|
Uitspraak
99/6161
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens
verstaan het Lisv.
Bij besluit van 3 juni 1997 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het door het bestuur van de voormalige
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen genomen
besluit van 12 december 1996, waarbij gedaagde op grond van artikel 16b
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk
aansprakelijk is gesteld voor de door [A.], handelend onder de naam [X.],
niet betaalde premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten
over de jaren 1991 en 1992.
De Rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 4 november 1999 het door
gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met
inachtneming van deze uitspraak, appellant veroordeeld in de
proceskosten van gedaagde en bepaald dat appellant het door gedaagde
betaalde griffierecht vergoedt.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 9 maart 2000
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Namens gedaagde is een verweerschrift, gedateerd 11 mei 2000, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 februari
2002, waar voor appellant is verschenen mr. J.H. Landwehr, werkzaam bij
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde in
persoon is verschenen bijgestaan door mr. J.M. Sigterman, advocaat te
Roosendaal.
II. MOTIVERING
Gedaagde exploiteert op basis van een franchiseovereenkomst een
vestiging van [Y.] in [vestigingsplaats]. In de jaren 1991 en 1992 liet
gedaagde tijdens de uren dat zijn fastfoodrestaurant was gesloten, te
weten tussen 24.00 uur tot 8.00 uur, schoonmaakwerkzaamheden verrichten
door werknemers van het schoonmaakbedrijf [X.]. Deze werkzaamheden die
zeven nachten per week werden verricht, omvatten naast het schoonmaken
van de publieksruimten tevens het schoonmaken van de keuken. Gebruik
werd gemaakt van door gedaagde verstrekte schoonmaakmiddelen. Vooral het
schoonmaken van de keuken was intensief werk in verband met het
verwijderen van vet. Het schoonmaakpersoneel diende daarbij tevens het
frituurvet te filteren met behulp van een door gedaagde verstrekt "vetfilteringspakket".
De werkzaamheden werden 's ochtends gecontroleerd door de bedrijfsleider
van gedaagde. Tijdens de openingsuren van het restaurant werd het
personeel van gedaagde geacht voorkomende schoonmaakwerkzaamheden te
verrichten.
Onderzoek van gedaagde, voortvloeiende uit een onderzoek in het kader
van de Wet arbeid buitenlandse werknemers, heeft uitgewezen dat [X.]
geen premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten had
afgedragen. Bij nota's van 11 november 1996 heeft gedaagde alsnog de
verschuldigde premies over de jaren 1991 en 1992 nagevorderd. Betaling
van de verschuldigde bedragen is evenwel uitgebleven. In verband
hiermede heeft appellant gedaagde op grond van artikel 16b van de CSV
hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze premies. Daarbij heeft
appellant gedaagde aangemerkt als zogeheten "eigenbouwer", als
bedoeld in artikel 16b, derde lid, aanhef en onder b, van de CSV. Op
grond van deze wetsbepaling wordt met een aannemer gelijkgesteld degene
die zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen
buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf een
werk van stoffelijke aard uitvoert.
Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als
verweerder en gedaagde als eiser, heeft de rechtbank het volgende
overwogen:
"Blijkens de wetsgeschiedenis kan toepassing van artikel 16b, derde
lid, van de CSV in de eerste plaats aan de orde komen wanneer een
bedrijf een deel van de werkzaamheden die rechtstreeks samenhangen met,
of verbonden zijn aan de eigenlijke of hoofdfunctie, uitbesteedt. Voor
de beoordeling van de vraag of sprake is van - ondanks uitbesteding -
"in de normale uitoefening van het bedrijf uitvoeren" (zoals
bedoeld in artikel 16 van de CSV) wordt gekeken naar de functie van het
bedrijf, de activiteit, het product (hoofd- en eventueel nevenproducten)
waarmee het bedrijf op de markt opereert en de plaats die de uitbestede
werkzaamheden in de totstandkoming van het product/de economische
activiteit innemen en zal in veel gevallen aansluiting gezocht kunnen
worden bij de statutaire doelomschrijving. Daarnaast kan echter tevens
tot de normale bedrijfsuitoefening behoren het vervaardigen,
onderhouden, en herstellen van bedrijfsmiddelen. Omdat dergelijke
activiteiten worden beperkt tot de eigen bedrijfsmiddelen (gebouwen,
installaties, machines) worden deze niet rechtstreeks voor de markt
verricht. Bij de beoordeling van de vraag of dergelijke werkzaamheden
"in de normale uitoefening van het bedrijf worden uitgevoerd"
moet dan in sterkere mate het accent komen te liggen op wat feitelijk
gebruikelijk is binnen het desbetreffende bedrijf, op de regelmatige,
structureel en stelselmatig in de bedrijfsvoering ingepaste en
niet-incidentele uitvoering, op de feitelijke aanwezigheid van
personeel, ervaring en know-how en de benutting daarvan.
