|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/4395 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[naam bedrijf], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 29 november 2000
aangegeven gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de
Rechtbank Amsterdam onder dagtekening 20 juni 2000 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 juni
2002, waar alleen appellant zich heeft doen vertegenwoordigen en wel
door mr. B. de Pijper, werkzaam bij het Uwv.
Omdat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft de Raad het
onderzoek heropend.
Desgevraagd heeft het Hoofd van de afdeling bevolking van de gemeente
Amsterdam het juiste adres van gedaagde, te weten [naam adres] TE [naam
woonplaats], bevestigd d.d. 18 juli 2002.
De behandeling van het geding is voortgezet ter zitting van de Raad,
gehouden op 30 augustus 2002, waar wederom alleen appellant zich heeft
doen vertegenwoordigen door mr. B. de Pijper, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit, na bezwaar, van 2 juni 1998 heeft appellant
de correctie- en boetenota's over de jaren 1995 en 1996 gehandhaafd.
De rechtbank heeft het namens gedaagde ingestelde beroep gegrond
verklaard voor zover betrekking hebbend op de opgelegde boetes.
De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat appellant zich ten onrechte op
het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een ernstige en
verhoudingsgewijs omvangrijke fraude als bedoeld in artikel 3 van het
Besluit Administratieve Boeten Coördinatiewet, Stcrt. 1987, 252
(hierna: het Besluit), zoals dit ten tijde hier van belang gold.
Hiertoe heeft de rechtbank gewezen naar de toelichting op voormeld
artikel van het Besluit waarin vermeld is dat sprake is van een ernstige
en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude, wanneer de gehele opzet van een
bedrijf gericht is op het plegen van fraude en het ontduiken van premie.
Nu, hoewel naar het oordeel van de rechtbank de omstandigheid dat
gedaagde de beweerde contante betalingen aan de buitenlandse bedrijven
niet aannemelijk heeft weten te maken al duidt op ernstige aan opzet
grenzende onachtzaamheid en dat appellant er derhalve op goede gronden
vanuit mocht gaan dat de productie in eigen beheer heeft plaatsgevonden
en dat de loonadministratie derhalve onjuist en onvolledig is geweest,
levert dit geen ernstige en omvangrijke fraude op. Op grond van de
rechtbank bekende gegevens kan toch niet met voldoende zekerheid worden
gezegd, dat gedaagdes bedrijfsopzet gericht was op het plegen van
fraude en het ontduiken van premie.
De Raad overweegt als volgt.
Hoewel de toelichting op artikel 3 van het Besluit enig aanknopingspunt
biedt voor de door de rechtbank aangehangen lezing, ziet de Raad in deze
toelichting op zichzelf onvoldoende grond om in de onderhavige situatie
niet te kunnen spreken van ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke
fraude.
Het rapport van 28 augustus 1997 van een bij gedaagde in 1997 gehouden
looncontrole, laat namelijk zien dat er stelselmatig gefingeerde
facturen zijn gebruikt voor het zogenaamd in het buitenland uitbesteed
werk. Op deze facturen stonden onjuiste adressen vermeld of adressen die
in het geheel niet bestonden, dan wel werden er BTW-nummers gebruikt van
een ander bedrijf dan het desbetreffende bedrijf waar het werk zou zijn
uitbesteed. Bovendien ontbraken er vervoersdocumenten en buitenlandse
bankoverschrijvingen en de beweerde contante betalingen konden niet
worden geverifieerd in verband met het ontbreken van een actuele
kasadministratie.
De Raad leidt uit dit rapport tevens af dat bij waarnemingen ter plaatse
werkende personen zijn aangetroffen, die achteraf (gedurende dat
tijdvak) niet in de loonadministratie werden opgenomen en dat diverse
malen de urenregistratie niet of onvolledig werd ingevuld. Naar het
oordeel van de Raad laten de gedingstukken geen andere conclusie toe dan
dat gedaagde bij zijn bedrijfsvoering de verantwoorde lonen stelselmatig
bewust laag heeft gehouden.
Ingevolge artikel 9 van het door appellant genomen besluit van 24 juni
1998, Stcrt. 1998, 123, ter uitvoering van het Besluit, geldt als
richtsnoer dat de fraude als ernstig en verhoudingsgewijs omvangrijk
wordt aangemerkt wanneer het loonbedrag terzake waarvan de werkgever in
verzuim is f 10.000,-- (€ 4.537,82) of meer bedraagt en dit loonbedrag
20% of meer uitmaakt van het, over het kalenderjaar waarin de werkgever
het verzuim heeft gepleegd, totaal te verantwoorden bedrag.
Wat betreft de omvang van het verzwegen premieloon, gerelateerd aan het
wel in de loonadministratie verantwoorde premieloon, is de Raad van
oordeel dat gepleegde fraude de kwalificatie 'verhoudingsgewijs
omvangrijk' alleszins verdient. De afwijking ten opzichte van het
verantwoorde premieloon bedraagt over de desbetreffende jaren 30 tot 50
procent. Ook wat betreft het absolute verschil in hoogte van de
aangegeven verschuldigde premie en de uiteindelijk verschuldigde premie
heeft appellant zijn beleidsregel juist toegepast.
Gelet op het vorenstaande kan de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevallen, niet in stand blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B. J. van der Net als voorzitter, in
tegenwoordigheid van R.E Lysen als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 20 september 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|