de Raad in de eerste plaats vast dat
appellante niet erover klaagt dat gedaagde niet op juiste wijze gevolg
heeft gegeven aan de rechtens onaantastbaar geworden uitspraak van de
rechtbank d.d. 11 november 1994, doch met name beoogt te bewerkstelligen
dat haar grieven welke de rechtbank bij die uitspraak ongegrond heeft
verklaard, andermaal worden beoordeeld.
Voorts constateert de Raad dat de rechtbank in de overwegingen bij die
uitspraak in duidelijke bewoordingen te kennen heeft gegeven:
- in hoeverre het eerste besluit tot aansprakelijkstelling van
appellante d.d. 28 december 1992 de rechterlijke toetsing kan doorstaan
en in stand kan blijven (zie de onder A sub 2, onder a tot en met e,
weergegeven onderdelen van die uitspraak),
- welke onjuistheid kleeft aan dit besluit (onderdeel f) en
- welk deel van het beroep buiten verdere beschouwing kan worden gelaten
(onderdeel g).
Hetgeen de rechtbank in die uitspraak, waarbij onder meer aan gedaagde
is opgedragen met inachtneming van het daarin gestelde een nieuw besluit
te nemen, heeft beslist als vermeld in genoemde onderdelen a tot en met
e, was in dier voege bepalend voor de rechtsverhouding tussen appellante
en gedaagde, dat appellant niet op basis van de grieven die de rechtbank
reeds bij de beoordeling van de eerste aansprakelijkstelling ongegrond
had bevonden, voorziening kon vragen tegen het naar aanleiding van die
uitspraak gegeven besluit. Voor een andere benadering zou eerst
aanleiding kunnen bestaan, indien sprake zou zijn van een wijziging met
betrekking tot de relevante feiten en omstandigheden. Daarvan is evenwel
gezien de beschikbare gegevens, geen sprake.
Bij het betoog van de zijde van appellante, dat als gevolg van de
volledige vernietiging van het besluit van 28 december 1992, in het
kader van het beroep tegen een nieuwe beslissing alle eerdere grieven
konden worden aangevoerd en dienden te worden beoordeeld, is kennelijk
veronachtzaamd dat dit onderdeel van het dictum van uitspraak gelet op
de tevens in het dictum voorkomende opdracht aan gedaagde, behoort te
worden bezien in samenhang met de overwegingen die daaraan ten grondslag
zijn gelegd.
De Raad merkt met betrekking tot het voorafgaande voorts op, dat geen
zodanige verwevenheid bestaat tussen datgene waaromtrent gedaagde in
verband met de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit diende te
geven enerzijds, en de aspecten van de aansprakelijkstelling waarop de
ongegrond bevonden grieven van appellante betrekking hadden anderzijds,
dat een beoordeling van deze grieven onontkoombaar is bij toetsing van
de rechtmatigheid van de nieuwe, thans aan de orde zijnde,
besluitvorming inzake de aansprakelijkstelling.
In verband met het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat de
rechtbank zich bij de aangevallen uitspraak terecht op het standpunt
heeft gesteld dat de door appellante tegen de - aanvankelijke -
aansprakelijkstelling aangevoerde gronden waaromtrent reeds
onherroepelijk was beslist, in de beroepsprocedure niet meer inhoudelijk
aan de orde konden komen.
Ook in hoger beroep kan niet inhoudelijk op deze gronden worden
ingegaan.
Voorts onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank (als weergegeven onder
A sub 6) heeft overwogen aangaande de - nog resterende - grief van
appellante, dat zij voor een onevenredig deel van de premieschuld van
VBO aansprakelijk is gesteld.
Aangezien hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, samenhangt met
eerderbedoelde reeds ongegrond verklaarde grieven, kan gelet op het
vorenoverwogene het hoger beroep niet slagen.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2002.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|