|
Uitspraak
00/552
CSV en 00/636 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[A.], wonende te [B.], hierna: belanghebbende,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, hierna: het bestuursorgaan.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 11 november 1998 heeft het bestuursorgaan ongegrond
verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen het besluit van 30
december 1996, waarbij zij op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door de
[X.] B.V. verschuldigde, doch niet betaalde premies voor de sociale
werknemersverzekeringswetten over de jaren 1991 en 1992, zulks ten
bedrage van f 199.120,54.
De Rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 28 december 1999 het
namens belanghebbende tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard, voorzover dit beroep is gericht tegen de handhaving van de
aansprakelijkstelling van belanghebbende voor de verhoging, dat besluit
in zoverre vernietigd, het bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten
van belanghebbende en bepaald dat het bestuursorgaan het griffierecht
dient te vergoeden.
Belanghebbende is bij gemachtigde mr. E.P. Groot, advocaat te Groningen,
op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad
in hoger beroep gekomen.
Het bestuursorgaan is op bij aanvullend beroepschrift van 20 april 2000
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Partijen hebben bij brieven van 22 mei 2000 en 13 juni 2000 van verweer
gediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 maart
2002, waar voor belanghebbende is verschenen mr. J.M. de Nooij,
kantoorgenote van mr. Groot, voornoemd, en waar voor het bestuursorgaan
- daartoe ambtshalve opgeroepen - is verschenen mr. R.P. Bourne,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Belanghebbende was van 10 september 1991 tot 18 maart 1992 de enige
bestuurder en tevens enige aandeelhouder van de [X.] B.V. te [Y.]. De
feitelijke leiding berustte bij [C.], de ex-echtgenoot van
belanghebbende. Hij was voordien eigenaar van de eenmanszaak het [Z.].
De activiteiten van deze eenmanszaak zijn overgedragen aan de
vennootschap. Per 18 maart 1992 is de vennootschap ontbonden met
benoeming van [C.] tot vereffenaar. Per die datum heeft belanghebbende
ook de aandelen in de vennootschap aan hem verkocht.
Bij een onderzoek in verband met een verzoek om deblokkering van de
G-rekening van het [Z.] kwamen zoveel onregelmatigheden aan het licht
dat door de Belastingdienst een nader onderzoek is ingesteld bij dit
bedrijf en de vennootschap waarvan belanghebbende bestuurder is geweest.
Van dit nadere onderzoek, waarbij ook het bestuursorgaan betrokken is
geweest, is op 10 september 1993 rapport opgemaakt. Blijkens dit rapport
had de vennootschap omvangrijke bedragen aan uitbetaalde lonen niet in
de administratie verantwoord en daarover ook geen premies afgedragen.
Op 14 december 1993 en 16 december 1993 heeft het bestuursorgaan de
vennootschap correctienota's over 1991 en 1992 doen toekomen. Tevens
heeft het bestuursorgaan over 1991 op 27 december 1993 een boete
opgelegd ten bedrage van 100% van de over dat jaar alsnog verschuldigde
premies. Daarbij heeft het bestuursorgaan zich op het standpunt gesteld
dat er sprake is geweest van omvangrijke fraude.
Betaling van de nota's is uitgebleven, waarna het bestuursorgaan
belanghebbende bij brief van 24 oktober 1996 in kennis heeft gesteld van
zijn voornemen haar op grond van artikel 16d van de CSV als gewezen
bestuurder hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de in de periode
waarin zij bestuurder was, ontstane premieschulden, waaronder begrepen
de opgelegde boete, zulks ten bedrage van in totaal f 199.120,54.
Bij besluit van 30 december 1996 is het bestuursorgaan overgegaan tot
aansprakelijkstelling van belanghebbende voor de niet-betaling van dit
bedrag. Bij zijn besluit van 11 november 1998 heeft het bestuursorgaan
dit besluit gehandhaafd. Daarbij heeft het bestuursorgaan voor wat
betreft de niet-betaling van de premies overwogen dat belanghebbende er
niet in is geslaagd het wettelijk vermoeden dat het niet betalen van de
premies het gevolg is van aan haar te wijten kennelijk onbehoorlijk
bestuur, te weerleggen. Voor wat betreft de niet-betaling van de boete
heeft het bestuursorgaan zich op het standpunt gesteld dat
belanghebbende op goede gronden ook hiervoor aansprakelijk is gesteld,
nu het niet verantwoorden van loonbetalingen in dit geval moet worden
gekwalificeerd als het gevolg van fraude van haar kant en zij wist dan
wel behoorde te weten dat over de niet-verantwoorde loonbetalingen
premies verschuldigd waren.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 11
november 1998 vernietigd voorzover belanghebbende daarbij ook
aansprakelijk is gesteld voor de niet-betaling van de boete.
