|
Uitspraak
00/2611
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 28 oktober 1998 is ongegrond verklaard het bezwaar van
appellant tegen het besluit van 8 juli 1998, waarbij appellant op grond
van artikel 16c, eerste lid onder c, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV) aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gelaten
premies over 1996 van de VOF [bedrijfsnaam 1] en van de VOF [bedrijfsnaam 2]. Voorts is appellant onder toepassing van artikel 16c,
eerste lid onder c, van de CSV aansprakelijk gesteld voor de door
gedaagde ingevolge hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) betaalde
uitkeringen. De aansprakelijkstelling ziet op een bedrag van in totaal f
51.330,16.
Namens appellant is tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Rechtbank
Alkmaar.
Op 9 november 1998 heeft gedaagde een nieuw besluit afgegeven, waarbij
het besluit van 28 oktober 1998 in zoverre is herzien dat de
aansprakelijkstelling voor de onder toepassing van hoofdstuk IV van de
WW betaalde uitkeringen is vervallen en het bedrag van de
aansprakelijkstelling is verlaagd tot f 16.467,08. Voor het overige is
het besluit van 28 oktober 1998 gehandhaafd.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 28 oktober 1998 ingestelde
beroep onder toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 9
november 1998.
Bij uitspraak van 20 maart 2000 heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 28 oktober 1998 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep
voor het overige ongegrond verklaard.
Mr. M.C.A. Stoop, advocaat te Heerhugowaard, heeft namens appellant
tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 26 juli 2000, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 april
2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Stoop, voornoemd. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
M.P. Romijn, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant is aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gelaten premies
over 1996 van zowel de VOF [bedrijfsnaam 1] ten bedrage van f
14.354,- als van de VOF [bedrijfsnaam 2] ten bedrage van f 2.113,08.
De aansprakelijkheid voor de premieschuld van de VOF [bedrijfsnaam 2]
is door appellant erkend, zodat in dit geding uitsluitend de
aansprakelijkheid voor de premieschuld van de VOF [bedrijfsnaam 1]
(verder: de VOF) dient te worden beoordeeld.
Tegen de aansprakelijkstelling voor de premieschuld over 1996 van de VOF is namens appellant aangevoerd dat hij eerst met ingang van 19
september 1996 bestuurder is geworden van de VOF. Appellant stelt zich
op het standpunt dat de aansprakelijkstelling derhalve beperkt dient te
blijven tot de periode vanaf 19 september 1996.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat een bestuurder als bedoeld in
artikel 16c, eerste lid onder c, van de CSV eveneens aansprakelijk is
voor de bij zijn aantreden als bestuurder reeds bestaande
premieschulden. Gedaagde heeft daartoe verwezen naar de memorie van toelichting bij artikel 16d van de
CSV, waarin uitdrukkelijk is vermeld
dat een bestuurder ook aansprakelijk is voor de bij zijn aantreden reeds
bestaande premieschulden. Gedaagde ziet geen aanleiding om de bestuurder
als bedoeld in artikel 16d van de CSV wel aan te spreken voor reeds
bestaande premieschulden en de bestuurder als bedoeld in artikel 16c van
de CSV niet.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolgde artikel 16c, eerste lid onder c, van de CSV is ieder van de
bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en de
voorschotpremie die zijn verschuldigd door een lichaam zonder
rechtspersoonlijkheid of door een rechtspersoonlijkheid bezittend
lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is.
Niet in geschil is dat de VOF over het jaar 1996 een premieschuld
heeft van f 14.354,- en evenmin dat appellant eerst op 19 september 1996
bestuurder van de VOF is geworden. Het geschil spitst zich dan ook
toe op de vraag of appellant onder toepassing van artikel 16c, eerste
lid onder c, van de CSV aansprakelijk kan worden gesteld voor de
premieschuld die is ontstaan vóór zijn aantreden als bestuurder op 19
september 1996.
De Raad beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het
volgende. Noch de tekst van artikel 16c, eerste lid onder c, van de CSV,
noch de toelichting op deze bepaling geven uitsluitsel omtrent de vraag
of een bestuurder in de zin van artikel 16c van de CSV aansprakelijk kan
worden gesteld voor de bij zijn aantreden reeds bestaande premieschuld.
Anders dan gedaagde ziet de Raad in deze omstandigheid echter
onvoldoende aanknopingspunten om voor de vaststelling van de reikwijdte
van de aansprakelijkheid aansluiting te zoeken bij hetgeen hieromtrent
is opgemerkt in de toelichting bij artikel 16d van de CSV. De Raad heeft
daarbij in aanmerking genomen dat de opzet van de
bestuurdersaansprakelijkheid ingevolge artikel 16d van de CSV wezenlijk
verschilt van de opzet van de bestuurdersaansprakelijkheid ingevolge
artikel 16c van de CSV. De Raad heeft daarbij in het bijzonder het oog
op het ontbreken van een disculpatiemogelijkheid in artikel 16c van de
CSV. Indien een bestuurder in de zin van artikel 16d van de CSV
aansprakelijk wordt gesteld voor premieschulden die zijn ontstaan vóór
zijn aantreden zal zijn beroep op disculpatie over het algemeen
gemakkelijk slagen, aldus de Memorie van Toelichting. Hij zal derhalve
eenvoudig aan zijn aansprakelijkheid kunnen ontkomen. Een bestuurder in
de zin van artikel 16c van de CSV die aansprakelijk zou worden gehouden
voor de bij zijn aantreden reeds bestaande premieschuld, zou daarentegen
nooit aan aansprakelijkheid kunnen ontkomen, aangezien hij nu eenmaal
geen disculpatiemogelijkheid heeft. Naar het oordeel van de Raad kan dit
verschil in de omvang van de aansprakelijkheid niet worden
gerechtvaardigd op basis van de verschillen die er bestaan tussen de
beide typen bestuurders. Een redelijke wetstoepassing brengt derhalve
mee dat de aansprakelijkheid van de bestuurder als bedoeld in artikel
16c, eerste lid onder c, van de CSV uitsluitend betrekking kan hebben op
de premieschulden die zijn ontstaan tijdens de periode dat hij
bestuurder was. Voor premieschulden die voordien zijn ontstaan kan
degene aansprakelijk worden gesteld die in die periode als bestuurder
optrad.
Gelet op bovenstaande overwegingen kan het bestreden besluit van 9
november 1998, voor zover daarbij is gehandhaafd de vóór 19 september
1996 ontstane premieschuld van de VOF [bedrijfsnaam 1], geen stand
houden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,-.
De Raad stelt tot slot vast dat het door appellant in beroep en in hoger
beroep gestorte griffierecht door het Uwv dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn
gericht tegen het besluit van 9 november 1998 alsnog gegrond;
Vernietigt dit besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot € 1.288,- te betalen door het Uwv;
Verstaat dat het Uwv aan appellant het gestorte recht van € 102,12
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|