|
Uitspraak
99/2379
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[X.] B.V., gevestigd te [adres], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens
verstaan het Lisv.
Bij besluit van 22 mei 1997 heeft gedaagde de bezwaren van appellante
tegen het besluit van 16 september 1996 ongegrond verklaard, voorzover
bij dat besluit is bepaald dat appellante ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten premies is verschuldigd ter zake van
betalingen aan Amerikaanse F16-monteurs.
De Rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 20 mei 1998 het tegen dat
besluit namens appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd, de bezwaren van appellante tegen het besluit van 16
september 1996 alsnog gegrond verklaard en dat besluit herroepen,
bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde
besluit, gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellante ten
bedrage van f 1.420,--, gelast dat gedaagde het door appellante betaalde
griffierecht vergoedt, het onderzoek heropend ter voorbereiding van een
uitspraak omtrent de (omvang van de) door appellante gestelde schade en
appellante in de gelegenheid gesteld zich, binnen zes weken na
verzending van deze uitspraak, nader uit te laten over haar verzoek om
vergoeding van geleden schade.
Van deze uitspraak zijn partijen niet in hoger beroep gekomen.
De Rechtbank Breda heeft vervolgens bij uitspraak van 26 maart 1999
gedaagde veroordeeld tot betaling aan appellante van de in deze
uitspraak omschreven wettelijke rente en hetgeen meer of anders is
gevorderd, afgewezen.
Appellante is bij gemachtigde mr. M.P.J. Letschert, advocaat te Tilburg,
van de uitspraak van 26 maart 1999 op bij aanvullend beroepschrift (met
bijlagen) van 25 november 1999 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 17 januari 2000, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 april
2001, waar voor appellante zijn verschenen haar directeur [B.] en mr.
Letschert, voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen mr. M.P.
Romijn, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Desgevraagd hebben partijen bij brieven van 26 februari 2002,
onderscheidenlijk 27 februari 2002 toestemming gegeven als bedoeld in
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
II. MOTIVERING
Aan de hiervoor vermelde uitspraak van 20 mei 1998 ontleent de Raad het
volgende.
Appellante is blijkens het Handelsregister sedert 21 januari 1994
werkzaam en heeft als bedrijfsomschrijving: het op projectbasis verlenen
van technische diensten en logistieke ondersteuning in de industriële
sfeer alsmede de handel in materialen ten behoeve daarvan. Bestuurders
van appellante zijn de persoonlijke vennootschappen van [A.] en [B.].
[V.] (hierna: [V.]) is een Amerikaanse onderneming werkzaam sedert 1
januari 1995 en gevestigd te Ogden in de staat Utah. De heren [C.] en
[D.] zijn elk directeur van [V.] en bezitten samen 50% van de aandelen
van [V.].
[V.] heeft met de Koninklijke Luchtmacht (hierna: Klu) een overeenkomst
gesloten, ingaande 1 januari 1995, strekkende tot het verzorgen van het
onderhoud van op enkele vliegbases in Nederland gestationeerde
F16-vliegtuigen. Daartoe worden met name in de Verenigde Staten van
Amerika technici geworven, die vervolgens worden uitgezonden naar
Nederland. Het geworven personeel sluit een arbeidsovereenkomst met [V.]
en is op detacheringsbasis werkzaam bij de Klu.
Appellante treedt in Nederland op als agent van [V.] en verzorgt namens
[V.] onder meer de praktische uitvoering van het contract met de Klu,
waaronder begrepen de logistieke ondersteuning en de behartiging van
(andere) praktische zaken van de Amerikaanse werknemers van [V.].
De inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen te Tilburg heeft op
24 februari 1995 besloten [V.] voor de heffing van de
loonbelasting/premies volksverzekeringen ten aanzien van personen die
zij in Nederland in dienst heeft met ingang van 1 januari 1995 aan te wijzen als inhoudingsplichtige, onder de
voorwaarde dat ten aanzien van die personen de loonboekhouding wordt
gehouden ten kantore van appellante.
