|
Uitspraak
99/5942
CSV en 99/5943 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit
geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid.
Bij besluit van 4 september 1997 (hierna: besluit 1) heeft appellant
ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het primaire besluit
van 28 december 1995, waarbij gedaagde op grond van artikel 16d van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV) hoofdelijk
aansprakelijk is gesteld voor de premies ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten over het jaar 1990, verschuldigd door
[bedrijfsnaam] B.V. h/o [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam]), ten
bedrage van in totaal f 367.072,17.
Bij besluit van 10 juli 1996 (hierna: besluit 2) heeft appellant
ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het primaire besluit
van 21 mei 1996, waarbij het verzoek om uitstel van betaling terzake van
de vordering van f 367.072,17 is afgewezen.
De Rechtbank Rotterdam heeft de tegen besluit 1 en besluit 2 ingestelde
beroepen bij uitspraken van 12 oktober 1999 (verzonden op 29 oktober
1999) gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, appellant veroordeeld
in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat appellant de door
gedaagde gestorte griffierechten dient te vergoeden.
Appellant is op bij de aanvullende beroepschriften van 10 januari 2000
aangevoerde gronden van die uitspraken bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. J.G. Hubers, advocaat te Dordrecht, bij
schrijven van 3 april 2000 een verweerschrift in beide zaken ingediend.
Bij schrijven van 14 juli 2000 heeft appellant op dit verweerschrift
gereageerd.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 mei
2002, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J.
van Vuuren, werkzaam bij het Uwv. Gedaagde is bij die gelegenheid in
persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.G. Hubers, voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde was van 1 oktober 1988 tot het faillissement van [bedrijfsnaam]
op 8 augustus 1990 bestuurder van [bedrijfsnaam], en als zodanig
ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Deze
vennootschap maakte deel uit van de [bedrijfsnaam]-groep. Op 4 mei 1990
heeft [bedrijfsnaam] een mededeling inzake betalingsonmacht gedaan. Bij
het primaire besluit van 28 december 1995 is gedaagde als bestuurder van
[bedrijfsnaam] op grond van artikel 16d van de CSV hoofdelijk
aansprakelijk gesteld voor de door deze vennootschap verschuldigde
sociale werknemersverzekeringspremies over het jaar 1990.
In de onderhavige gedingen moet de vraag worden beantwoord of besluit 1
en besluit 2 van appellant, waarbij de bezwaren van gedaagde tegen het
primaire besluit van 28 december 1995, respectievelijk het primaire
besluit van 21 mei 1996 ongegrond zijn verklaard, in rechte stand kunnen
houden.
De rechtbank heeft de door gedaagde ingestelde beroepen gegrond
verklaard. Besluit 1 heeft de rechtbank wegens strijd met het verbod van
willekeur vernietigd. Volgens de rechtbank heeft appellant in strijd met
dit verbod gehandeld door alleen gedaagde en niet ook de voornaamste
beleidsbepalers binnen [bedrijfsnaam], de gebroeders [naam], voor de
onbetaald gebleven premies over het jaar 1990 op grond van artikel 16d
van de CSV hoofdelijk aansprakelijk te stellen.
Daarnaast heeft de rechtbank besluit 1 vernietigd op grond van een
onzorgvuldige voorbereiding vanwege onvoldoende onderzoek naar de
positie van de gebroeders [naam].
Besluit 2 heeft de rechtbank vernietigd, omdat volgens de rechtbank met
de vernietiging van besluit 1 de rechtsgrond van besluit 2 is komen te
vervallen.
In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, waarbij besluit 1 is
vernietigd, is - samengevat - door appellant onder verwijzing naar de
uitspraak van de Raad van 20 februari 1997, gepubliceerd in
Vakstudienieuws 1997/1496, en de niet gepubliceerde uitspraak van de
Raad van 14 maart 2002 (99/3778 ALGEM, 3951 ALGEM, 00/4279 ALGEM) het
standpunt ingenomen dat anders dan de rechtbank heeft geoordeeld geen
gehoudenheid bestaat om een feitelijk beleidsbepaler aansprakelijk te
stellen in het geval dat de vennootschap een formele bestuurder heeft,
die als zodanig ook in het handelsregister staat ingeschreven.
Met betrekking tot de vernietiging door de rechtbank van besluit 2 is
door appellante, onder verwijzing naar de procedure terzake van besluit
1, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de
rechtsgrondslag voor besluit 2 is komen te vervallen, en dat de
rechtbank het beroep ten onrechte gegrond heeft verklaard.
Namens gedaagde is in hoger beroep (wederom) het standpunt ingenomen
altijd te hebben ontkend bestuurder van [bedrijfsnaam] te zijn geweest.
