|
Uitspraak
99/719
CSV en 99/722 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], hierna: belanghebbende,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, hierna: het Lisv.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij besluit van 15 juli 1997 heeft het Lisv ongegrond verklaard de
bezwaren van belanghebbende tegen het besluit van 18 maart 1997,
waarbij hij op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV) aansprakelijk is gesteld voor de door [bedrijfsnaam],
statutair gevestigd te [vestigingsplaats], (hierna [bedrijfsnaam]) over
het jaar 1994 nog verschuldigde premies ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten, zulks ten bedrage van f 126.785,84.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 28
december 1998 het namens belanghebbende tegen dat besluit ingestelde
beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het Lisv opgedragen
een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze
uitspraak is overwogen, het Lisv veroordeeld in de proceskosten van
belanghebbende en gelast dat het Lisv het door belanghebbende betaalde
griffierecht vergoedt.
Namens belanghebbende is mr. J.P. Jager, advocaat te Haarlem, op bij
beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger
beroep gekomen.
Het Lisv is op bij aanvullend beroepschrift van 12 mei 1999 aangevoerde
gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Namens belanghebbende is een verweerschrift, gedateerd 10 juni 1999,
ingediend.
Het Lisv heeft bij schrijven van 23 augustus 1999 van verweer gediend.
Bij brief van 28 juni 2001 heeft mr. J.P. Jager de Raad nog enkele
stukken doen toekomen.
Het Lisv heeft bij brief van 2 juli 2001 een vanwege de Raad gestelde
vraag beantwoord.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 juli
2001, waar belanghebbende - daartoe ambtshalve opgeroepen - in persoon
is verschenen, bijgestaan door mr. Jager, voornoemd, en waar voor het
Lisv - eveneens ambtshalve opgeroepen - is verschenen mr. M.P. Romijn,
werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin belanghebbende als eiser is
aangeduid en het Lisv als verweerder, ontleent de Raad de volgende
feiten en omstandigheden:
"Eiser, werkzaam bij Den Helder assurantiën B.V. geeft onder meer
adviezen aan in problemen verkerende bedrijven.
Op 26 juli 1993 stelde eiser samen met [medeaandeelhouder]
(hierna [medeaandeelhouder]) een overeenkomst op, op grond waarvan
[bedrijfsnaam 2], waarvan eiser directeur-enig aandeelhouder was,
voortaan de directie zou gaan voeren over onder meer [bedrijfsnaam]. [Medeaandeelhouder]
was voor 50% aandeelhouder van [bedrijfsnaam]. De overige 50% van de
aandelen waren in handen van [aandeelhouder] (hierna
[aandeelhouder]). Reden voor het opstellen van deze overeenkomst was dat
[medeaandeelhouder] ernstig ziek was en de continuïteit van zijn B.V.'s
wilde waarborgen, teneinde zijn echtgenote na zijn overlijden te
verzekeren van inkomen.
In november / december 1993 ontstond bij eiser het vermoeden dat er bij
[bedrijfsnaam] (aanvullingen op) lonen zwart werden uitbetaald.
Uiteindelijk kreeg eiser in maart 1994 goed zicht op de situatie, na
bestudering van de administratie. Hierop besloot eiser af te zien van
het in bovengenoemde overeenkomst opgenomen voorstel om de directie te
gaan voeren over onder meer [bedrijfsnaam].
Op 3 maart 1994 is [medeaandeelhouder] overleden.
In een memo van 19 maart 1993 stelde eiser aan [aandeelhouder] voor om
een nieuw bedrijf op te richten, genaamd Dutch Telegroup B.V. (hierna
D.T.G.).
Op 22 maart 1994 werd eiser door de weduwe [medeaandeelhouder] een
algemene volmacht verstrekt, waarin hij onder meer werd gevolmachtigd
haar ten aanzien van de vennootschap [bedrijfsnaam] in alle opzichten
te vertegenwoordigen en om al haar rechten en belangen, zonder enige
uitzondering uit te oefenen. De volmacht strekte mede om daden van
beheer van beschikking te verrichten, en om directieleden te benoemen,
waarmee werd beoogd de overeenkomst d.d. 26 juli 1993 tot uitvoering te
brengen.
