|
Uitspraak
99/5339
CSV, 99/5377 CSV, 00/1322 CSV en 00/1323 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[werkgever I] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], en [werkgever II]
B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], beide appellanten,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Gedaagde heeft ten aanzien van appellanten op 24 september 1998
besluiten afgegeven, waarbij hun bezwaren tegen de aan hen opgelegde
correctienota's over de jaren 1994 tot en met 1997 en boetenota's over
de jaren 1994 tot en met 1996 ongegrond zijn verklaard.
De beroepen van appellanten zijn in eerste aanleg behandeld door de
Rechtbank 's-Gravenhage. Bij uitspraken van 1 september 1999 zijn de beroepen gegrond verklaard en de bestreden
besluiten vernietigd voor zover daarbij de correcties ter zake van de
kasmalversaties en de werkzaamheden van [werknemer] zijn gehandhaafd;
daarbij is bepaald dat gedaagde nieuwe besluiten dient te nemen; en zijn
voor het overige de beroepen ongegrond verklaard.
Namens appellanten is tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld.
Van de zijde van gedaagde zijn verweerschriften ingediend.
Ter uitvoering van de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage heeft
gedaagde bij besluiten van 15 februari 2000 de bezwaren van appellanten
tegen de correctie- en boetenota's over de jaren 1995 en 1996 voor zover
deze betrekking hebben op de geconstateerde kasmalversaties alsnog
gegrond verklaard en deze nota's niet langer gehandhaafd. De bezwaren
tegen de correctie- en boetenota's over het jaar 1994 ter zake van de
verzekeringsplicht van [werknemer] worden daarbij wederom ongegrond
verklaard.
Daartoe in de gelegenheid gesteld is namens appellanten bij brief van 28
november 2001 alsnog gereageerd op laatstgenoemde besluiten van 15
februari 2000.
Desgevraagd heeft gedaagde daarop bij schrijven van 15 januari 2002 zijn
reactie gegeven.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
6 maart 2002, waar appellanten zijn verschenen bij hun gemachtigde M.
van Veenen, assistent accountant bij het kantoor Langeveld &
Sigtermans accountants, en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
In 1997 zijn bij appellanten looncontroles uitgevoerd, waarbij onder
meer is gebleken dat zij in het kader van de uitoefening van hun
wegtransportbedrijven gebruik hebben gemaakt van (zelfstandige)
chauffeurs van buiten de bedrijven, die niet in de loonadministratie
zijn verantwoord. Uit het looncontrolerapport is tevens gebleken dat
veelvuldig bedragen in de kasadministratie achteraf zijn gewijzigd.
Bij de bestreden besluiten van 24 september 1998 heeft gedaagde zich op
het standpunt gesteld dat de arbeidsverhouding tussen appellanten en
[werknemer] (hierna: [werknemer]) in 1994 dient te worden aangemerkt als
een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat sprake is van
verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten; dat ten aanzien van het beroep op het
vertrouwensbeginsel reeds in 1994 is gewezen op de eventuele verplichte
verzekering van [werknemer] en dat aan het enkel uitblijven van een
beslissing daarover niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden
ontleend, dat gedaagde van premievaststelling ter zake van de verrichte
loonbetalingen zou afzien; dat ten aanzien van [werknemer] niet is
gebleken dat er sprake is geweest van een vast aantal overeengekomen
uren, zodat [werknemer] als verplicht verzekerd voor de Ziekenfondswet (Zfw)
is te beschouwen; en dat tenslotte ten aanzien van de in de
kasadministratie geconstateerde, veelvuldig verrichte betalingen aan
anonieme personen worden aangemerkt als loonbetalingen aan anonieme
personen.