Volgens gedaagde werd hij niet bij de leiding van de onderneming
betrokken en lag het feitelijk bestuur in handen van de gebroeders
[naam]. De inschrijving van gedaagde als bestuurder van [bedrijfsnaam]
is volgens gedaagde onbevoegd geschied.
Voorts is namens gedaagde naar voren gebracht dat het blijkens de memorie van
toelichting op artikel 16d van de CSV niet de bedoeling van
de wetgever is om in een situatie als de onderhavige de feitelijke
bestuurder niet en de minder kapitaalkrachtige formele bestuurder wel
aansprakelijk te stellen voor de door het lichaam onbetaald gebleven
premie. Weliswaar komt appellant naar het oordeel van gedaagde een
bepaalde beleidsvrijheid toe, maar appellant had blijkens de uitspraak
van de Raad van 13 november 1995, gepubliceerd in RSV 1996/128, zijn
keuze om de gebroeders [naam] niet aansprakelijk te stellen moeten
motiveren.
Verder is gedaagde van oordeel dat appellant door gedaagde na de melding
op 4 mei 1990 pas op 28 december 1995 aansprakelijk te stellen de
redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor
de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) heeft overschreden. Door deze
overschrijding is gedaagde naar zijn mening in een nadelige
bewijspositie geraakt.
Vervolgens is namens gedaagde de stelling herhaald dat het onbetaald
blijven van de premies over het jaar 1990 veroorzaakt werd door het
terugtrekken van Texaco en de vermindering van de kredietverlening door
de ABN/AMRO, en niet door het vermeende kennelijk onbehoorlijk bestuur
van de bestuurders van [bedrijfsnaam].
Ten slotte is namens gedaagde nogmaals naar voren gebracht dat appellant
de vordering op 4 maart 1999 ter zitting van de rechtbank heeft
teruggebracht tot een bedrag in totaal van f 136.717,34.
In reactie op de verweren van gedaagde heeft appellant het standpunt
ingenomen dat de omvang van het geding in hoger beroep beperkt is tot de
punten, die appellant aan de Raad heeft voorgelegd, daar gedaagde niet
in hoger beroep is gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank. In ieder
geval zou het volgens appellant te ver gaan dat de Raad acht zou slaan
op hetgeen namens gedaagde in het verweerschrift naar voren is gebracht
dat niet gericht is tegen de uitspraak van de rechtbank, zoals de
opmerking over de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in
artikel 6 van het EVRM, waarbij appellant opmerkt dat deze
verdragsbepaling wel ambtshalve door de Raad kan worden getoetst.
De Raad overweegt als volgt.
Met betrekking tot het standpunt van appellant terzake van de omvang van
het hoger beroep wijst de Raad op zijn uitspraak van 16 december 1999,
gepubliceerd in TAR 00/29. Blijkens die uitspraak kan, gezien de sterke
verwevenheid met de beroepsgronden van appellant, de omstandigheid dat
alleen appellant in hoger beroep is gekomen niet meebrengen dat de Raad
in dit geding niet meer kan ingaan op hetgeen gedaagde in hoger beroep
heeft aangevoerd.
Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking, dat bij het ontbreken van de
mogelijkheid van zogenaamd incidenteel appel, van gedaagde - nu hij er
gelet op de gegrondverklaring van zijn inleidend beroep geen
(zwaarwichtig) belang bij had om hoger beroep in te stellen - in
redelijkheid niet kon worden gevergd dat hij met het oog op het
veiligstellen van zijn processuele positie in een mogelijk door
appellant in te stellen hoger beroep zelf hoger beroep instelde.
Derhalve zal de Raad, gelet op hetgeen gedaagde heeft aangevoerd, eerst
toetsen of appellant gedaagde terecht heeft aangemerkt als bestuurder
van [bedrijfsnaam], en of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat in het
onderhavige geval sprake is van aan gedaagde te wijten kennelijk
onbehoorlijk bestuur.
De Raad stelt vast dat gedaagde van 1 oktober 1988 tot het faillissement
van [bedrijfsnaam] op 8 augustus 1990 als enig bestuurder van
[bedrijfsnaam] ingeschreven stond. Gedaagde stelt zich weliswaar op het
standpunt dat deze inschrijving onbevoegd zou zijn geschied, maar de
Raad is van geen enkele actie van de kant van gedaagde gebleken om deze
inschrijving ongedaan te maken. Uitgaande van dit gegeven ligt het naar
het oordeel van de Raad op de weg van gedaagde om aannemelijk te maken
dat hij, in weerwil van hetgeen in het handelsregister is vastgelegd,
niet als bestuurder van [bedrijfsnaam] zou kunnen worden aangemerkt. De
Raad stelt vast dat gedaagde daarin niet is geslaagd. De Raad merkt
daarbij nog op dat de verklaring van gedaagde dat hij de notulen van 27
december 1989 van de algemene vergadering van aandeelhouders van
[bedrijfsnaam] niet zelf heeft ondertekend niet aannemelijk voorkomt.
