|
Uitspraak
99/5351
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[X.] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens
verstaan het Lisv.
Bij besluit van 18 december 1995 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen besluiten van 12 oktober 1994, inhoudende onder meer correctienota's over de jaren
1990 en 1991.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 7 september 1999 het door
gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd, appellant veroordeeld in de proceskosten van
gedaagde en bepaald dat appellant het door gedaagde betaalde
griffierecht vergoedt.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 3
februari 2000 aangegeven gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger
beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. H.C. Begheyn, belastingadviseur te Nijmegen,
een verweerschrift (met bijlagen), gedateerd 29 juni 2000, ingediend.
Hierop heeft appellant gereageerd bij brief (met bijlage) van 15
september 2000.
Bij brief van 31 juli 2001 (met bijlagen) heeft appellant een door de
Raad gestelde vraag beantwoord.
Nadien heeft gedaagde de Raad nog nadere stukken doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 november
2001, waar voor appellant is verschenen mr. H.B. Heij, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en waar voor gedaagde zijn verschenen haar
directeur [werkgever] en mr. Beghyn, voornoemd.
II. MOTIVERING
Appellant heeft aangenomen dat de door gedaagde aan haar werknemers
verstrekte reiskostenvergoedingen in de jaren 1990 en 1991 voor 25% als
bovenmatig moeten worden aangemerkt en dat deswege gedaagde over dit
deel van de verstrekte vergoedingen premies ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten is verschuldigd.
Aan het door appellant ingenomen standpunt ligt ten grondslag een
looncontrolerapport van 3 februari 1994. In dit rapport heeft de
looninspecteur van gedaagde vermeld dat de gedeclareerde afstanden
gemiddeld 25% afwijken van de afstanden volgens het ALH-programma, een
routeplanner van Auto Lease Holland.
Bij het bestreden besluit heeft appellant het volgende overwogen:
"Omdat het reiskostenforfait van toepassing is, werd de feitelijk
afgelegde weg niet nader onderzocht, maar werd gebruik gemaakt van het
zogenaamde 'ALH-programma'. Afgemeten aan de norm van dit programma,
werd gemiddeld 26,48% van de reiskosten bovenmatig gedeclareerd. Dit
percentage werd in uw voordeel afgerond; op grond hiervan werd het
premieplichtig loon met 25% van de reiskosten vermeerderd."
Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat
het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank
heeft onder meer overwogen dat in beginsel van een programma als het
ALH-programma mag worden uitgegaan, maar dat bij gemotiveerde betwisting
van de uitkomst daarvan appellant hierop gemotiveerd dient te reageren
en eventueel aanpassingen dient aan te brengen. Naar het oordeel van de
rechtbank is appellant in een aantal gevallen onvoldoende gemotiveerd
voorbijgegaan aan de bezwaren van gedaagde, bijvoorbeeld wat betreft het
rijden over een tolbrug of door een bebouwde kom.
Blijkens het aanvullend beroepschrift is appellant in hoger beroep
gekomen omdat hij meent dat het bestreden besluit wel degelijk voldoende
zorgvuldig is voorbereid en genomen.
De Raad deelt deze mening evenwel niet en overweegt daartoe het
volgende.
In artikel 1, onder a, van het Besluit van de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt het begrip
"reisafstand" omschreven als de afstand tussen de woning of
verblijfplaats en de arbeidsplaats, gemeten langs de meest gebruikelijke
weg.
Gelet op het bestreden besluit en het aanvullend beroepschrift moet de
Raad het ervoor houden dat appellant zich op het standpunt stelt dat, nu
de opgegeven reisafstanden significant afwijken van de afstanden zoals
berekend met behulp van de door de looninspecteur gehanteerde
routeplanner, de werknemers van gedaagde niet de meest gebruikelijke weg
hebben gevolgd en dat om die reden een deel van de verstrekte
reiskostenvergoedingen tot het premieplichtig loon moet worden gerekend.
Nog daargelaten dat de ALH-routeplanner in de betrokken jaren nog niet
bestond, is de Raad van oordeel dat aan een bepaalde routeplanner niet
zonder meer beslissende betekenis kan worden toegekend bij de
beantwoording van de vraag of de meest gebruikelijke weg is afgelegd.
Niet alleen blijken, zoals door gedaagde bij haar verweerschrift en bij
haar nadien ingediende stukken is aangetoond, routeplanners
uiteenlopende uitkomsten te geven, maar kunnen er ook goede redenen zijn
om van een in een routeplanner aangegeven route af te wijken waarbij nog
steeds gesproken kan worden van de meest gebruikelijke weg. Een
routeplanner kan slechts een hulpmiddel zijn om na te gaan of mogelijk
niet de meest gebruikelijke weg is gevolgd. Gelijk de rechtbank heeft
overwogen, kan dan ook bij een gemotiveerde betwisting, waarbij de Raad
erop wijst dat gedaagde nog immer beschikt over de door haar werknemers
ingediende declaratieformulieren, niet worden volstaan met een
motivering als bij het bestreden besluit gegeven.
De Raad komt derhalve tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en
de aangevallen uitspraak in stand dient te worden gelaten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,--
voor verleende rechtsbijstand.
De Raad stelt tot slot vast dat van appellant een recht van € 327,--
dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot €
644,--;
Verstaat dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 327,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2002.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E.Lysen.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|