Aan de oplegging van de boete ligt het standpunt van gedaagde ten
grondslag dat het niet juist of niet volledig voldoen aan de in artikel
10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) bedoelde
verplichting tot het doen van loonopgave, in de onderhavige gevallen het
gevolg is van opzet en /of grove schuld. Aangezien het een eerste
verzuim betrof, zijn de aan appellanten opgelegde boetes overeenkomstig
het bepaalde in het Besluit Administratie Boeten Coördinatiewet (ABC-besluit)
gematigd tot 25% van de ambtshalve vastgestelde premies en zijn de
boetes onder toepassing van het evenredigheidsbeginsel verder gematigd
tot 10% voor het jaar 1994 en tot 5% voor de jaren 1995 en 1996.
Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank zich op het standpunt
gesteld dat gedaagde terecht heeft aangenomen dat de door [werknemer]
voor appellanten verrichte werkzaamheden in een privaatrechtelijke
dienstbetrekking zijn verricht en derhalve terecht op grond van
verplicht verzekerd zijn voor de sociale werknemersverzekeringswetten
een ambtshalve correctie over 1994 is opgelegd. Naar het oordeel van de
rechtbank kunnen evenwel de opgelegde correctienota's over 1994 niet
gehandhaafd blijven in verband met het ontbreken van een voldoende
draagkrachtige motivering.
Ter zake van de kasmalversaties is de rechtbank tot de conclusie gekomen
dat gedaagde ten onrechte heeft vastgehouden aan zijn standpunt dat in
casu sprake is van loonbetalingen aan anonieme personen, zodat de
daaraan ten grondslag gelegde correcties en de daarop gebaseerde
boetebesluiten ten onrechte gehandhaafd zijn.
Namens appellanten is tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld. Zij
kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat noch uit
het uitblijven van een beslissing op bezwaar noch uit de tekst van een
beslissing van 28 april 1997, gericht aan de rechtsvoorgangers van
appellanten vertrouwen ontleend kon worden dat in de toekomst van een
correctie zou worden afgezien. Tevens kunnen zij zich niet verenigen met
het oordeel van de rechtbank dat de arbeidsverhouding met [werknemer] is
te beschouwen als een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in
artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Voorts is namens
appellanten nog gesteld dat, zo er al sprake zou zijn van een
dienstbetrekking, [werknemer] minder dan het maximum dagloon per dag
heeft verdiend en dat [werknemer] tevens niet verplicht verzekerd is
voor de Zfw.
Gedaagde heeft berust in de aangevallen uitspraken. Op 15 februari 2000
heeft gedaagde ter uitvoering van voormelde uitspraken nieuwe besluiten
genomen. Daar zijn de bezwaren tegen de correctie- en boetenota's over
de jaren 1995 en 1996 gegrond verklaard en zijn deze nota's komen te
vervallen. De bezwaren tegen de correctie- en boetenota's over het jaar
1994 ter zake van de verzekeringsplicht van [werknemer] zijn wederom
ongegrond verklaard.
Tegen deze besluiten is beroep ingesteld bij de rechtbank. Gelet op
artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet
naar het oordeel van de Raad onder een besluit als bedoeld in artikel
6:18, eerste lid, van de Awb ook worden verstaan een nieuw besluit op
bezwaarschrift dat wordt genomen terwijl hoger beroep aanhangig is tegen
de uitspraak waarbij het oorspronkelijke besluit op het bezwaarschrift
(gedeeltelijk) is vernietigd.
Aangezien met de besluiten van 15 februari 2000 aan de bezwaren niet
volledig tegemoet is gekomen, is de Raad van oordeel dat in hoger beroep
ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de
Awb tevens de besluiten van 15 februari 2000 in geding zijn.
De Raad overweegt het volgende.
1. Met betrekking tot het vertrouwensbeginsel
Evenals de rechtbank en met overneming van de daartoe door haar
gebezigde gronden is de Raad van oordeel dat niet gesproken kan worden
van opgewekt, gerechtvaardigd vertrouwen dat rechtens dient te worden
gehonoreerd.
Hetgeen van de kant van appellanten in hoger beroep is aangevoerd, bevat
in vergelijking met het in eerste aanleg aangevoerde geen wezenlijke
nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad ook niet tot een ander oordeel
kunnen brengen.