In het onderhavige geval betreffen de ter beoordeling staande
werkzaamheden onderhoud van het door eiser gebruikte gebouw en zich
daarin bevindende middelen. Bij de beantwoording van de vraag of er in
het onderhavige geval gesproken kan worden van werkzaamheden die in de
normale uitoefening van het bedrijf worden uitgevoerd heeft de rechtbank
aansluiting gezocht bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van
8 april 1991 (RSV 1992/13) betreffende de uitbestede
reinigingswerkzaamheden van een pluimveeslachterij.
Evenals de CRvB in dat geval is de rechtbank in het onderhavige geval
van oordeel dat het marktgericht uitvoeren van reinigingswerkzaamheden
niet tot de normale bedrijfsactiviteiten van eiser behoort; daartoe
behoort immers het vervaardigen en verkopen van etenswaren. Daarbij komt
dat de schoonmaakwerkzaamheden specifiek zijn en structureel buiten het
reguliere werk en de gebruikelijke werktijden van eisers personeel
worden verricht. Naar het oordeel van de rechtbank kan het reinigen van
de keuken inclusief de zich daarin bevindende apparatuur, alsmede de
verschillende verblijfruimten, naar aard en inhoud worden beschouwd als
het onderhouden van bedrijfsmiddelen ter zake waarvan er geen sprake is
van eigenbouwerschap. De omstandigheid dat eiser (als eigenaar van een
[Y.]) hoge eisen aan de hygiëne stelt en zich daar bovendien op laat
voorstaan kan daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen.
De vraag of eiser de (algehele) leiding had over de
schoonmaakwerkzaamheden zal de rechtbank in het midden laten, aangezien
aan die vraag pas betekenis toekomt indien vaststaat dat die uitbestede
werkzaamheden geschieden in de normale uitoefening van het bedrijf.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser
ten onrechte heeft aangemerkt als eigenbouwer, zodat verweerders besluit
om eiser aansprakelijk te stellen voor de premies die [X.] heeft
verzuimd af te dragen, reeds op die grond in rechte geen stand zal
kunnen houden.".
Appellant kan zich hiermede niet verenigen. Naar zijn mening behoort in
het licht van 's Raads uitspraak van 2 juni 1993 (RSV 1994/148) (onderhouds)werk
dat rechtstreeks samenhangt met de hoofdactiviteit van een bedrijf, in
beginsel tot de normale bedrijfsuitoefening. Hiervan is in het geval van
gedaagde zeker sprake, nu ook het eigen personeel de gehele dag
schoonmaakwerkzaamheden verricht, kraakhelderheid in de
marketingstrategie een speerpunt is, zowel eigen personeel als personeel
van schoonmaakbedrijven bij vestigingen van [Y.] gebonden zijn aan een
gedetailleerd hygiëneplan, waarin het gebruik van bepaalde
schoonmaakmiddelen en vetfilteringspakketten is voorgeschreven, de
uiteindelijke leiding en controle bij gedaagde berustte, de
schoonmaakwerkzaamheden dienstig zijn aan de economische activiteit en
daarvan ook structureel deel uitmaken.
Gedaagde heeft van zijn kant benadrukt dat de uitbestede
schoonmaakwerkzaamheden niet rechtstreeks voor de markt werden verricht.
Voorts ging zijn betrokkenheid bij deze werkzaamheden niet verder dan
die van een normale opdrachtgever.
Voorzover hij al kan worden aangemerkt als eigenbouwer, heeft gedaagde
aangevoerd dat het adres vermeld op nota's van 11 november 1996 niet
overeenkomt met het adres vermeld op de facturen en het dan ook
twijfelachtig is of deze nota's wel naar het juiste adres zijn gestuurd.
In het verlengde hiervan heeft hij gesteld dat niet is gebleken dat
verhaal bij de primair premieplichtige niet mogelijk zou zijn, waarbij
overigens ook geldt dat niet duidelijk is wie de primair premieplichtige
is. Bovendien heeft hij gesteld dat enige verwijtbaarheid van zijn kant
ontbreekt.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Bij zijn door appellant aangehaalde uitspraak heeft de Raad overwogen
dat voor de beoordeling of er sprake is van - ondanks uitbesteding -
"in de normale uitoefening van het bedrijf uitvoeren", wordt
gekeken naar de functie van het bedrijf, de activiteit, het product (hoofd-
en eventueel nevenproducten) waarmee het bedrijf op de markt opereert en
de plaats die de uitbestede werkzaamheden in de totstandkoming van het
product/de economische activiteit innemen en zal in veel gevallen
aansluiting gezocht kunnen worden bij de statutaire doelomschrijving.
