|
Uitspraak
00/413
ALGEM en 00/1388 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[bedrijfsnaam] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv, alsmede
zijn rechtsvoorgangster de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer.
Bij besluit van 3 juni 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen correctienota's van 18 december 1995 en 27
februari 1996 over de jaren 1990 tot en met 1994.
Bij besluit van 21 oktober 1998, voorzover te dezen van belang, heeft
gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen zijn
besluit van 30 juli 1998, waarbij geweigerd is haar uitstel van betaling
te verlenen met betrekking tot het op grond van evenvermelde nota's
verschuldigde bedrag van f 262.948,-.
De Rechtbank Haarlem heeft bij uitspraken van 28 oktober 1999 en 15
december 1999 de namens appellante tegen de besluiten van 3 juni 1998 en
21 oktober 1998 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. P.J. Siekman, advocaat te Hoofddorp, op bij
beroepschriften (met bijlagen) aangevoerde gronden van die uitspraken
bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft bij brieven van 16 mei 2000 van verweer gediend.
Bij brief van 30 augustus 2000 ( met bijlagen) is hierop namens
appellante gereageerd.
Op deze reactie heeft gedaagde bij brief van 6 november 2000 gereageerd.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 april
2002, waar voor appellante zijn verschenen haar directeur [directeur],
haar bedrijfsadviseur [bedrijfsadviseur] en mr. Siekman, voornoemd, en
waar voor gedaagde is verschenen mr. M.P. Romijn, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellante exploiteert een taxionderneming. Begin juli 1995 is door de
Rijksverkeersinspectie een deel van de boekhouding van appellante in
beslag genomen, waaronder een blauw kasboek in het bezit van één van
de directeuren van appellante. In dit kasboek stonden betalingen aan
chauffeurs van appellante vermeld. De Rijksverkeersinspectie heeft de in
beslag genomen administratie ter beschikking gesteld aan de fiscus en
aan gedaagde. Vervolgens heeft de opsporingsdienst van gedaagde een
nader onderzoek ingesteld, in het kader waarvan de beide directeuren van
appellante zijn gehoord alsmede een tiental werknemers. Na dit onderzoek
is een looncontrole gehouden over de jaren 1990 tot en met 1994, van
welke controle op 15 december 1995 rapport is opgemaakt. Blijkens dit
rapport is er mede op basis van de door de twee directeuren van
appellante afgelegde verklaringen van uit gegaan dat de betalingen in
het blauwe kasboek loonbetalingen betreffen over 1994 en dat over deze
betalingen geen premies voor de sociale werknemersverzekeringen zijn
ingehouden. Aangezien de administratie met betrekking tot deze
niet-verantwoorde loonbetalingen over de jaren 1990 tot en met 1993 was
weggegooid, heeft de betrokken looninspecteur een extrapolatie gemaakt
naar deze premiejaren. Op basis van het looncontrolerapport heeft
gedaagde bij correctienota's van 18 december 1995 en 27 februari 1996
aanvullende premies bij appellante nageheven. Bij het bestreden besluit
van 3 juni 1998 heeft gedaagde deze nota's gehandhaafd. Het bestreden
besluit van 21 oktober 1998 betreft de weigering van gedaagde om
appellante uitstel van betaling te verlenen.
In eerste aanleg heeft appellante onder verwijzing naar het vonnis van 2
maart 1998 van de strafkamer van de rechtbank gesteld dat het door
gedaagde gehanteerde bewijs van de gestelde niet-verantwoorde
loonbetalingen onrechtmatig is verkregen. De hoogte van de
correctienota's heeft appellante eerst ter zitting van de rechtbank
bestreden.
Bij de aangevallen uitspraak van 28 oktober 1999 heeft de rechtbank
daaromtrent het volgende overwogen:
"Anders dan [bedrijfsnaam] is de rechtbank van oordeel dat de rol
van LISV cq de overheid in deze kwestie niet zodanig is geweest, dat het
in strafrechtelijke zin onrechtmatig verkregen bewijs ook bij de
behandeling van het administratief geding buiten beschouwing moet worden
gelaten. De passage in de door LISV aangehaalde uitspraak van de
Centrale raad van beroep (CRvB) van 25 november 1995, RSV 1996/89,
vermeldt onder meer als regel dat gebruik van strafrechtelijk
onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen slechts dan niet door organen als
LISV is toegestaan, indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer
indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden
verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet
worden geacht. In het onderhavige geval kan worden vastgesteld dat LISV
ook op grond van haar eigen opsporingsbevoegdheid de onderhavige
administratie in beslag had kunnen nemen, maar dat zij dat - ten
onrechte - in overleg met de overige belanghebbende organen heeft
overgelaten aan de Rijksverkeersinspectie, na toestemming van de
Officier van Justitie. De overheid heeft dus in dit geval de verkeerde
bevoegdheid gehanteerd om de onderhavige gegevens te bemachtigen, daar
waar bij gebruik van de juiste bevoegdheid deze gegevens eveneens ter
beschikking van het LISV hadden kunnen komen. Gelet op deze
omstandigheid, als ook op het gegeven dat [bedrijfsnaam] op grond van de
CSV en OSV ook eigener beweging verplicht was deze loongegevens aan het
LISV ter beschikking te stellen, is de rechtbank van oordeel dat de
inbeslagname van de loonadministratie door de controleur RVI weliswaar
een verkeerde keus was van de overheid, maar dat dit vanuit
administratiefrechtelijk oogpunt bezien niet als zodanig onbehoorlijk
kan worden gekwalificeerd dat dit gebruik van de gegevens door LISV in
de onderhavige bestuursrechtelijke procedure ontoelaatbaar doet zijn.
