|
Uitspraak
00/2971
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 1 mei 1997 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het primaire besluit van 31 mei 1996,
waarbij gedaagde op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (hierna: CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de
premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten over het jaar
1992, verschuldigd door [bedrijfsnaam] B.V., ten bedrage van in totaal f
32.263,76.
De Rechtbank Amsterdam heeft het tegen het besluit van 1 mei 1997
ingestelde beroep bij uitspraak van 19 april 2000 gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd, bepaald dat appellant binnen dertien weken nadat
deze uitspraak onherroepelijk is geworden, een nieuw besluit op het
bezwaarschrift van gedaagde dient te nemen met inachtneming van hetgeen
in deze uitspraak is overwogen, appellant veroordeeld in de proceskosten
van gedaagde en bepaald dat appellant het door gedaagde gestorte
griffierecht dient te vergoeden.
Appellant is op bij schrijven van 14 juli 2000 met bijlage aangevoerde
gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Bij schrijven van 5 april 2002 zijn partijen uitgenodigd voor de
behandeling van de zaak ter zitting van de Raad op 6 mei 2002.
Namens gedaagde heeft mr. J.C. Duvekot, advocaat te Amsterdam, bij
schrijven gedateerd 27 april 2002 een verweerschrift met bijlagen
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 mei 2002,
waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.P. Romijn,
werkzaam bij het Uwv. Gedaagde is bij die gelegenheid niet verschenen.
II. MOTIVERING
Op 22 juli 1991 heeft [oprichter] (hierna: [oprichter]) de besloten
vennootschap [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] B.V.)
opgericht. Blijkens de statuten heeft de vennootschap onder andere ten
doel de exploitatie van een of meer horecaondernemingen. Bij brief van
25 september 1992 heeft appellant aan [bedrijfsnaam] B.V. medegedeeld
dat zij in de afgelopen periode meermalen is geattendeerd op een
achterstand in de betaling van de sociale werknemersverzekeringspremies.
Op 2 november 1992 is door appellant een melding van betalingsonmacht
van 16 oktober 1992 van [oprichter] ontvangen. Hierbij is desgevraagd
"het niet nakomen van verplichtingen van de medeaandeelhouders
sinds 1992" als oorzaak van de betalingsonmacht genoemd.
Op 17 oktober 1992 heeft [oprichter] bij de politie Culemborg aangifte
gedaan van oplichting door [naam 1], [naam 2] en gedaagde voor een
bedrag van circa f 280.000,--.
Bij brief van 18 november 1992 heeft appellant aan [bedrijfsnaam] B.V.
nadere informatie naar aanleiding van de melding van betalingsonmacht
gevraagd. Na ontvangst van nadere informatie gedateerd 7 mei 1993 heeft
appellant de melding van betalingsonmacht bij brief van 18 juni 1993 als
rechtsgeldig aangemerkt.
Bij brief van 18 februari 1993 heeft de Belastingdienst een afschrift
van het controlerapport van 22 januari 1993 van het onderzoek bij
[bedrijfsnaam] B.V. over de periode 1 januari 1992 tot en met medio
oktober 1992 aan appellant toegezonden. In dit rapport is opgemerkt dat
de helft van de aandelen is verkocht aan [naam 1] en [naam 3]. Deze
(ver)koop blijkt ook uit de akte van levering van aandelen van 6 juni
1992. Vanwege het ontbreken van het aandelenregister kon dit niet worden
geverifieerd. Met betrekking tot de bestuurders en de
bestuurdersaansprakelijkheid is opgemerkt dat voornoemde personen
stromannen waren van gedaagde. Volgens de Belastingdienst dient gedaagde
vanaf 1 mei 1992 te worden aangemerkt als feitelijk beleidsbepaler van
[bedrijfsnaam] B.V. omdat:
- gedaagde zich richting leveranciers en dergelijke als
directeur/beleidsbepaler heeft gedragen;
- dit blijkt uit de mededelingen van [oprichter];
- gedaagde het adres van [bedrijfsnaam] B.V. gebruikte als zakenadres;
- gedaagde de positie van administrateur [administrateur] naar diens
verklaring onhoudbaar wist te maken;
- gedaagde zich bij [bedrijfsnaam 2] te [vestigingsplaats 2] persoonlijk
borg heeft gesteld voor de betalingen van drankleveranties;
- gedaagde volgens [oprichter] volledig verantwoordelijk was voor de
tewerkstelling en de betaling van een aantal illegaal verblijvende
Egyptenaren en
- gedaagde na het stopzetten van de activiteiten auto's heeft
achtergehouden, die in gebruik waren bij de vennootschap.