Op 28 juli 1995 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) aan
appellante bericht dat de SVB akkoord is gegaan met het aangaan van een
overeenkomst met het Department of Health & Human Services te
Baltimore, ertoe strekkende dat 13 werknemers van [V.] gedurende hun verblijf in Nederland onder de
Amerikaanse sociale wetgeving blijven vallen. De akkoordverklaring ziet
op 1995, met de mogelijkheid van verlenging met 1996. Uit een bij deze
brief gevoegde rapportage blijkt dat voorts rekening is gehouden met een
groep andere, op basis van een detacheringsverklaring, vanaf 1 januari
1995 in Nederland voor de Klu werkzame Amerikaanse werknemers.
Bij besluit van 16 september 1996 heeft gedaagde zich op het standpunt
gesteld dat appellante premies verschuldigd is ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten over de aan de hier te lande werkzame
Amerikaanse F16-monteurs verrichte betalingen. Dit standpunt heeft
gedaagde na gemaakt bezwaar van de zijde van appellante
gehandhaafd bij besluit van 22 mei 1997.
Bij haar uitspraak van 20 mei 1998 heeft de rechtbank laatstvermeld
besluit getoetst aan het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 8
december 1987 en het daarbij behorende Administratief Akkoord voor de
toepassing van het Verdrag. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat
de aanname van gedaagde dat de betrokken Amerikaanse werknemers
verplicht verzekerd zijn op grond van de Nederlandse sociale
werknemersverzekeringswetten en deswege appellante op grond van deze
wetten gehouden is premies in te houden, in strijd moet worden geacht
met het Verdrag en het daarbij behorende Administratief Akkoord.
Vervolgens heeft de rechtbank bij deze uitspraak beslist, zoals hiervoor
in rubriek I is aangegeven.
De door appellante aangevallen uitspraak van de rechtbank van 26 maart
1999 ziet op het door appellante in beroep tegen het besluit van 22 mei
1997 gedane verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb. Appelante
had verzocht om vergoeding van schade, bestaande uit wettelijke rente
over door haar betaalde premies en door haar gemaakte kosten in bezwaar
en beroep, alsmede schade geleden ten gevolge van gederfde winst en
omzet, waaronder begrepen nodeloos gemaakte huisvestingskosten en kosten
voor de huur van auto's ten behoeve van Amerikaanse F16-monteurs.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank uitsluitend het verzoek
om gedaagde te veroordelen in de betaling van de wettelijke rente over
de door appellante betaalde premiebedragen gehonoreerd. Voor het overige
heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Omtrent de geclaimde kosten van het beroep heeft de rechtbank overwogen
dat de regeling, vervat in artikel 8:75 van de Awb in samenhang met het
Besluit proceskosten bestuursrecht, een exclusief en forfaitair karakter
draagt en deswege proceskosten die verband houden met de behandeling van
het beroep en die de bij de uitspraak van 20 mei 1998 toegekende
vergoeding te boven gaan, niet op basis van artikel 8:73 van de Awb voor
vergoeding in aanmerking komen.
Inzake de kosten gemaakt in bezwaar heeft de rechtbank overwogen dat van
schadeplichtigheid eerst sprake kan zijn indien gedaagde het primaire
besluit op uiterst onzorgvuldige wijze, casu quo "tegen beter weten
in" heeft genomen. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de
rechtbank geen sprake geweest. Het betreft hier een interpretatie van
een verdrag, waarbij niet kan worden geoordeeld dat gedaagdes standpunt
daarover zodanig onjuist was dat gesproken kan worden van uiterst
onzorgvuldig handelen of van een handelen "tegen beter weten
in".
