|
Uitspraak
99/3779
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens
verstaan het Lisv.
Namens appellant is mr. A.J.M. van der Borst, advocaat te Etten-Leur, op
bij beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen
van een door de rechtbank Breda onder dagtekening 26 mei 1999 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is bij brief van 20 oktober 1999 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 juli
2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Van der
Borst, voornoemd, en gedaagde zich na bericht niet heeft doen
vertegenwoordigen.
De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend en gedaagde om nadere
informatie gevraagd. Bij brief van 29 augustus 2001 heeft gedaagde deze
informatie verstrekt.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1
november 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
Van der Borst, voornoemd, en gedaagde zich na bericht niet heeft doen
vertegenwoordigen.
Na deze zitting heeft de Raad het onderzoek wederom heropend.
Bij brieven van 17 juni 2002 hebben partijen toestemming gegeven als
bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 25 augustus 1997, kenmerk 10-284709-3, is appellant door
SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V. (hierna: SFB) namens
gedaagde op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV) aansprakelijk gesteld voor een bedrag van f 4.999,68
aan premieschuld voor de sociale werknemersverzekeringswetten, welk
bedrag onbetaald is gebleven bij het faillissement van [X.] B.V.,
handelend onder de naam [Y.].
Bij brief van gelijke datum, eveneens met kenmerk 10-284709-3, is
appellant door SFB namens gedaagde op grond van artikel 18b van de Wet
betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (Wet BPF)
aansprakelijk gesteld voor een bedrag van f 101.316,34 aan bijdragen aan
het bedrijfspensioenfonds, welk bedrag onbetaald is gebleven bij het
faillissement van [Y.].
Namens appellant is bij schrijven van 26 augustus 1997 door mr. P.T.M.
van Loon, werkzaam bij Berk accountants en belastingsadviseurs, bij SFB
pro forma bezwaar gemaakt "tegen de aansprakelijkstelling op grond
van de bestuurdersaansprakelijkheid voor de schulden" van [Y.]. Bij
schrijven van 30 oktober 1997 is door mr. Van Loon, voornoemd, een
aanvullend bezwaarschrift ingediend.
Bij zijn op bezwaar genomen besluit van 19 juni 1998 is gedaagde
ingegaan op zowel de aansprakelijkstelling voor de premieschuld sociale
werknemersverzekeringswetten als de aansprakelijkstelling voor de niet
betaalde pensioenbijdragen. Gedaagde heeft de daartegen aangevoerde
bezwaren ongegrond verklaard en medegedeeld dat er geen aanleiding is
"om op de primaire beslissingen van 25 februari 1997 terug te
komen". Hierbij moet februari kennelijk worden gelezen als
augustus.
Bij de aangevallen uitspraak, waarin gedaagde is aangeduid als
verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"Blijkens de bewoordingen van het bestreden besluit, waar daarin
wordt gesproken over de beslissingen van 25 augustus 1997, heeft dit
betrekking op zowel de premieschuld van f 4.999,68 als op de bijdragen
voor het pensioenfonds van f 101.316,34. Dit sluit ook aan bij de
zogenoemde voorlegger (gedingstuk 26), waarin op pagina 3 aangaande de
primaire beslissing van 25 augustus 1997 een bedrag van f 106.316,02
wordt vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hiermee
buiten de grenzen van de aangevoerde bezwaren getreden, die zich immers
alleen richtten tegen de aansprakelijkstelling voor de premies sociale
verzekeringswetten. Reeds om deze reden dient het beroep gegrond te
worden verklaard wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht en kan het bestreden besluit voorzover dit
betrekking heeft op de bijdragen voor een pensioenfonds niet in stand
blijven.
Het geschil is derhalve beperkt tot de aansprakelijkstelling voor de
premies sociale verzekeringswetten tot een bedrag van f 4.999,68."
De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het bestreden besluit voor
wat betreft deze aansprakelijkstelling wegens strijd met de artikelen
3:2 en 7:12 van de Awb evenmin in stand kan blijven. De rechtbank heeft
het bestreden besluit vernietigd en heeft gedaagde opgedragen een nieuw
besluit te nemen op appellants bezwaren tegen de aansprakelijkstelling
voor de premies sociale werknemersverzekeringswetten, zulks met
inachtneming van haar uitspraak.
Het aanvankelijk door gedaagde ingestelde hoger beroep is ingetrokken,
zodat de door gedaagde in het verweerschrift tegen de aangevallen
uitspraak aangevoerde bezwaren buiten behandeling moeten blijven.
Het namens appellant ingestelde hoger beroep is gericht tegen het
oordeel van de rechtbank dat tegen de aansprakelijkstelling voor niet
betaalde pensioenbijdragen geen bezwaar is gemaakt, en dat in strijd met
artikel 7:11 Awb hierop is ingegaan.
Dienaangaande overweegt de Raad dat naar zijn oordeel gezien de
formuleringen in het bezwaarschrift en in het aanvullend bezwaarschrift
naar strekking is beoogd ook bezwaar te maken tegen de
aansprakelijkstelling voor de niet betaalde pensioenbijdragen. Weliswaar
munten deze geschriften op dit punt niet uit door duidelijkheid, maar
dit gebrek aan duidelijkheid is mede in de hand gewerkt door namens
gedaagde opgeroepen onduidelijkheden zoals het gebruik voor beide
aansprakelijkstellingen van hetzelfde kenmerk. In elk geval blijkt niet
van een duidelijke beperking tot uitsluitend bezwaren tegen de
aansprakelijkstelling voor de niet betaalde premies sociale
werknemersverzekeringswetten.
Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde dan ook terecht aangenomen
dat ook bezwaar was gemaakt tegen de aansprakelijkstelling voor de niet
betaalde pensioenbijdragen. Anders dan de rechtbank acht de Raad
derhalve geen strijd met de Awb aanwezig, in het bijzonder niet met
artikel 7:11, eerste lid, van deze wet dat niet ziet op een situatie
waarin tegen een besluit geen bezwaar is gemaakt.
Met het hiervoor overwogene is evenwel niet gegeven dat gedaagde terecht
appellant in zijn bezwaren tegen de aansprakelijkstelling voor de niet
betaalde pensioenbijdragen heeft ontvangen. De Raad overweegt daartoe
het volgende.
In artikel 18b van de Wet BPF, welke wet tegelijk met de
inwerkingtreding per 21 december 2000 van de Wet verplichte deelneming
in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 is komen te vervallen, was
neergelegd de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders van een
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam voor bijdragen ter zake van
deelneming in een bedrijfspensioenfonds. Het achtste lid van dit artikel
bepaalde dat, indien het bedrijfspensioenfonds een bestuurder hoofdelijk
aansprakelijk stelt, het hem daarvan schriftelijk mededeling doet. De
mededeling bevat de gronden waarop de aansprakelijkheid van de
bestuurder berust. Blijkens de memorie van toelichting bij het ontwerp
van wet, dat heeft geleid tot de Wet van 21 mei 1986, Stb. 276, is met
deze mededeling beoogd de wijze waarop de hoofdelijke
aansprakelijkstelling plaatsvindt, te regelen. De memorie van
toelichting vermeldt met betrekking tot dit artikellid tevens dat uit de
aansprakelijkstelling voortvloeiende geschillen aan de burgerlijke
rechter worden voorgelegd.
In artikel 18b, twaalfde lid, in samenhang met artikel 18, tweede tot en
met het negende lid, van de Wet BPF was geregeld dat, indien na
aanmaning bij aangetekende brief betaling uitblijft, de schuld door het
pensioenfonds, vertegenwoordigd door zijn voorzitter en secretaris, kan
worden ingevorderd bij dwangbevel. De wet stelde aan zowel de aanmaning
als het dwangbevel bepaalde eisen. Bepaald was dat een dwangbevel onder
meer de grondslag van de aansprakelijkstelling moet bevatten. Het zesde
lid van artikel 18 bepaalde dat degene aan wie het dwangbevel is
gericht, gedurende dertig dagen na de betekening door middel van
dagvaarding in verzet kan komen bij de rechter van het kanton waarbinnen
hij zijn woon- of verblijfplaats heeft. Het zevende lid bepaalde dat het
verzet de tenuitvoerlegging van het dwangbevel stuit. Voorts bepaalde
het achtste lid dat, indien het verzet zich richt of mede richt tegen de
hoogte van de gevorderde rente of boete, en deze de rechter bovenmatig
voorkomt, hij die ten aanzien van het hem voorgelegde geval kan
verminderen of opheffen.
In de brief van 25 augustus 1997 inzake de aansprakelijkstelling van
appellant voor niet betaalde pensioenbijdragen is naar het oordeel van
de Raad een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 18b, achtste
lid, van de Wet BPF vervat. Dat blijkens zijn brief van 29 augustus 2001
gedaagde hiertoe niet bevoegd was, maakt dit niet anders. Een mededeling
als evenbedoeld is naar het oordeel van de Raad een besluit in de zin
van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, nu het betreft de gebruikmaking
van een exclusieve, bij wet gegeven en niet aan het burgerlijk recht te
ontlenen bevoegdheid tot aansprakelijkstelling van een bestuurder van
een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam voor schulden van die
vennootschap, welke bevoegdheid in verband met het bijzondere karakter
van deze schulden onmiskenbaar is gegeven met het oog op het publieke
belang van een adequate pensioenvoorziening. Bij gebruikmaking van die
bevoegdheid treedt een (bestuur van een) pensioenfonds dan ook op als
bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b,
van de Awb. Nu evenwel de wetgever heeft beoogd dat uit die
aansprakelijkstelling voortvloeiende geschillen aan de burgerlijke
rechter worden voorgelegd en gelet op de wijze, waarop zulks in de Wet
BPF was geregeld, is de Raad voorts van oordeel dat een mededeling als
vorenbedoeld moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van
artikel 8:3 van de Awb en wel als een besluit ter voorbereiding van de
invordering in de zin van artikel 18, tweede lid, van de Wet BPF. Met
artikel 8:3 van de Awb is immers beoogd het voorkomen van complicaties
in de competentieverdeling tussen de bestuursrechter en de civiele
rechter, in het bijzonder in situaties waarin, zoals hier aan de orde,
sprake is van eenzelfde besluitvormingsketen.
Mede gelet op artikel 7:1 van de Awb moet derhalve worden geconcludeerd
dat tegen een mededeling als bedoeld in artikel 18b, achtste lid, van de
Wet BPF geen bezwaarschrift in de zin van de Awb kon worden ingediend.
Uit het vorenstaande volgt dat ook de Raad, zij het op andere gronden
dan de rechtbank heeft gebezigd, van oordeel is dat gedaagde appellant
in zijn bezwaren niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De aangevallen
uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellant in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de
proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot €
966,--;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het gestorte recht van € 77,14 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|