2. Met betrekking tot de verzekeringsplicht
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellanten richten zich op de uitoefening van het wegtransportbedrijf,
waaronder begrepen exceptioneel transport, diepladertransport en
afzetcontainervervoer.
Op grond van een bij appellanten gehouden looncontrole is gebleken dat
[werknemer] die vóór 1994 bij appellanten in loondienst werkzaam was,
veelal voor appellanten reed terwijl hij zelf tot begin 1995 niet in het
bezit was van een geldige vervoersvergunning. Hij maakte daarbij gebruik
van een eigen geleasde vrachtauto, waarvoor appellanten garant stonden.
Daarnaast verrichtte hij een deel van zijn vervoerswerkzaamheden op een
vrachtauto van appellanten.
Onder meer op grond van deze onderzoeksgegevens heeft gedaagde
vastgesteld dat er sprake was van verzekeringsplichtige arbeid in de zin
van de sociale werknemersverzekeringswetten, omdat alle voor een
dienstbetrekking vereiste elementen, zijnde de verplichting tot
persoonlijke dienstverrichting, de verplichting tot loonbetaling en
gezagsverhouding, aanwezig werden geacht.
Gedaagde heeft zich vervolgens bij de bestreden besluiten op het
standpunt gesteld dat de betalingen aan [werknemer] aangemerkt dienen te
worden als loonbetalingen en heeft derhalve correcties opgelegd voor het
jaar 1994.
Namens appellanten is tegen dit standpunt met name ingebracht dat tussen
hen en [werknemer] geen sprake was van een gezagsverhouding en dat
[werknemer] als zelfstandige ondernemer met meerdere opdrachtgevers
debiteurenrisico liep. [werknemer] was immers vrij om al dan niet voor
appellanten te rijden en zou in principe de ritten tegen vaste prijzen
kunnen uitbesteden aan een derde. Daarbij is met name op de zitting van
de Raad aangevoerd dat in feite [werknemer] juist niet afhankelijk was
van de vervoersvergunningen van appellanten; immers ook andere
opdrachtgevers maakten gebruik van zijn diensten.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Evenals de rechtbank, neemt de Raad aan dat [werknemer] in een
privaatrechtelijke dienstbetrekking voor appellanten werkzaam was. De
Raad is van oordeel dat aan de voorwaarden voor het aannemen van een
zodanige dienstbetrekking is voldaan. De Raad overweegt daartoe dat op
het moment dat [werknemer] een opdracht aanvaard had, hij gehouden was
de werkzaamheden persoonlijk te verrichten. Hij werd immers door
appellanten benaderd in verband met zijn kwaliteiten als
goederenvervoerder.
Voorts staat vast dat [werknemer] per rit, dan wel per uur bij gebruik
van vrachtauto van appellanten, werd betaald, zodat ook de
loonbetalingsverplichting aanwezig was.
Wat betreft de tussen [werknemer] en appellanten bestaande
gezagsverhouding hecht de Raad grote waarde aan de omstandigheid dat
[werknemer] tot begin 1995 niet in het bezit was van de vereiste
vergunning ingevolge de Wet goederenvervoer over de weg, op grond
waarvan hij gerechtigd was zelfstandig vervoer te verzorgen. Tot dat
moment was hij afhankelijk van de vergunning(en) van appellanten,
waardoor naar het oordeel van de Raad het ontbreken van gezag niet
waarschijnlijk is, ook al brengt de aard van de werkzaamheden mee dat
dit gezag niet manifest aanwezig zal zijn.
De stelling namens appellanten dat [werknemer] gereden zou hebben zonder
een vergunning van appellanten doet daaraan niet af. Volgens vaste
jurisprudentie van de Raad vervalt deze sterke indicatie voor de
aanwezigheid van gezag slechts op het moment dat een chauffeur
daadwerkelijk over een eigen vervoersvergunning beschikt.
