|
Uitspraak
00/2868
CSV, 00/2869 CSV en 00/2870 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[bedrijfsnaam I] B.V., appellante 1,
[bedrijfsnaam II] B.V. appellante 2,
[bedrijfsnaam III] B.V., appellante 3, alle gevestigd te
[vestigingsplaats],
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Naar aanleiding van bij appellanten gehouden looncontrole heeft gedaagde
bij appellanten premies ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten nagevorderd. Na gemaakt bezwaar zijn deze
navorderingen gehandhaafd bij de thans bestreden besluiten van 1
december 1998 (appellante 1), 28 december 1998 (appellante 2) en 16
december 1998 (appellante 3).
De Rechtbank Groningen heeft bij uitspraken van 20 april 2000 de tegen
voormelde besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden heeft M.H.G.A. Vink,
belastingadviseur te Groningen, als gemachtigde van appellanten hoger
beroep ingesteld tegen voormelde uitspraken.
Gedaagde heeft in de respectieve gedingen een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
4 juli 2002. Appellanten zijn verschenen bij hun gemachtigde mr. J.B.
Rietveld, belastingadviseur te Groningen. Gedaagde heeft zich doen
vertegenwoordigen door mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De bedrijfsactiviteiten van appellanten bestaan uit het verlenen en het
verrichten van werkzaamheden op het gebied van milieu, infrastructuur,
ruimtelijke inrichting, procestechniek en installaties. In het kader van
deze werkzaamheden worden werknemers bij opdrachtgevers gedetacheerd.
Naar aanleiding van een in februari 1998 van de kant van gedaagde
gehouden looncontrole heeft gedaagde uitgereikt onderscheidenlijk aan
appellante 1 correctienota's van 26 augustus 1998 over de jaren 1993 tot
en met 1996, aan appellante 2 een correctienota van 26 augustus 1998
over het jaar 1994, en aan appellante 3 correctienota's van 2 september
1998 over de jaren 1994 en 1995.
Deze correctienota's hebben betrekking op onkostenvergoedingen en wel de
vaste daggeldvergoedingen die appellanten hebben verstrekt aan hun
werknemers. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat deze
onkostenvergoedingen ten dele als bovenmatig moeten worden aangemerkt,
zodat deze alsnog, ten dele in de premieheffing werknemersverzekeringen
moeten worden betrokken.
In bezwaar heeft, in verband met enerzijds een beroep op 'Reisregeling
binnenland', zoals die geldt voor ambtenaren en anderzijds de poging om
de uitbetaalde vergoedingen aannemelijk te maken, de looninspecteur een
aanvullend looncontrolerapport d.d. 7 augustus 1998 uitgebracht.
Bij de bestreden besluiten zijn de correctienota's gehandhaafd.
In geschil is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen
houden.
De Raad stelt voorop dat de hoofdregel van artikel 4 van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) luidt dat al hetgeen uit (tegenwoordige)
dienstbetrekking wordt genoten loon vormt voor de premieheffing
werknemersverzekeringen.
Een uitzondering hierop wordt onder meer gemaakt in artikel 6, eerste
lid, onder k, van de CSV, waarin is bepaald dat niet tot het loon
behoren vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken tot
bestrijding van kosten.
Gegeven het uitzonderingskarakter van deze bepaling op de hoofdregel,
ligt het op de weg van degene die een beroep doet op deze bepaling,
aannemelijk te maken dat zich een situatie voordoet, als bedoeld in
evenvermeld voorschrift.
De Raad is op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting van de
Raad met de rechtbank en gedaagde van oordeel dat appellanten niet
aannemelijk hebben gemaakt dat de vaste daggeldvergoedingen volledig ter
dekking van reële kosten hebben gestrekt.
Het namens appellanten ingenomen standpunt dat niet aangetoond behoeft
te worden dat tegenover de daggeldvergoedingen reële kosten hebben
gestaan, zolang de werkgever aannemelijk kan maken dat de kosten die hij
vergoedt, naar objectieve maatstaven geacht kunnen worden door de
uitoefening van de dienstbetrekking noodzakelijkerwijs te zijn
opgeroepen, of bijdragen aan de behoorlijke vervulling van zo'n
dienstbetrekking, kan de Raad niet onderschrijven.
Naar het oordeel van de Raad brengt een forfaitair systeem van
daggeldvergoeding weliswaar mee dat een verstrekte vergoeding niet
altijd gelijk is aan de daadwerkelijke gemaakte kosten, maar ook in dat
geval blijft voor de werkgever de verplichting bestaan om voldoende
aannemelijk te maken dat er kosten zijn gemaakt en dat deze kosten ter
dekking van reële kosten hebben gestrekt. De werkgever kan dit bereiken
door gedurende een bepaalde periode alsnog gespecificeerd bij te houden
welke kosten daadwerkelijk worden gemaakt door de betreffende
werknemers.
In dit verband acht de Raad een van de kant van appellanten overgelegde
lijst waar kostencategorieën worden vermeld die zich zouden hebben
voorgedaan, een ontoereikende grondslag voor het oordeel dat appellanten
aan de op hen rustende bewijslast heeft voldaan.
Daarbij merkt de Raad nog op dat naar aanleiding van een voorafgaande
looncontrole van de voormalige vestiging in [naam vestigingsplaats],
[bedrijfsnaam IV] B.V. in 1995 reeds te verstaan was gegeven dat de
daggeldvergoedingen boven de f 2,-- (€ 0,91) bovenmatig waren en dat
deze kosten nader dienden te worden onderbouwd.
In hoger beroep is mede als onderbouwing van de stelling dat de kosten
aannemelijk zijn wederom verwezen naar het Reisbesluit Binnenland,
waarbij ook niet wordt uitgegaan van door ambtenaren gemaakte kosten,
maar de kosten worden gebaseerd op de gemiddelde prijs van bijvoorbeeld
een lunch. Nu de vergoedingen van appellanten lager zijn dan die genoemd
in dit Besluit, zijn deze vergoedingen, aldus appellanten, niet
bovenmatig.
De Raad kan appellanten hierin niet volgen. Immers, blijkens de regeling
zoals weergegeven in het Reisbesluit Binnenland die ten aanzien van het
overheidspersoneel geldt, worden slechts kosten op declaratiebasis per
daadwerkelijke gemaakte dienstreis vergoed. Bij de litigieuze
daggeldvergoedingen gaat het echter om forfaitaire vergoedingen die
worden betaald zonder controle op het daadwerkelijk verricht zijn van de
activiteiten.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van N.J. Stolten als
griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) N.J. Stolten.
|
|