Uit hetgeen hiervoor overwogen volgt dat appellant gedaagde terecht als
bestuurder in de zin van artikel 16d van de CSV heeft aangemerkt. In
aanmerking nemende dat gesteld noch gebleken is dat [bedrijfsnaam] niet
in gebreke is gebleven met het betalen van de onderhavige premieschuld
en dat [bedrijfsnaam] aan de mededelingsplicht opgenomen in artikel 16d,
tweede lid, van de CSV heeft voldaan, is ingevolge het bepaalde in
artikel 16d, derde lid, van de CSV aan appellant om aannemelijk te maken
dat het niet betalen van de onderhavige premies het gevolg is van aan
gedaagde te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Met betrekking tot dit laatste stelt de Raad voorop dat blijkens zijn
uitspraken, gepubliceerd in RSV 1994/37, 41 en 64 en RSV 1996/142, een
ieder die zich laat benoemen tot bestuurder van een rechtspersoon
daarmee de verantwoordelijkheid voor het (financiële) beleid van die
rechtspersoon op zich neemt. Aan die verantwoordelijkheid kan een
bestuurder zich niet onttrekken door zich afzijdig te houden van het
bestuur van die rechtspersoon. De Raad onderschrijft derhalve niet het
namens gedaagde ingenomen standpunt, dat de onderhavige
aansprakelijkstelling achterwege had moeten blijven, omdat niet hij maar
de gebroeders [naam] verantwoordelijk waren voor het beleid van
[bedrijfsnaam].
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant aannemelijk heeft
gemaakt dat het onbetaald blijven van de onderhavige premieschuld het
gevolg is van aan gedaagde te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De
Raad overweegt hiertoe dat uit de gedingstukken blijkt dat er in het
onderhavige geval onvoldoende scheiding tussen de verschillende
vennootschappen van de [bedrijfsnaam]-groep bestond. Dat gedaagde als
bestuurder van [bedrijfsnaam] heeft nagelaten de verwevenheid tussen de
verschillende vennootschappen van de [bedrijfsnaam]-groep te voorkomen,
valt volgens de Raad te kwalificeren als aan gedaagde te wijten
kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 16d, derde lid, van
de CSV. Naar het oordeel van de Raad doen de door gedaagde genoemde, en
overigens niet onderbouwde, redenen voor het onbetaald blijven van de
onderhavige premie hier niet aan af.
Namens gedaagde is in hoger beroep (wederom) het standpunt ingenomen dat
de gevolgde wijze van besluitvorming in de periode tussen de melding van
de betalingsonmacht op 4 mei 1990 en de primaire aansprakelijkstelling
op 28 december 1995 strijd met de redelijke termijn als bedoeld in
artikel 6 van het EVRM oplevert.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 7 juni 2000,
gepubliceerd in JB 2000, 229, Rawb 2000, 139, gaat de redelijke termijn
als bedoeld in artikel 6 van het EVRM lopen als sprake is van "een
geschil, dat wil zeggen dat - tenminste - een standpunt van, in casu,
het bestuursorgaan kenbaar is, terzake waarvan mag worden aangenomen, of
duidelijk is gemaakt, dat de wederpartij het daarmee niet eens is en
zich daartegen in rechte wil verzetten". Daarvan is in casu sprake
op 18 januari 1996, zijnde het moment dat gedaagde bezwaar maakte tegen
de (primaire) aansprakelijkstelling. Uitgaande van 18 januari 1996 als
aanvangsmoment is naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval
geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in
artikel 6 van het EVRM.
Gezien de uitspraak van de Raad van 20 mei 1996, gepubliceerd in RSV
1996/231, dient in het onderhavige geval te worden beoordeeld of
appellant na de melding van betalingsonmacht op 4 mei 1990 voldoende
voortvarend te werk is gegaan. Immers, indien appellant met de
aansprakelijkstelling als hier aan de orde zonder noodzaak onnodig lang
talmt, kan een dergelijk talmen in strijd komen met de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur. Bij de oordeelsvorming van de Raad op
dit punt speelt een belangrijke rol dat de hoofdelijke
aansprakelijkstelling van (gewezen) bestuurders rechtstreeks uit de wet
voorvloeit en het hier niet gaat om een discretionaire bevoegdheid van
appellant. Indien aan de criteria van artikel 16d van de CSV is voldaan,
staat de aansprakelijkheid van de bestuurder voor de onbetaald gebleven
premie vast. Bovendien is de aansprakelijkstelling van bestuurders niet
aan een termijn gebonden. Met appellant is de Raad van oordeel dat er in
het onderhavige geval geen perioden van onnodig stilzitten zijn geweest.