Met betrekking tot de gestelde schade bestaande uit gederfde omzet en
winst, alsmede nodeloos gemaakte kosten, welke schade naar de mening van
appellante is veroorzaakt doordat het besluit van gedaagde van 22 mei
1997 en het daarbij gehandhaafde besluit van 16 september 1996 hebben
meegebracht dat de Klu nog slechts een minimale inzet van Amerikaanse
F16-monteurs wenste, heeft de rechtbank overwogen dat het voor het
aannemen van schadeplichtigheid vereiste causaal verband tussen de
onrechtmatig genomen besluiten en de door appellante gestelde schade
ontbreekt. De gestelde schade is naar het oordeel van de rechtbank
veroorzaakt doordat de Klu in afwijking van de met [V.] gesloten
contracten al dan niet in overleg en/of samenspraak met [V.] heeft
willen afzien van Amerikaanse monteurs in de urenomvang die was
afgesproken. De noodzaak van een dergelijke handelwijze in afwijking van
de gesloten contracten en met mogelijk nadeel voor [V.] en voor
appellante is onvoldoende onderbouwd. Appellante heeft niet aannemelijk
kunnen maken dat budgetterings-, casu quo begrotingsperikelen bij de Klu
ertoe hebben geleid dat de Klu tot een geringere inzet dan de
afgesproken arbeidsinzet van Amerikaanse monteurs heeft kunnen
besluiten. De rechtbank heeft het betoog van appellante dat de Klu uit
de ingenomen standpunten en besluiten van gedaagde de indruk zou hebben
gekregen dat appellante het niet zo nauw zou nemen met de van toepassing
zijnde regelgeving, als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. Ook met
betrekking tot de door appellante gestelde omstandigheid dat het als
gevolg van de besluiten van gedaagde moeilijker zou zijn geworden om
Amerikaanse monteurs te werven, heeft de rechtbank geoordeeld dat zulks
onvoldoende is onderbouwd.
Appellante kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank
omtrent de door haar geclaimde kosten gemaakt in bezwaar en het oordeel
van de rechtbank met betrekking tot de door haar geleden schade
bestaande uit gederfde winst en omzet.
Met betrekking tot de in bezwaar gemaakte kosten heeft appellante
aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het in dit
geval niet slechts gaat om een verschil van inzicht omtrent de
interpretatie van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika en het
daarbij behorende Administratief Akkoord. In haar visie kon gedaagde
weten dat met de afgifte van de detacheringsverklaringen was gegeven dat
de Amerikaanse F16-monteurs niet ingevolge de Nederlandse sociale
werknemersverzekeringswetten verplicht verzekerd waren. In ieder geval
acht appellante het uiterst onzorgvuldig dat gedaagde geen navraag heeft
gedaan over de bewijskracht van de detacheringsverklaringen bij de
Belastingdienst en in het bijzonder bij de SVB.
Met betrekking tot de gederfde omzet en winst heeft appellante erop
gewezen dat zij ten gevolge van de besluiten van gedaagde van 16
september 1996 en 22 mei 1997 werd geconfronteerd met premienota's over
de jaren 1995 tot en met augustus 1998 ten bedrage van f 600.000,--. Bij
de vaststelling van de vergoeding die zij ontving van [V.] voor de
logistieke ondersteuning van de F16-monteurs was hiermede - naar uit de
uitspraak van de rechtbank van 20 mei 1998 blijkt terecht - geen
rekening gehouden. Aangezien appellante als jonge onderneming niet over
de financiële reserves beschikte om deze nota's te voldoen dreigde voor
de Klu een aansprakelijkstelling op grond van artikel 16a van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV). Dat de Klu vervolgens besloot tot een
minimale inzet van Amerikaanse F16-monteurs is dan ook in de visie van
appellante niet alleen alleszins begrijpelijk, maar ook een direct
gevolg van de onrechtmatige besluitvorming van gedaagde. Ten bewijze
hiervan heeft appellante een brief van 1 oktober 1999 overgelegd van het
Hoofd Sectie Verwerving Jachtvliegtuigen, Directie Materieel, Afdeling
Jachtvliegtuigen, van de Klu. Appellante heeft voorts in hoger beroep
herhaald hetgeen zij in eerste aanleg heeft gesteld omtrent de indruk
die de Klu kreeg van appellante inzake de naleving van de van toepassing
zijnde regelgeving, alsmede de afwachtende houding van potentiële
F16-monteurs om hier te lande te worden gedetacheerd.
Gedaagde van zijn kant heeft omtrent de in bezwaar gemaakte kosten
gesteld dat hij kon menen dat een juiste toepassing was gegeven aan de
hier aan de orde zijnde verdragsbepalingen. Gedaagde erkent dat hij niet
zorgvuldig heeft gehandeld doordat hij niet in overleg is getreden met
het bevoegde orgaan, om welke reden hij heeft berust in de uitspraak van
20 mei 1998, doch zulks betekent naar zijn mening nog niet dat de
vaststelling van de verzekerings- en premieplicht tegen beter weten in
is genomen.
