|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/4354 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 18 juni 1999 is ongegrond verklaard het bezwaar van
appellante tegen de aan haar opgelegde correctie- en boetenota's over de
jaren 1994 tot en met 1997 van respectievelijk 22 januari 1999 en 1
februari 1999.
De Rechtbank 's-Gravenhage heeft het namens appellante tegen dat besluit
ingestelde beroep bij uitspraak van 30 juni 2000 ongegrond verklaard.
Mr. J. Veenendaal, belastingadviseur te Amersfoort, heeft namens
appellante tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De gronden van
het hoger beroep zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift (met
bijlagen) d.d. 29 september 2000.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 27 oktober 2000, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 juli
2002, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Veenendaal,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
M. Mulder, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In 1998 is bij appellante een controle gehouden in het kader van de
aangifte loonbelasting over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31
december 1996. In het rapport dat naar aanleiding van de controle is
opgemaakt zijn twee correcties aangebracht op de ingediende aangiften
loonbelasting. In de eerste plaats is vermeld dat de bij appellante in
dienst zijnde werknemer [werknemer] een onjuist sofinummer had
doorgegeven aan de werkgever en dat hij zich niet had gelegitimeerd door
middel van een officieel identiteitsbewijs. In verband daarmee is over
de jaren 1994 tot en met 1997 een brutoloon vastgesteld van in totaal f
82.543,-- en is een bedrag van in totaal f 51.652,-- aan bruto
loonheffing nageheven.
Voorts is in het rapport vastgesteld dat er in de jaren 1994 tot en met
1996 betalingen zijn geweest, waarvan niet is aangetoond aan wie zij
zijn verricht. Op die grond is voor de heffing van de loonbelasting
uitgegaan van het anoniementarief. In verband met deze betalingen is het
brutoloon gecorrigeerd met een bedrag van in totaal f 104.909,-- en is
een bedrag van in totaal f 65.728,-- aan bruto loonheffing nageheven.
Op basis van deze door de belastingdienst verstrekte gegevens heeft
gedaagde het premieloon over de jaren 1994 tot en met 1997 gecorrigeerd
en vastgesteld op de door de belastingdienst in het rapport vermelde
brutoloonbedragen. Op grond van de aldus vastgestelde premielonen over
de jaren 1994 tot en met 1997 zijn correctie- en boetenota's opgelegd.
Gedaagde heeft zelf geen nader onderzoek laten verrichten.
Namens appellante is - onder overlegging van stukken - aangevoerd dat
[werknemer] wel degelijk was verantwoord in de loonadministratie en dat
voor hem premies zijn ingehouden en afgedragen. Voorts is er namens
appellante (reeds tijdens de bezwarenprocedure) op gewezen dat de
belastingdienst de naheffingsaanslag die betrekking heeft op [werknemer]
verminderd heeft tot nihil en dat de naheffingsaanslag die betrekking
heeft op de betalingen aan anonieme personen is verminderd tot in totaal
f 30.000,--.
Gedaagde heeft in de omstandigheid dat de belastingdienst de
naheffingsaanslagen heeft verminderd tot nihil, respectievelijk tot f
30.000,-- geen aanleiding gezien haar standpunt met betrekking tot de
correctie van de premielonen te wijzigen. Hij heeft in dat verband
gesteld dat de uitvoeringsinstelling een eigen bevoegdheid en
verantwoordelijkheid met betrekking tot de uitvoering van de sociale
werknemersverzekeringen heeft. Gedaagde acht zich niet gebonden aan het
door de belastingdienst nader ingenomen standpunt.
De Raad onderschrijft in het algemeen de stelling van gedaagde dat hij
een eigen verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de vaststelling van
premielonen, waarbij hij niet gebonden is aan hetgeen de fiscus in het
kader van de loonheffing heeft vastgesteld. Nu de uitvoeringsinstelling
zich bij de vaststelling van de correctie van het premieloon echter
uitsluitend heeft gebaseerd op de uit het controlerapport blijkende
bevindingen van de fiscus, zonder zelf een feitenonderzoek in te
stellen, ontbeert deze vaststelling als gevolg van de duidelijke
wijziging van het standpunt van de fiscus, een deugdelijke motivering.
De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de aanvankelijk door de
fiscus aangebrachte correcties slechts zeer summier waren onderbouwd en
dat voorts niet is komen vast te staan op welke grond zij haar standpunt
heeft herzien. Onder deze omstandigheden, waarin omtrent de aan de
correctie van het premieloon ten grondslag liggende feiten nauwelijks
iets bekend is, moet worden geconcludeerd dat het opleggen van deze
correctie is geschied in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). Als gevolg daarvan ontbeert de opgelegde boete
eveneens een voldoende draagkrachtige motivering.
Het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen de correctie- en
boetenota's ongegrond is verklaard, komt derhalve wegens strijd met
artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De aangevallen
uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is
verklaard, komt mitsdien voor vernietiging in aanmerking.
Gedaagde zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen
een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.
De Raad acht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.
Tot slot dient het Uwv op grond van artikel 25, eerste lid, van de
Beroepswet het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep
gestorte griffierecht van in totaal € 510,50 te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beide
instanties tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het gestorte griffierecht van €
510,50 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van N.J.
Stolten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus
2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) N.J. Stolten.
|
|