De Raad is van oordeel dat appellant uit zorgvuldigheidsoverwegingen kon
besluiten om eerst de afwikkeling van het faillissement van
[bedrijfsnaam] af te wachten om te bezien of en in hoeverre de in het
faillissement gebrachte vordering uit de faillissementsboedel kon worden
voldaan, en derhalve van aansprakelijkstelling van gedaagde kon worden
afgezien.
De Raad is voorts van oordeel dat zich in casu geen bijzondere
omstandigheden voordoen, die appellant ertoe nopen van een
aansprakelijkstelling af te zien. In het bijzonder acht de Raad hierbij
nog van belang dat zijdens appellant op geen enkele wijze het rechtens
te honoreren vertrouwen is gewekt dat van aansprakelijkstelling zou
worden afgezien.
Met betrekking tot de namens gedaagde gestelde bewijsnood vanwege het
door het tijdsverloop zoekraken van de administratie en ontlastende
bescheiden, en het met de noorderzon vertrekken en het overlijden van
getuigen, stelt de Raad voorop dat op gedaagde geen bewijslast rust. In
het onderhavige geval is het immers aan appellant om aannemelijk te
maken dat sprake is van aan gedaagde te wijten kennelijk onbehoorlijk
bestuur. De Raad merkt voorts op dat gedaagde tijdens de
bezwaarschriftprocedure niet naar voren heeft gebracht dat hij door het
tijdsverloop in een nadelige bewijspositie zou zijn geraakt. Daarbij
komt nog dat het de vraag is of gedaagde het standpunt van appellant had
kunnen weerleggen. Zoals hiervoor door de Raad is overwogen, vloeit het
kennelijk onbehoorlijk bestuur van gedaagde immers voort uit de
omstandigheid dat gedaagde heeft nagelaten de verwevenheid tussen de
verschillende vennootschappen van de [bedrijfsnaam]-groep te voorkomen.
Gedaagde heeft slechts daartegenover gesteld dat hij geen bestuurder van
[bedrijfsnaam] was en derhalve aan niet aan de leiding van de
onderneming heeft deelgenomen. Indien en voorzover sprake is van
bewijsnood aan de kant van gedaagde, dan moet deze bewijsnood onder de
geschetste omstandigheden naar het oordeel van de Raad voor rekening en
risico van gedaagde komen.
Inzake het standpunt van gedaagde dat appellant de vordering ter zitting
van de rechtbank op 4 maart 1999 heeft teruggebracht tot een bedrag van
in totaal van f 136.717,34, overweegt de Raad dat de onderhavige
procedure ziet op de hoofdelijke aansprakelijkstelling ingevolge artikel
16d van de CSV. Gesteld noch gebleken is dat het bedrag van de
aansprakelijkstelling als zodanig is bijgesteld. Aangezien de
invordering geen onderdeel uitmaakt van de onderhavige procedure, laat
de Raad dit punt verder buiten bespreking.
Ten slotte is de Raad van oordeel dat appellant niet gehouden was om
naast gedaagde ook de feitelijke beleidsbepalers binnen de
[bedrijfsnaam]-groep aan te spreken. De Raad overweegt hiertoe dat
gedaagde, zoals door de Raad is aangegeven, enig bestuurder was van
[bedrijfsnaam], en als zodanig stond ingeschreven in het
handelsregister. Onder verwijzing naar de door appellant aangehaalde
jurisprudentie is de Raad van oordeel dat in zo'n situatie geen
gehoudenheid bestaat voor een aansprakelijkstelling van een niet in het
handelsregister als bestuurder ingeschreven persoon. Derhalve is de Raad
van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat
appellant in het onderhavige geval in strijd met het verbod van
willekeur heeft gehandeld door niet de gebroeders [naam] aan te spreken.
Uit vorenstaande overwegingen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak
van de rechtbank terzake van besluit 1 voor vernietiging in aanmerking
komt en het inleidend beroep tegen besluit 1 alsnog ongegrond dient te
worden verklaard.
Vernietiging van de aangevallen uitspraak van de rechtbank terzake van
besluit 1 leidt er toe dat tevens de aangevallen uitspraak van de
rechtbank terzake van besluit 2 voor vernietiging in aanmerking komt en
het inleidend beroep tegen besluit 2 alsnog ongegrond dient te worden
verklaard.
Beslist is als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de inleidende beroepen alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|