|
Uitspraak
99/1701
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 21 april 1997 heeft gedaagde onder meer ongegrond
verklaard de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 21 december
1995, 17 september 1996, 30 september 1996 en 13 februari 1997,
inhoudende correctienota's over de jaren 1990 tot en met 1995 ter zake
van door haar aan haar werknemers verstrekte hypotheekrentevergoedingen.
De Arrondissementsrechtbank te Groningen heeft bij uitspraak van 16
februari 1999 (onder meer) het namens appellant tegen dat besluit
ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is drs. H.Th. Kuipers, werkzaam bij Moret Ernst &
Young belastingadviseurs te Rotterdam, op bij beroepschrift (met
bijlagen) aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 13 juli 1999, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 april
2001,waar voor appellante is verschenen drs. Kuipers, voornoemd, en waar
voor gedaagde is verschenen mr. C.J.M. Kluytmans, werkzaam bij Gak
Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Indien een werknemer van appellante een hypothecaire geldlening afsluit,
betaalt appellante 2% rente over het bedrag van de geldlening. Tevens
neemt appellante de afsluitprovisie tot maximaal 0,5% voor haar
rekening. In de jaren waarop het bestreden besluit betrekking heeft,
diende de geldlening bij één bepaalde bank te worden afgesloten. Thans
kan een werknemer ook bij een andere bank en bij een
verzekeringsmaatschappij een hypothecaire geldlening afsluiten, ten
einde in aanmerking te komen voor een voor rekening van appellante
komende korting op de afsluitprovisie en op de te betalen rente.
Appellante betaalt deze korting rechtstreeks aan de financiële
instelling.
Bij de bij het bestreden besluit gehandhaafde correctienota's heeft
gedaagde zich op het standpunt gesteld dat de voor rekening van
appellante komende korting loon is in de zin van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) en appellante deswege daarover premies
ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten is verschuldigd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank mede gelet op 's Raads
uitspraak van 21 juni 1995, Premie 94/0261 en het arrest van de Hoge Raad van 30
oktober 1996, gepubliceerd in RSV 1997/55, gedaagde hierin gevolgd.
Voorts heeft de rechtbank het beroep van appellante op het
vertrouwensbeginsel en het beroep van appellante op het
gelijkheidsbeginsel verworpen.
Appellante kan zich hiermee niet verenigen. Van haar kant is primair
gesteld dat, voor zover artikel 3a van de Beschikking van de
staatssecretaris van Sociale Zaken van 3 september 1954, nr. 5224, zoals
laatstelijk gewijzigd per 17 augustus 1987 (hierna: de Beschikking), al
toepassing mist, op grond van artikel 8 van de CSV de waarde van de
korting moet worden gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing
en dat toepassing van dit besparingscriterium moet leiden tot een
nihilstelling. Ter toelichting hierop is namens appellante gesteld dat
het bepaald geen eenvoudige zaak is om de besparingswaarde vast te
stellen. Allereerst dient namelijk beoordeeld te worden of een werknemer
die gebruik maakt van de kortingsregeling, normaliter ook tot aankoop
van de woning zou zijn overgegaan. Vervolgens dient te worden
vastgesteld welk bedrag voor de aankoop zou zijn aangewend, indien de
werknemer de korting niet zou hebben ontvangen. Het is naar de mening
van appellante aannemelijk dat haar werknemers vanwege de
kortingsregeling hogere leningen zijn aangegaan dan strikt noodzakelijk,
hetgeen resulteert in een lagere besparingswaarde. Nu juist aan artikel
3a ten grondslag ligt de moeilijkheid van het waarderen van het
voordeel, acht appellante geen beletsel aanwezig om bij het bepalen van
de waardering van het rentevoordeel dat haar werknemers genieten, aan te
sluiten bij dit artikel en aldus dit voordeel op nihil te stellen.
Subsidiair heeft appellante in hoger beroep haar stelling herhaald dat,
nu een eerdere looncontrole niet heeft geleid tot correcties, zij erop
mocht vertrouwen geen premies verschuldigd te zijn over het
rentevoordeel.
Meer subsidiair heeft appellante gesteld dat het gelijkheidsbeginsel
noopt tot het alsnog achterwege laten van de correcties. Daarbij heeft
zij gewezen op een besluit van gedaagde van 1 september 1998, waarbij in
een vergelijkbaar geval na gemaakt bezwaar het voordeel van een lagere
hypothecaire lening niet tot het premieloon is gerekend.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Artikel 3a van de op artikel 8, tweede lid, van de CSV gebaseerde
Beschikking bepaalt dat voor de berekening van het loon, waarnaar de
premies op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Ziekenfondswet worden geheven wordt
het voordeel, dat de werknemer heeft van een aan hem vanwege zijn
werkgever verstrekte geldleningen waarvoor hem geen of een lagere rente,
dan wel geen of een lagere afsluitprovisie in rekening wordt gebracht,
op nihil gesteld.
Gelet op het door de rechtbank aangehaalde arrest van de Hoge Raad stelt
de Raad vast dat de in dit artikel vervatte uitzondering op het
loonbegrip zoals vastgelegd in de artikelen 4 tot met 8 van de CSV in
het geval van appellante toepassing mist nu er geen sprake is van
geldleningen van haar aan haar werknemers, doch van door een derde
(thans: derden) verstrekte geldleningen. Het voordeel dat de werknemers
van appellante genieten bij gebruikmaking van de kortingsregeling, dient
dan ook volgens de hoofdregel van artikel 4, in samenhang met artikel 8,
van de CSV tot het loon te worden gerekend. Ook al is tussen partijen
niet in geschil dat dit voordeel moet worden aangemerkt als loon in
natura, zulks brengt niet met zich dat, zoals van de kant van appellante
is betoogd, dit voordeel op nihil moet worden gesteld overeenkomstig
artikel 3a van de Beschikking. Nog daargelaten dat aldus aan het
uitzonderingskarakter van dit artikel, alsmede aan de in dit artikel
vervatte beperking tot van vanwege de werkgever verstrekte geldleningen
afbreuk wordt gedaan, moet worden vastgesteld dat onder welke
omstandigheden en om welke redenen en tot welk bedrag dan ook werknemers
van appellante met gebruikmaking van de kortingsregeling een
hypothecaire geldlening afsluiten, zij steeds in volle omvang een
voordeel uit dienstbetrekking genieten gelijk aan het bedrag dat
appellante de financiële instelling verstrekt. Dit laatste is nu
eenmaal eigen aan een korting.
Met betrekking tot het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel
overweegt de Raad dat gesteld, noch gebleken is dat bij een eerdere
looncontrole de kortingsregeling uitdrukkelijk aan de orde is gesteld.
Nu van de zijde van gedaagde omtrent het achterwege laten van
premieheffing evenmin ooit enige toezegging is gedaan, faalt het beroep
van appellante op dit beginsel.
Met betrekking tot haar beroep op het gelijkheidsbeginsel, overweegt de
Raad dat hij bij gebreke van daaraan ten grondslag liggende stukken, uit
het door appellante in eerste aanleg overgelegde besluit van 1 september
1998 afleidt dat dit besluit ziet op door het betrokken bedrijf
verstrekte hypothecaire geldleningen. Het besluit vermeldt de zinsnede
"de hypothecaire leningen die u tegen een lagere rente dan de
commerciële, aan uw werknemers hebt verstrekt". Het beroep op het
gelijkheidsbeginsel faalt dan ook.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en deswege
de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2001.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) L.H. Vogt.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift van
de uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|