Met betrekking tot de aansprakelijkstelling voor de verschuldigde premie
is in deze uitspraak, waarin belanghebbende is aangeduid als eiseres en
het bestuursorgaan als verweerder, het volgende overwogen:
"In navolging van bestendige jurisprudentie van de Centrale Raad
van Beroep overweegt de rechtbank dat een ieder die zich laat benoemen
tot bestuurder van een rechtspersoon daarmee de verantwoordelijkheid
voor het (financiële) beleid van die rechtspersoon op zich neemt. Hij
dient zich dan ook op de hoogte te houden van de financiële toestand
van de rechtspersoon en ter zake adequate maatregelen te treffen. Een
bestuurder kan zich niet van zijn verantwoordelijkheid onttrekken door
zich afzijdig te houden van het bestuur van die rechtspersoon.
Eiseres heeft in dit licht naar het oordeel van de rechtbank niet
aannemelijk gemaakt dat het niet betalen van de verschuldigde premie
niet het gevolg is geweest van aan haar te wijten kennelijk onbehoorlijk
bestuur."
Met betrekking tot de aansprakelijkheid voor de opgelegde boete heeft de
rechtbank gelet op artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het volgende overwogen:
"Niet kan dan ook - in dit geval - worden volstaan met vaststellen
dat [X.] B.V. een verzuim heeft gepleegd en dat eiseres voor de terzake
van dat verzuim opgelegde boete aansprakelijk is. Vast moet staan dat
eiseres zelf een verzuim heeft gepleegd waarvoor haar een boete
ingevolge artikel 12, tweede lid, CSV kan worden opgelegd. In het licht
van artikel 6, tweede lid, EVRM moet verweerder tevens aantonen dat
eiseres een verwijt treft van dit verzuim.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit
onvoldoende dat eiseres het vastgestelde - door verweerder als fraude
gekwalificeerde - verzuim zelf heeft gepleegd - hetgeen overigens ook
een nalaten iets te doen kan inhouden -, en a fortiori dat eiseres
terzake daarvan een verwijt treft. Uit de overwegingen van dit besluit
alsook hetgeen verweerder ter zitting desgevraagd te berde heeft
gebracht, valt niet meer op te maken dan de - gemotiveerde -
vaststelling door verweerder dat fraude is gepleegd en dat eiseres als
bestuurder aansprakelijk is voor (het niet betalen van) de boete."
Belanghebbende is in hoger beroep gekomen omdat zij zich niet kan
verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de
aansprakelijkheid voor de niet-betaling van de premies. Naar haar mening
zijn het bestuursorgaan en de rechtbank uitgegaan van een onjuiste
uitleg van artikel 16d van de CSV. In haar visie kan haar niet worden
verweten dat de vennootschap geen melding van betalingsonmacht heeft
gedaan en is het dan ook aan het bestuursorgaan om te bewijzen dat er
daadwerkelijk sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Zij
heeft er in dit verband ook op gewezen dat zij destijds als bestuurder
de juiste weg heeft bewandeld door het aanstellen van een
bedrijfsleider. Voorts heeft belanghebbende gesteld dat de
premievaststelling voor het jaar 1991 is verjaard en zij over de
niet-betaling daarvan dan ook niet aansprakelijk gesteld kon worden.
Daarbij heeft belanghebbende ook een beroep gedaan op 's Raads uitspraak
van 20 mei 1996 (RSV 1996/231).
Het bestuursorgaan is in hoger beroep gekomen omdat het zich niet kan
verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de
aansprakelijkheid van belanghebbende voor de niet-betaling van de
opgelegde boete. Naar zijn mening behoeft het slechts te bewijzen dat
het kennelijk onbehoorlijk bestuur waarop de aansprakelijkstelling
berust, bestaat uit zodanige gedragingen dat daaruit volgt dat het aan
opzet of grove schuld van het bestuur als collectief verweten kan worden
dat er te weinig premie is geheven. Niet bewezen behoeft te worden dat
belanghebbende zelf een verzuim heeft gepleegd waarvan haar een verwijt
kan worden gemaakt. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft het
bestuursorgaan gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1997 (BNB
1997/275).
Met betrekking tot het hoger beroep van belanghebbende overweegt de Raad
het volgende.
In artikel 16d van de CSV is neergelegd de aansprakelijkheid van
bestuurders van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam voor de
premie en voorschotpremie verschuldigd door dat lichaam. Gelet op het
bepaalde in artikel 12, vijfde lid, (voorheen het tweede lid) van de CSV
wordt een opgelegde boete als premie beschouwd. In artikel 16d is tevens
neergelegd de verplichting voor een rechtspersoonlijkheid bezittend
lichaam om nadat is gebleken dat het niet tot betaling in staat is,
daarvan onverwijld mededeling te doen aan het bestuursorgaan (mededeling
van betalingsonmacht). Indien het lichaam op een juiste wijze aan deze
verplichting heeft voldaan, is een bestuurder aansprakelijk indien
aannemelijk is dat het niet betalen het gevolg is van aan hem te wijten
kennelijk onbehoorlijk bestuur. Op het bestuursorgaan rust de
bewijslast. Indien evenwel een lichaam niet op juiste wijze aan
evenbedoelde verplichting heeft voldaan, wordt vermoed dat het niet
betalen van de premie het gevolg is van aan een bestuurder te wijten
kennelijk onbehoorlijk bestuur. Tot weerlegging van dit vermoeden wordt
slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan
hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn verplichting heeft
voldaan. Ook een gewezen bestuurder wordt toegelaten tot weerlegging van
dit vermoeden.