3. Met betrekking tot maximum premieloon
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Het systeem van de verzekeringsplicht ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw)
houdt in dat een werknemer in de zin van onder meer de Ziektewet voor de
Zfw verzekerd is, tenzij zijn loon hoger is dan het in artikel 3, eerste
lid, onder van a, van de Zfw genoemde bedrag. Bij de beantwoording van
de vraag of hiervan sprake is, is het vierde lid van dit artikel van
beslissende betekenis. In dit vierde lid wordt onder loon, voor zover
hier van belang, verstaan "elke overeengekomen vaste, naar
tijdsruimte en in geld vastgestelde uitkering".
Aangezien, gelet op de gedingstukken, niet is gebleken dat er in casu
sprake is van een vast aantal overeengekomen uren en deswege van een
vast loon, is de Raad van oordeel dat gedaagde [werknemer] terecht als
verplicht verzekerd voor de Zfw heeft beschouwd.
4. De besluiten van 15 februari 2000
Ter zake van deze besluiten is de vraag aan de orde of gedaagde daarmee
een juiste uitvoering heeft gegeven aan hetgeen in de aangevallen
uitspraken daaromtrent is gesteld.
Namens appellanten is dienaangaande aangevoerd dat gedaagde bij de
berekening van de correcties over 1994 niet heeft voldaan aan de
opdracht, gegeven door de rechtbank in de aangevallen uitspraken, dat
bij de bepaling van het premieloon tevens rekening dient te worden
gehouden met de in de beloning begrepen vergoeding voor het gebruik van
de trekker en dat verder tevens rekening gehouden dient te worden met de
in de branche dwingend voorgeschreven CAO-vergoedingen en het in de
branche en met name bij appellanten gebruikelijk loon.
De Raad kan appellanten hierin niet volgen. In de aangevallen uitspraken
is de rechtbank immers tot de conclusie gekomen dat de correcties over
1994 niet tot de juiste omvang is doorgevoerd, omdat op grond van de
gedingstukken onvoldoende is onderbouwd dat de vergoedingen die
[werknemer] enkele malen als chauffeur heeft ontvangen ook als algemeen
uitgangspunt in de onderhavige berekeningen gehanteerd had mogen worden.
Een nadere toelichting mede in relatie tot de uurlonen in de sector dan
wel bij appellanten zelf kon daarbij niet worden gemist.
Naar aanleiding van deze uitspraken heeft gedaagde blijkens het
looncontrolerapport van 27 december 1999 vervolgens een aanvullend
looncontrole laten plaatsvinden bij appellanten, waarbij gesproken is
met de directeuren van appellanten, alsmede de administrateur [werknemer
I]. Omdat deze gesprekken geen duidelijkheid konden verschaffen omtrent
het uurtarief voor de werkzaamheden van [werknemer], zijn vervolgens bij
appellanten opgevraagd alle facturen en de bijlagen. Aan de hand daarvan
zijn uiteindelijk bij de besluiten van 15 februari 2000 de correcties
over 1994 gehandhaafd.
Ook voor de Raad is, op basis van deze verzamelde gegevens waarbij
betrokken is de hoogte van de salarissen in deze branche, genoegzaam
komen vast te staan dat [werknemer] meer verdiende dan het maximum
premieloon ad f 286,- per dag. Uitgaande van dit maximum premieloon voor
de werknemersverzekeringen zou [werknemer] eerst bij een uurtarief van f
24,78 ( inclusief alle toeslagen) onder dit maximum blijven. Gelet op
het feit dat [werknemer] zelf in een aantal gevallen waarbij hij geen
gebruik heeft gemaakt van zijn eigen trekker appellanten een bedrag van
f 35,- per uur in rekening heeft gebracht, blijft hij ieder geval boven
bovengenoemd bedrag van f 24,78.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Awb
Al het vorenstaande overziende en met inachtneming van de beperking tot
de hiervoor genoemde geschilpunten komt de Raad tot de volgende
beslissing.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de beroepen voorzover deze geacht moeten worden te zijn
gericht tegen de besluiten van 15 februari 2000 ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|