Na het overlijden van [medeaandeelhouder] is [bedrijfsnaam] nooit een
nieuwe directeur aangesteld. Wel heeft [aandeelhouder] zich op enig
moment als directeur bij de Kamer van Koophandel laten inschrijven, in
verband met de ondertekening van een licensieovereenkomst tussen
[bedrijfsnaam] en D.T.G. op 30 juli 1994.
Op 10 maart 1995 zijn de administratieve bescheiden van [bedrijfsnaam]
over 1994 in beslag genomen in het kader van een onderzoek naar de
kasadministratie van [bedrijfsnaam] door de Fiod en verweerder.
Op 18 maart 1995 heeft eiser een melding inzake betalingsonmacht
(ingevolge artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering) aan
verweerder verzonden.
Bij brief van 29 mei 1996 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de
melding betalingsonmacht als rechtsgeldig is aangemerkt."
Bij het bestreden besluit heeft het Lisv belanghebbende aansprakelijk
gesteld voor de door [bedrijfsnaam] niet betaalde premies ingevolge de
sociale werknemersverzekeringswetten, waaronder begrepen een boetenota
van 30 oktober 1995. Daarbij heeft het Lisv belanghebbende aangemerkt
als bestuurder in de zin van artikel 16d, zesde lid, aanhef en onder b,
van de CSV. Het bij het bestreden besluit door het Lisv ingenomen
standpunt dat belanghebbende in 1994 van 1 januari tot 1 augustus mede
het beleid bepaalde van [bedrijfsnaam] als ware hij bestuurder, is
gegrond op de hiervoor vermelde overeenkomst van 26 juli 1993 en
volmacht van 22 maart 1994, de betrokkenheid van belanghebbende bij het
ontslag van een bedrijfsleider, de betrokkenheid van belanghebbende bij
de financiële en administratieve gang van zaken in verband waarmede hij
ook op de hoogte was met niet verantwoorde loonbetalingen en zijn
betrokkenheid bij de oprichting van D.T.G., welk bedrijf de activiteiten
van [bedrijfsnaam] heeft voortgezet, en waartoe belanghebbende het
initiatief heeft genomen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit standpunt gevolgd
voor wat betreft de periode 22 maart 1994 tot 1 augustus 1994, vanaf
welke datum [bedrijfsnaam] geen activiteiten meer ontplooide. Daarbij
heeft de rechtbank overwogen dat, hoewel het niet ondenkbaar is dat
belanghebbende al voor 22 maart 1994 bestuursdaden heeft verricht,
daarvoor in de gedingstukken voldoende concrete aanwijzingen ontbreken.
Vanaf 22 maart 1994, op welke datum belanghebbende werd gemachtigd door
de weduwe [medeaandeelhouder], is naar het oordeel van de rechtbank
belanghebbende zich actief met de bedrijfsvoering gaan bemoeien.
Derhalve moet belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank op grond
van artikel 16d van de CSV hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld over
de periode van 22 maart 1994 tot 1 augustus 1994.
Belanghebbende kan zich niet vinden in het oordeel waartoe de rechtbank
is gekomen. Van zijn kant is primair gesteld dat hij in de betrokken
periode slechts adviseur van [bedrijfsnaam] en zaakwaarnemer van de
weduwe [medeaandeelhouder] was.
Het Lisv is in hoger beroep gekomen omdat, ook al moet worden aangenomen
dat belanghebbende slechts in de periode van 22 maart 1994 tot 1
augustus bestuurder in vorenbedoelde zin is geweest, daarmede niet is
gegeven dat hij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de periode 1
januari 1994 tot 22 maart 1994.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Onder een beleidsbepaler als waarop artikel 16d, zesde lid, aanhef en
onder b, van de CSV ziet, moet onder anderen worden gerekend degene die
in een vennootschap een machtspositie bekleedt en onder omstandigheden
als feitelijk bestuurder kan worden beschouwd. De enkele omstandigheid
dat iemand het beleid van een vennootschap mede heeft bepaald, is
onvoldoende voor een aansprakelijkstelling. Gelet op de toevoeging
"als ware hij bestuurder" dient de betrokken persoon zich
daarnaast ook daadwerkelijk als bestuurder te hebben gedragen. Het ligt
op de weg van het Lisv om voldoende aannemelijk te maken dat aan deze
voorwaarden is voldaan.