Op 3 maart 1993 is het faillissement van [bedrijfsnaam] B.V.
uitgesproken. Blijkens het verslag van 5 april 1993 van de curator biedt
[oprichter], die ondertussen een uitkering geniet, geen verhaal.
Bij het bestreden besluit heeft appellant het standpunt gehandhaafd dat
gedaagde als feitelijk beleidsbepaler in de zin van artikel 16d, zesde
lid, aanhef en onder b, van de CSV aansprakelijk is voor de door
[bedrijfsnaam] B.V. over het jaar 1992 onbetaald gebleven premies
ingevolge de sociale werknemersverzekeringen. Daarbij baseert appellant
zich op het onderzoek van de Belastingdienst, waaruit volgens appellant
blijkt dat gedaagde in de periode van 1 mei 1992 tot in ieder geval 11
oktober 1992 het beleid van [bedrijfsnaam] B.V. bepaalde als ware hij
bestuurder.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van
appellant niet gevolgd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat als
uitgangspunt geldt dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat
gedaagde feitelijk bestuurder van [bedrijfsnaam] B.V. was. De rechtbank
stelt vast dat appellant aan zijn standpunt de bevindingen en conclusies
van de Belastingdienst ten grondslag heeft gelegd en geen (substantieel)
eigen onderzoek heeft verricht, anders dan verschillende aan de
Belastingdienst gerichte verzoeken om informatie en het controlerapport
met de daarbij behorende bijlagen. Op basis van de voorhanden zijnde
gegevens kan naar het oordeel van de rechtbank wellicht worden
geconcludeerd dat gedaagde het beleid mogelijk in enige mate bepaalde
doch de rechtbank acht de door appellant aangedragen en vaststaande
feiten dermate summier dat deze onvoldoende grondslag bieden voor het
standpunt van appellant. Gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt,
dient het risico voor deze onduidelijkheid ten laste van appellant te
blijven. Bij gebreke van een deugdelijke motivering en derhalve wegens
strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
dient het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank te worden
vernietigd.
Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank en
voert in hoger beroep aan dat het verwijt van de rechtbank dat appellant
onvoldoende eigen onderzoek heeft verricht, onterecht is. Appellant
stelt zich op het standpunt dat hij, indien uit de gegevens van de
Belastingdienst voldoende feiten naar voren komen en er geen aanleiding
bestaat om aan de juistheid van het rapport te twijfelen, op grond van
die gegevens zonder eigen onderzoek beslissingen kan nemen. Naar de
mening van appellant beschikt hij in het onderhavige geval over
voldoende gegevens om op basis daarvan een beslissing te nemen. Er
bestond volgens appellant geen aanleiding om nog een eigen nader
onderzoek te verrichten.
Namens gedaagde wordt hier tegenovergesteld dat in het onderhavige geval
goed onderbouwde en overtuigende gronden voor het aanmerken van gedaagde
als feitelijk beleidsbepaler van [bedrijfsnaam] B.V. ontbreken. Volgens
gedaagde heeft appellant ten onrechte geen eigen onderzoek gedaan noch
gronden aangevoerd, die de aanname van feitelijk bestuurderschap kunnen
dragen.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals de Raad ook heeft overwogen in zijn uitspraak van 4 oktober 2001,
gepubliceerd in RSV 2001/297, moet onder anderen onder een
beleidsbepaler als waarop artikel 16d, zesde lid, aanhef en onder b, van
de CSV ziet, worden gerekend degene die in een vennootschap een
machtspositie bekleedt en onder omstandigheden als feitelijk bestuurder
kan worden beschouwd. De enkele omstandigheid dat iemand het beleid van
een vennootschap mede heeft bepaald, is onvoldoende voor een
aansprakelijkstelling. Gelet op de toevoeging "als ware hij
bestuurder" dient de betrokken persoon zich daarnaast ook
daadwerkelijk als bestuurder te hebben gedragen. Het ligt op de weg van
appellant om voldoende aannemelijk te maken dat aan deze voorwaarden is
voldaan.