Met betrekking tot de gederfde omzet en winst heeft gedaagde onder
verwijzing naar 's Raads uitspraken van 7 april 1999, RSV 1999/ 257 en
258, gesteld dat de gestelde schade gelet op de aard van de
aansprakelijkheid en van de schade niet kan worden toegerekend aan zijn
besluiten van 16 september 1996 en 22 mei 1997. Naar de mening is de
schade veroorzaakt doordat contractspartijen de door hen gesloten
contracten gedeeltelijk niet zijn nagekomen. Deze omstandigheid ligt
buiten de werkings- en bevoegdheidssfeer van gedaagde.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Omtrent de geclaimde kosten gemaakt in bezwaar volgt de Raad het oordeel
van de rechtbank en het standpunt van gedaagde. Vooropgesteld dat
gemaakte kosten in een bestuurlijke voorprocedure in beginsel voor
rekening van betrokkene komen, ziet de Raad te dezen geen grond voor het
oordeel dat de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken heeft
vertoond dat moet worden vastgesteld dat gedaagde tegen beter weten in
een onrechtmatig besluit heeft genomen. De omstandigheid dat, gegeven de
uitspraak van de rechtbank van 20 mei 1998, gedaagde aan de
detacheringsverklaringen niet die betekenis heeft toegekend die hij
daaraan had moeten toekennen, betekent nog niet dat gedaagde zijn
besluit van 16 september 1996 tegen beter weten in heeft genomen. Niet
kan worden staande gehouden dat gedaagde wist, althans behoorde te weten
dat hij niet tot dit besluit kon komen. De omstandigheid dat, naar
gedaagde zelf heeft erkend, hij in overleg had moeten treden met de SVB,
maakt dit niet anders. Hiermee is slechts een gebrekkige besluitvorming
gegeven, doch niet in een mate als vorenbedoeld.
Met betrekking tot de schade bestaande uit gederfde omzet en winst,
waaronder begrepen nodeloos gemaakte kosten, merkt de Raad op dat naar
vaste jurisprudentie bij de beoordeling van een verzoek om veroordeling
tot vergoeding van geleden schade als gevolg van een vernietigd besluit
zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het civielrechtelijke
schadevergoedingsrecht. Daarbij geldt dat voor vergoeding slechts in
aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis
waarop de aansprakelijkheid van de aangesprokene berust, dat zij hem,
mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een
gevolg van die gebeurtenis kan worden toegerekend. In het kader van de
toepassing van artikel 8:73 van de Awb betekent dit dat wil een verzoek
om schadevergoeding voor inwilliging in aanmerking komen de gestelde
schade in zodanig verband moet staan met het vernietigde besluit dat zij
het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van
de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Bij de
beoordeling of toegerekend moet worden, acht de Raad ook de aard en de
strekking van het vernietigde besluit een relevante factor.
Vastgesteld moet worden dat de Klu met [V.] had gecontracteerd over de
inzet van Amerikaanse F16-monteurs hier te lande en daarnaast appellante
met [V.] had gecontracteerd over de logistieke ondersteuning van deze
monteurs. De schade die appellante stelt te hebben geleden, is een
uitvloeisel van de wijze waarop de Klu en [V.] hun (contractuele)
relatie naar aanleiding van de besluitvorming van gedaagde nader hebben
ingevuld. Dat deze nadere invulling een voorzienbaar en onontkoombaar
gevolg was van deze besluitvorming, acht de Raad met de rechtbank door
appellante niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dit betekent
dat er geen grond aanwezig is om de gestelde schade toe te rekenen aan
de onrechtmatig genomen besluiten. Hieraan kan niet afdoen dat de
reactie van de Klu op het door gedaagde ingenomen standpunt omtrent de
verzekeringsplicht van de monteurs in het licht van artikel 16a van de
CSV zeer wel voorstelbaar is. Ook hetgeen van de zijde van appellante
overigens is aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat de door haar
geleden schade moet worden toegerekend aan het besluit van 22 mei 1997.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en deswege
de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr.
L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 maart
2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.H. Vogt.
|
|