Naar het oordeel van de Raad is het Lisv in het voldoende aannemelijk
maken dat belanghebbende zich ook daadwerkelijk als bestuurder heeft
gedragen, niet geslaagd. Allereerst wijst de Raad er daarbij op dat, nu
van de kant van het Lisv niet is bestreden het oordeel van de rechtbank
dat belanghebbende niet voor 22 maart 1994 als bestuurder kan worden
aangemerkt, buiten beschouwing dienen te blijven feiten en
omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor deze datum, waaronder de
door het Lisv veronderstelde betrokkenheid van belanghebbende bij het
ontslag van een bedrijfsleider. Niet ontkend kan worden dat
belanghebbende als gevolmachtigde van de weduwe [medeaandeelhouder]
vanaf 22 maart 1994 een zekere machtspositie had, zij het dat hierbij wel
dient te worden aangetekend enerzijds dat deze weduwe niet de
meerderheid van de aandelen had, en anderzijds dat de andere
aandeelhouder die om hem moverende redenen niet de positie van statutair
directeur wenste te bekleden, blijkens de gedingstukken degene was die
feitelijk leiding gaf aan de gang van zaken in het bedrijf. Van dit
laatste is ten aanzien van belanghebbende niet, althans onvoldoende
gebleken. De omstandigheid dat hij op de hoogte was van de financiële
en administratieve gang van zaken en zich ook op de hoogte liet houden,
betekent nog niet dat hij met betrekking tot deze gang van zaken een
bemoeienis had die verder strekte dan die van adviseur en/of
gevolmachtigde van de weduwe [medeaandeelhouder]. Niet is gebleken dat
hij daaraan leiding gaf in die zin dat deze administratie op zijn
aanwijzingen werd gevoerd. Het vorenstaande geldt evenzeer voor de
betrokkenheid van belanghebbende bij het beëindigen van de activiteiten
van [bedrijfsnaam] en het onderbrengen van deze activiteiten in een
nieuw opgerichte vennootschap, ten einde - naar zijn zeggen - met een
schone lei opnieuw te kunnen beginnen. Dat uiteindelijk zijn initiatief
daartoe is overgenomen door de andere aandeelhouder en in zoverre dit
initiatief (mede)beleidsbepalend is geweest, betekent evenmin dat
belanghebbende daarbij heeft gehandeld als ware hij bestuurder. In die
positie verkeerde belanghebbende niet, mede gelet op de prominente rol
van de andere aandeelhouder in het bedrijf.
Gelet op het hiervoor overwogene komt de Raad tot het oordeel dat het
hoger beroep van belanghebbende slaagt. Hiermede is tevens gegeven dat
het hoger beroep van het Lisv niet kan slagen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht het Lisv te veroordelen in de proceskosten
van belanghebbende in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f
1.420,-- voor verleende rechtsbijstand.
Voorts stelt de Raad vast dat het door belanghebbende in hoger beroep
gestorte griffierecht door het Lisv dient te worden vergoed.
Tot slot stelt de Raad vast dat van het Lisv een recht van f 675,--
dient te worden geheven.
Mitsdien dient als volgt te worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het Lisv is
opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die
uitspraak;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van belanghebbende in hoger
beroep tot een bedrag groot f 1.420,--;
Verstaat dat het Lisv aan belanghebbende het gestorte recht van f 160,--
vergoedt, Verstaat dat van het Lisv een recht van f 675,-- wordt
geheven.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van N.J. Stolten als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2001.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) N.J. Stolten.
|
|