De Raad is met appellant van oordeel dat appellant zich bij besluiten
als het onderhavige mag baseren op de gegevens van de Belastingdienst.
Daarbij geldt uiteraard als voorwaarde dat deze gegevens voldoende basis
dienen te bieden voor het besluit van appellant. In het onderhavige
geval is de Raad evenwel van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens
niet de conclusie kunnen dragen dat gedaagde zich daadwerkelijk als
bestuurder van [bedrijfsnaam] B.V. heeft gedragen.
Allereerst merkt de Raad op dat appellant in navolging van de
Belastingdienst zijn standpunt voornamelijk baseert op de door
[oprichter] bij de politie Culemborg afgelegde verklaring van 17 oktober
1992. Deze verklaring is echter afgelegd in verband met de door
[oprichter] gestelde oplichting door gedaagde en [naam 1 en 2]. Bij het
afleggen van deze verklaring is [oprichter] niet gevraagd of gedaagde
feitelijk leiding gaf aan de gang van zaken binnen [bedrijfsnaam] B.V.
Uit deze verklaring blijkt ook niet dat [oprichter] en gedaagde de
onderneming samen hebben geleid. [oprichter] meldt juist dat gedaagde
binnen [bedrijfsnaam] B.V. geen bevoegdheden had. Gelet op het
voorgaande, kan naar het oordeel van de Raad aan de verklaring van
[oprichter] niet het belang worden gehecht dat appellant in navolging
van de Belastingdienst aan deze verklaring geeft. Volgens de Raad had
het op de weg van appellant gelegen om [oprichter] met een vraagstelling
omtrent het feitelijk bestuurderschap van gedaagde te benaderen.
Ter ondersteuning van zijn standpunt beroept appellant zich verder met
name op de schriftelijke verklaring van 7 januari 1993 van de voormalig
administrateur van [bedrijfsnaam] B.V., [administrateur]. [Administrateur] geeft in deze verklaring aan dat de beleidsbeslissingen
consequent in onderling overleg door [oprichter] en gedaagde werden
genomen. Dit betrof volgens [administrateur] zowel het maken van
afspraken met leveranciers en met de eigenaar van het bedrijfspand als
beslissingen inzake salarisbetalingen. Dat gedaagde zich jegens derden
als directeur heeft uitgegeven, blijkt volgens appellant ook uit enkele
facturen van (onder andere) leveranciers.
Hoewel op basis van de voorhanden zijnde gegevens niet kan worden
ontkend dat gedaagde meer bemoeienis met [bedrijfsnaam] B.V. moet hebben
gehad dan alleen de door hem gestelde betrokkenheid bij de aankoop van
het bedrijfspand, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat deze
gegevens onvoldoende basis bieden voor het standpunt van appellant dat
gedaagde leiding heeft gegeven aan de onderneming. Daarbij neemt de Raad
mede in aanmerking de zeer korte periode, van 1 mei 1992 tot en met 11
oktober 1992, waarin gedaagde door appellant als bestuurder wordt
aangemerkt. Juist in een dergelijke situatie bestond er voor appellant
aanleiding om gedaagde met de verklaringen van [oprichter] en van
[administrateur] te confronteren dan wel gedaagde op andere wijze bij
het onderzoek te betrekken. Voorts had deze omstandigheid appellant naar
het oordeel van de Raad voldoende reden moeten geven om ook bij andere
medewerkers van [bedrijfsnaam] B.V. navraag te doen naar de rol van
gedaagde in [bedrijfsnaam] B.V.
Alles overziend heeft appellant naar het oordeel van de Raad onvoldoende
aannemelijk gemaakt dat gedaagde zich ook daadwerkelijk als bestuurder
heeft gedragen.
Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de aangevallen uitspraak van
de rechtbank voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het
Uwv te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze
kosten worden begroot op € 322,--.
Voorts stelt de Raad vast dat van het Uwv een recht van € 327,-- dient
te worden geheven.
Beslist is als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot
een bedrag groot € 322,-;
Verstaat dat van het Uwv een recht van € 327,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|