[bedrijfsnaam] heeft de hoogte van de correctienota's in bezwaar
aangevochten. Ter terechtzitting heeft [bedrijfsnaam] naar haar daar
aangevoerde argumenten verwezen. [bedrijfsnaam] heeft echter nagelaten
in beroep in te gaan op de gemotiveerde weerlegging van dit bezwaar van
LISV bij het bestreden besluit, zodat deze eerst ter terechtzitting
aangevoerde beroepsgrond reeds aanstonds wegens een ontoereikende
onderbouwing zal worden verworpen."
Bij de aangevallen uitspraak van 15 december 1999 heeft de rechtbank
onder verwijzing naar zijn uitspraak 28 oktober 1999 overwogen dat de
beroepsgrond van appellante, inhoudende dat er een gerede kans bestaat
dat de correctienota's in rechte geen stand zullen houden en deswege
uitstel van betaling in de rede ligt, niet kan slagen.
In hoger beroep heeft appellante herhaald haar stelling dat er sprake is
van onrechtmatig verkregen bewijs. Daarbij heeft zij erop gewezen dat
gedaagde met de Rijksverkeersinspectie had afgesproken dat deze
inspectie tot inbeslagneming zou overgaan, zulks op grond van de deze
inspectie toekomende bevoegdheid, terwijl er op dat moment nog geen
sprake was van een opsporingsonderzoek van de kant van gedaagde. In de
visie van appellante heeft gedaagde in samenspraak met de
Belastingdienst en de Rijksverkeersinspectie een ontoelaatbare wijze van
bewijsgaring afgesproken. Een en ander laat onverlet dat de officier van
justitie achteraf toestemming heeft gegeven de in beslag genomen
bescheiden aan gedaagde ter beschikking te stellen. Ter zitting van de
Raad heeft appellante nog gewezen op het arrest van het Europese Hof
voor de Rechten van de Mens van 17 december 1996 in de zaak Saunders (BNB
1997/254), het arrest van dit Hof van 3 mei 2001 (BNB 2002/26) en het
arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2001 (BNB 2002/27).
Met betrekking tot de hoogte van de vastgestelde premies heeft
appellante gesteld dat bij de berekening daarvan geen rekening is
gehouden met betalingen voor andere doeleinden dan voor het verrichten
van werkzaamheden.
Met betrekking tot de weigering van gedaagde om haar uitstel van
betaling te verlenen heeft appellante herhaald hetgeen zij in eerste
aanleg daarover had aangevoerd.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Aan de door appellante te zijner zitting genoemde arresten kent de Raad
niet die betekenis toe die appellante daaraan meent te moeten toekennen,
reeds omdat het bestreden besluit van 3 juni 1998 niet ziet op opgelegde
boetes. Van betekenis acht de Raad wel zijn door de rechtbank genoemde
uitspraak van 25 november 1995, alsmede het in die uitspraak vermelde
arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1992 (BNB 1992,306). Gelijk de
rechtbank heeft overwogen dient in het licht hiervan dan ook de vraag te
worden beantwoord of de bij appellante in beslag genomen administratie,
in het bijzonder het blauwe kasboek, is verkregen op een wijze die
zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend overheid mag
worden verwacht, dat gebruikmaking daarvan onder alle omstandigheden
ontoelaatbaar moet worden geacht. Met de rechtbank beantwoordt de Raad
deze vraag ontkennend. De omstandigheid dat gedaagde de inbeslagneming
van de loonadministratie heeft overgelaten aan de Rijksverkeersinspectie
en daarbij niet heeft onderkend dat deze inspectie daartoe niet bevoegd
was, betekent geen schending van de hiervoor geformuleerde norm. Met
opsporing belaste functionarissen van gedaagde hadden hiertoe ook kunnen
overgaan. Zoals de rechtbank heeft overwogen is er slechts een verkeerde
keuze gemaakt.
Met betrekking tot de hoogte van de opgelegde premies ziet de Raad in
hetgeen appellante daaromtrent heeft gesteld, geen grond voor het
oordeel dat gedaagde een onjuiste schatting heeft gemaakt van het
niet-verantwoorde loon in de betrokken jaren, dan wel dat gedaagde
daarbij een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd. Gedaagde mocht ervan
uitgaan dat de in het blauwe kasboek vermelde betalingen loonbetalingen
betreffen. De Raad wijst er hierbij op dat het aan de werkgever is om
aan te tonen dat betalingen verricht aan zijn werknemers niet het
karakter van loonbetalingen hebben. De Raad moet vaststellen dat
appellante hierin niet is geslaagd.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep inzake de
correctienota's niet slaagt. Hiermee is tevens gegeven dat het hoger
beroep inzake de weigering uitstel van betaling te verlenen evenmin
slaagt. De aangevallen uitspraken dienen dan ook te worden bevestigd.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|