|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/1415 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 4 september 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen het besluit van 23 april 1998, waarbij
appellant met toepassing van artikel 16c van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de
premieschuld van [bedrijfsnaam], statutair gevestigd te
[vestigingsplaats], Delaware, Verenigde Staten.
De Rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 25 februari 2000 het
tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant is bij gemachtigde mr. R. Kuijer, advocaat te Rotterdam, op
bij beroepschrift van 14 maart 2000 aangevoerde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft op 11 mei 2000 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 mei 2002,
waar appellant in persoon is verschenen, met mr. Kuijer, voornoemd, als
zijn gemachtigde, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. R.J. Bilderbeek, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Op 1 juni 1992 is de onderneming [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam])
opgericht en uit de notulen van de vergadering van aandeelhouders van 5
juni 1992 blijkt dat appellant met ingang van 1 juni 1992 tot directeur
van [bedrijfsnaam] is benoemd. De aandelen van [bedrijfsnaam] zijn
geheel in handen van [bedrijfsnaam 2]., waarvan [aandeelhouder] de enig
aandeelhouder is. Bij schrijven van 26 juni 1995 heeft appellant zijn
functie als directeur van [bedrijfsnaam] ingaande 30 juni 1995
neergelegd, hetgeen is vastgelegd in de notulen van de bijzondere
vergadering van aandeelhouders van 13 juli 1995. Na berichtgeving van de
fiscus dat het bedrijf eind juni 1996 gestaakt is en na het uitblijven
van betalingen van de over de jaren 1992 tot en met 1996 verschuldigde
premie heeft gedaagde zich tot appellant gewend en hem bij besluit van
23 april 1998, op grond van het bepaalde in artikel 16c van de CSV,
hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de niet afgedragen premies sociale
werknemersverzekeringen over de periode 1 januari 1992 tot en met 30
juni 1995 van in totaal f 83.650,78. Bij het bestreden besluit van 4
september 1998 heeft gedaagde het bezwaar van appellant afgewezen en
zijn besluit van 23 april 1998 gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde
terecht en op goede gronden appellant met toepassing van artikel 16c van
de CSV aansprakelijk heeft gesteld voor de onbetaald gebleven premies
sociale werknemersverzekeringswetten welke [bedrijfsnaam] verschuldigd
was.
In hoger beroep is van de zijde van appellant de aansprakelijkstelling
bestreden, wederom met de stelling dat appellant geen reden had
[aandeelhouder] te wantrouwen en slechts zijn werk als glazenwasser,
welke hij dreigde te verliezen, wilde behouden.
De Raad overweegt te dien aanzien het volgende.
Ingevolge artikel 16c, eerste lid, onder c, van de CSV is ieder van de
bestuurders van een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid of van een
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd
is, hoofdelijk aansprakelijk voor de door dat lichaam verschuldigde
premie en voorschotpremie.
Afgezien van het antwoord op de vraag of de stelling van appellant dat
hij zich feitelijk nimmer heeft bezig gehouden met het bestuur van
[bedrijfsnaam], juist is maakt artikel 16c van de CSV geen onderscheid
tussen 'papieren' en 'echte' bestuurders. De Raad is van oordeel dat de
doelstelling van artikel 16c voornoemd illusoir zou worden, indien aan
de daar gecreëerde aansprakelijkheid ontkomen zou kunnen worden door in
het bestuur van niet volledig rechtsbevoegde of geen
rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen bestuurders te benoemen die
zich niet daadwerkelijk met de bedrijfsvoering bezig houden. De Raad is
derhalve op grond van redelijke wetsinterpretatie van oordeel dat ook
bestuurders als appellant, die zich om wat voor reden dan ook tot
bestuurder hebben laten benoemen, de risico's daarvan dienen te dragen
en onder de reikwijdte van artikel 16c, eerste lid, onder c, van de CSV
vallen.
Het vorenstaande neemt niet weg dat gedaagde bij de toepassing van uit
de wet voortvloeiende hoofdelijke aansprakelijkheden de grenzen, welke
de algemene beginselen van behoorlijk bestuur onder die omstandigheden
stellen, in acht zal moeten nemen.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 10
februari 1993, gepubliceerd in RSV 93/252, voorzien de artikelen 16a tot
en met 16d van de CSV weliswaar in een hoofdelijke aansprakelijkheid van
rechtswege van in die artikelen nader aangeduide personen en lichamen
onder nader in die bepalingen geregelde voorwaarden, maar geeft de CSV
zelf verder geen regels voor een volgorde die het uitvoeringsorgaan in
acht dient te nemen, wanneer ten aanzien van een bepaalde premieschuld
meerdere personen of lichamen naast elkaar hoofdelijk aansprakelijk
kunnen worden gesteld. In dit kader acht de Raad het van belang dat een
uitvoeringsorgaan in gevallen als het onderhavige mede beziet of de
daadwerkelijke beleidsbepalers ook aansprakelijk kunnen worden gesteld.
Op grond van de stukken alsmede het verhandelde ter zitting is de Raad
van oordeel dat de feitelijk dominante positie van [aandeelhouder] in
het geheel niet in ogenschouw is genomen, waarbij de Raad opmerkt dat
niet is gebleken dat gedaagde bij de afweging in zijn keuze om appellant
hoofdelijk aansprakelijk te stellen op enig moment op enigerlei wijze
heeft bezien of [aandeelhouder] als daadwerkelijke beleidsbepaler
eveneens aansprakelijk gesteld had kunnen worden. De Raad komt dan ook
in dit geval, waarin dit laatste gezien alle relevante feiten en
omstandigheden alleszins in de rede zou hebben gelegen, tot de conclusie
dat het besluit te dien aanzien niet met de vereiste zorgvuldigheid is
voorbereid en tot stand is gekomen, zodat de aangevallen uitspraak en
het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen.
De Raad acht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellant begroot op € 1.288,00 aan kosten in beide instanties
verleende rechtsbijstand.
Tevens zal gedaagde op grond van artikel 25, eerste lid, van de
Beroepswet het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep
gestorte griffierecht van € 102,12 in totaal dienen te vergoeden.
De Raad beslist mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beide
instanties tot een bedrag groot € 1.288,00 te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het gestorte griffierecht van € 102,12 in beide instanties
vergoedt.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|