In het geval van belanghebbende moet worden vastgesteld dat bij gebreke
van een mededeling van betalingsonmacht het niet aan het bestuursorgaan
is om aannemelijk te maken dat er sprake is geweest van kennelijk
onbehoorlijk bestuur. Het betoog van belanghebbende dat een onjuiste
uitleg is gegeven aan artikel 16d van de CSV vindt dan ook geen steun in
deze wetsbepaling. Het bestuursorgaan heeft belanghebbende als gewezen
bestuurder toegelaten tot weerlegging van het wettelijk vermoeden dat
het niet betalen van de verschuldigde premies het gevolg is van aan haar
te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De Raad moet vaststellen dat
hetgeen belanghebbende daaromtrent heeft aangevoerd, ten enenmale
onvoldoende is om als weerlegging van dit wettelijk vermoeden te gelden.
Het aanstellen van een bedrijfsleider ontheft een bestuurder niet van
zijn verantwoordelijkheid om toe te zien op een juiste afdracht van
verschuldigde premies.
De Raad overweegt voorts dat hij het opleggen van de verschuldigde
premies in december 1993 als een gegeven beschouwt. Deze oplegging heeft
plaatsgevonden binnen de in artikel 13 van de CSV voorgeschreven
termijn. Van verjaring is dan ook geen sprake. Van verjaring van de
aansprakelijkstelling van belanghebbende is al evenmin sprake, nu een
aansprakelijkstelling niet aan een termijn is gebonden. Dit laatste
neemt evenwel niet weg dat, zoals de Raad heeft overwogen in zijn door
belanghebbende genoemde uitspraak, in het geval het bestuursorgaan
zonder noodzaak te lang talmt met een aansprakelijkstelling, een
dergelijk talmen in strijd kan komen met de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur, dan wel met het in artikel 6, eerste lid, van het
EVRM gewaarborgde recht op rechtspraak binnen een redelijke termijn.
Hoewel er na het opleggen van de premies in december 1993 een geruime
tijd is verstreken alvorens het bestuursorgaan bij brief van 24 oktober
1996 zijn voornemen heeft geuit om belanghebbende aansprakelijk te
stellen, ziet de Raad daarin nochtans geen grond om in het geval van
belanghebbende een situatie aanwezig te achten als waarop hij in zijn
uitspraak van 20 mei 1996 het oog heeft gehad. In haar geval is immers
sprake van een naheffing van verschuldigde premies. Gegeven de uit de
wet voortvloeiende aansprakelijkheid van bestuurders voor de
verschuldigde premies, dient een (gewezen) bestuurder er rekening mee te
houden dat zodanige naheffing nog tot vijf jaar na het verstrijken van
het premiejaar waarop die naheffing betrekking heeft, kan plaatsvinden
en daarop ook een aansprakelijkstelling kan volgen. Reeds omdat de
aansprakelijkstelling van appellante gebleven is binnen deze termijn,
faalt haar beroep op de uitspraak van de Raad van 20 mei 1996.
Met betrekking tot het hoger beroep van het bestuursorgaan overweegt de
Raad dat hij met het bestuursorgaan van opvatting is dat de rechtbank
bij de aangevallen uitspraak een te strikte maatstaf heeft gehanteerd
bij de beoordeling van de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor
de boete over 1991. Mede gelet op het door het bestuursorgaan genoemde
arrest van de Hoge Raad is de Raad van oordeel dat het er niet om gaat
of belanghebbende zelf de geconstateerde verzuimen heeft gepleegd. Het
gaat erom of haar van het geconstateerde verzuim een verwijt kan worden
gemaakt. Van dit laatste is zeker sprake, nu gesteld noch gebleken is
dat zij in 1991 als verantwoordelijke bestuurder ook maar iets heeft
ondernomen om tot een juiste verantwoording in de loonadministratie van
de uitbetaalde lonen te komen. De aangevallen uitspraak kan dan ook op
dit onderdeel niet in stand worden gelaten.
Nu de rechtbank tevens heeft verzuimd bij de aangevallen uitspraak het
beroep van belanghebbende, voorzover gericht tegen de
aansprakelijkstelling voor de premies over de jaren 1991 en 1992,
ongegrond te verklaren, zal de Raad onder vernietiging van de
aangevallen uitspraak doen wat de rechtbank had behoren te doen. De Raad
voegt hier nog aan toe dat hij geen termen aanwezig acht om toepassing
te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2002.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.
|
|