Daarnaast kan echter tevens tot de normale bedrijfsuitoefening behoren
het "vervaardigen, onderhouden en herstellen van
bedrijfsmiddelen". Wanneer deze activiteiten worden beperkt tot de
eigen bedrijfsmiddelen (gebouwen, installaties, machines) worden deze
niet rechtstreeks voor de markt verricht. Blijkens de wetsgeschiedenis
heeft de wetgever ook dergelijke, in de normale bedrijfsuitoefening
verrichte werkzaamheden van stoffelijke aard bij (gedeeltelijke)
uitbesteding onder het bereik van de Wet ketenaansprakelijkheid willen
brengen. Bij de beoordeling van deze categorie werkzaamheden met
betrekking tot de eigen bedrijfsmiddelen biedt het in beschouwing nemen
van de doelomschrijving, de functie van het bedrijf/de economische
activiteit, of het product dat - met of zonder inschakeling van
(onder)aannemers - op de markt wordt gebracht, onvoldoende of geen
houvast. Bij het antwoord op de vraag of, ook bij uitbesteding, nog
gezegd kan worden dat het gaat om tot de normale bedrijfsuitoefening
behorende werkzaamheden die met behulp van een (onder)aannemer worden
uitgevoerd, als vereist in artikel 16b, derde lid, van de CSV, komt het
accent bij die activiteiten in sterkere mate te liggen op wat feitelijk
gebruikelijk is binnen het desbetreffende bedrijf, op de regelmatig,
structureel en stelselmatig in de bedrijfsvoering ingepaste en deswege
niet-incidentele uitvoering, op de feitelijke aanwezigheid van
personeel, ervaring en know-how en de benutting daarvan.
In het geval van gedaagde ging het naar het oordeel van de Raad om de
hiervoor bedoelde activiteiten die niet rechtstreeks voor de markt
worden verricht. Mag van een bedrijf, zoals het bedrijf van gedaagde,
dat etenswaren en dranken verkoopt in het algemeen worden verwacht dat
deze onder hygiënisch verantwoorde wijze worden bereid, in zijn geval
komt daar nog bij dat, naar niet is ontkend, hij zich daarbij op grond
van zijn franchiseovereenkomst dient te houden aan een gedetailleerd
hygiëneplan. De schoonmaakwerkzaamheden, in het bijzonder met
betrekking tot de keuken en de daarin aanwezige apparatuur, kunnen
hiervan niet los worden gezien. Het ging bij gedaagde om meer dan in
bedrijven gebruikelijke schoonmaakwerkzaamheden. Schoonmaakwerkzaamheden
bij gedaagde waren en zijn dienstig aan de bereiding van de producten.
Nu voorts moet worden vastgesteld dat de schoonmaakwerkzaamheden naast
de schoonmaakwerkzaamheden die het eigen personeel verrichtte tijdens de
openingsuren, regelmatig, structureel en stelselmatig werden verricht,
is de Raad van oordeel dat deze zodanig waren ingebed in de organisatie
van het bedrijf van appellant dat er sprake is tot de normale
bedrijfsuitoefening behorende werkzaamheden in de zin van artikel 16b,
derde lid, van de CSV. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de
Raad dan ook van oordeel dat appellant gedaagde terecht heeft aangemerkt
als eigenbouwer.
De Raad overweegt voorts dat hij in het door gedaagde gestelde geen
aanknopingspunten heeft kunnen vinden dat een aansprakelijkstelling van
hem achterwege had moeten blijven. Op grond van de gedingstukken moet
worden aangenomen dat verhaal bij de primair premieplichtige, te weten [X.],
het bedrijf waarmee gedaagde in zee is gegaan, niet te verwachten viel.
De premienota's zijn verstuurd naar het adres zoals vermeld in het
uittreksel uit het handelsregister. Dat op de facturen een ander adres
staat, betekent niet dat appellant niet had mogen afgaan op dit
uittreksel. Tot slot kan niet worden staande gehouden dat de
niet-betaling van de premies door [X.] noch aan dit bedrijf noch aan
gedaagde is te wijten.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak dient te
worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden
verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|