|
Uitspraak
00/3536
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. W.K.J. van Santen als juridisch adviseur op
bij aanvullend beroepschrift van 5 juli 2000 aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld van een door de Rechtbank Roermond onder dagtekening 22
mei 2000 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is bij schrijven van 23 februari 2001 van verweer
gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13
september 2002, waar appellante, daartoe opgeroepen, zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. W.K.J. van Santen, voornoemd, alsmede J.P.
Zeegers, toenmalig bedrijfsaccountant, te Roermond. Als namens
appellante voorgebrachte getuige is gehoord [naam directeur], directeur
van de Nederlandse Kermisbond, te [vestigingsplaats]. Voorts heeft
appellante doen medebrengen [familielid I], [fammilielid II],
[familielid III], [familielid IV], allen woonachtig te [naam
woonplaats], alsmede de reeds bij de rechtbank als getuige gehoorde
[naam havenmeester], markt- en havenmeester te [vestigingsplaats].
Gedaagde, eveneens opgeroepen, heeft zich doen vertegenwoordigen door
mr. W. van Nieuwburg, werkzaam bij het Uwv, alsmede de desbetreffende
looninspecteur J.L.A. Bouwman.
II. MOTIVERING
Door appellante is in de jaren in geding 1994 tot en met 1997 een door
het land reizend kermisbedrijf geëxploiteerd. Daarin waren volgens haar
zeggen voor het te bedienen materieel, waaronder met name een aantal
botsauto's en grijpkraanautomaten, naast familieleden [naam familie] -
hoofdzakelijk vader, echtgenote en zoon, aanvullend grootvader en een
tot 1997 minderjarige dochter - een door gedaagde betwist beperkt aantal
hulppersonen ingezet om het bedrijf van standplaats tot standplaats
draaiend te houden. Uitgaande van een door hem ondeugdelijk bevonden
administratie en een weigering van appellante uit
concurrentieoverwegingen om standplaatsen met aard en hoeveelheid van
attracties in genoemde boekjaren aan te geven is door de looninspecteur
op grond van jaarrekeningen, ervaring en kermisbezoek uitgegaan van een
geschatte benodigde theoretische bezetting van het personeelsbestand van
13 personen over 1994 en 1995, van 11 personen over 1996, van 7 personen
over 1997, hetgeen met aftrek van 3 familievennoten over de eerste drie
jaren en van 4 familieleden over het laatste jaar neerkomt op een
administratief ontbrekende externe bezetting van 10 personen over 1994
en 1995, van 8 personen over 1996 en van 3 personen over 1997 om de in
bedrijf zijnde botsauto's en grijpkraanautomaten tijdens het
kermisseizoen van steeds 7 maanden tegen het netto equivalent van het
wettelijk minimumloon te kunnen bedienen. Deze aannames zijn van stonde
af vanwege appellante en haar accountant als niet reëel bestreden,
waarbij erop gewezen is dat enerzijds vanaf 1994 meer familieleden zijn
ingeschakeld inzonderheid de grootvader en minderjarige dochter
gedeeltelijk en anderzijds geen dan wel minder extern hulppersoneel, wel
administratief verantwoord, ter exploitatie van de operationele
attracties ten tijde van het kermisgebeuren ter plaatse behoefde te
worden ingezet.
Uitgaande hiervan heeft gedaagde de zienswijze van de looninspecteur
Bouwman bij het bestreden besluit van 10 augustus 1999 gevolgd en de
premiecorrectienota's dienovereenkomstig gehandhaafd met terugbrenging
van de boetenota's tot 25%, uitgaande van een eerste verzuim. Gedaagde
heeft hierbij geoordeeld dat appellante door te weigeren de gevraagde
informatie te verschaffen het risico heeft aanvaard de premies vast te
stellen aan de hand van een zo nauwkeurig mogelijke schatting uitgaande
van het in de looncontrolerapportage genoemde aantal geëxploiteerde
attracties en de daarvoor als benodigd vermelde personen.
In hoger beroep is van de zijde van appellante bestreden dat - zoveel -
extra hulppersoneel voor het in bedrijf houden van de attracties
benodigd is geweest zowel gezien de beschikbare familieleden als gelet
op de technisch geautomatiseerde en hydraulisch gecontroleerde aard van
het materieel. Daarbij is gewezen op de van adequaat onderzoek gespeende
aannames van de looninspecteur, die van eigen beperkte ervaringen in het
kermisbedrijf uitgaat en van jaar tot jaar ingezette wisselende
persoonsaantallen bij het doen draaien van de attracties. De van op
eigen ervaring gebaseerde, van beperktere personele inzet uitgaande
getuigenverklaringen van marktmeester [naam marktmeester] in eerste
aanleg bij de rechtbank en van kermisbonddirecteur [naam
kermisbonddirecteur] ter zitting van de Raad, met concrete kennis van de
werking van kermissen als de onderhavige, zouden de juistheid van het
standpunt van appellante steunen.
De door accountant J.P. Zeegers ingediende jaarstukken, die de waarheid
tenminste in het midden ziet liggen en de bevindingen van de
looninspectie als niet reëel en te vergaand verwerpt, zijn door de
belastingdienst, waarmede geen overleg is gepleegd, niet verworpen.
Gedaagde heeft de schatting als reëel verdedigd met integraal risico
tengevolge van onjuistheden voor rekening van appellante, omdat een
deugdelijke administratie ontbrak en door de weigering van appellante om
nadere informatie te verstrekken en waarneming ter plaatse toe te staan.
De Raad overweegt het volgende.
Weliswaar heeft appellante het voorzienbare risico genomen zich een
schatting van materieel en personeel en de daaruit voortvloeiende
premiecorrecties en boetevaststellingen te doen welgevallen over de in
geding zijnde jaren tengevolge van het feit dat gedaagde destijds zij
het om moverende concurrentiegevoelige redenen de benodigde informatie
is onthouden, doch dit rechtvaardigt nog niet iedere betrekkelijk
willekeurige, hoog opgevoerde aanname van het personeelsbestand zonder
reële basis.
Op grond van de stukken, in het licht van het verhandelde ter zitting,
mede gezien de ten overstaan van de rechtbank en van de Raad afgelegde
getuigenverklaringen is de Raad tot het zorgvuldig gewogen oordeel
gekomen dat in alle jaren van 1994 tot en met 1997 realiter ook van
medewerking uit de familie [naam familie] van grootvader en dochter voor
in totaal circa een hele taak van 1 persoon mag worden uitgegaan, en dat
overigens het bedienen van het in bedrijf zijnde materieel aan
botsauto's en grijpkraanautomaten naar redelijke schatting tenminste nog
de inzet van 1 persoon uit extern hulppersoneel minder vereiste -
gegeven
de familiaire betrokkenheid en professionaliteit en de aard van het
materieel - dan waarvan rechtbank en gedaagde in het voetspoor van de
looninspectie zonder meer zijn uitgegaan. Door van een met inachtneming
van deze uitgangspunten teruggebracht personeelsbestand uit te gaan
wordt tevens - althans de ontegenzeggelijke dreiging van - arbitraire
"overkill" vermeden welke thans in op voet van
inspectiebevindingen vergaande premiecorrecties en boetevaststellingen
diens voor betwisting vatbare beslag heeft gekregen. De Raad heeft
hierbij doen wegen dat de betrokken inspecteur zijn eerste
kermiscontrole deed en uit beperkt vergelijkingsmateriaal over andere
kermissen heeft kunnen putten, en niet in enig ondersteunend overleg met
specifieke deskundigen en zelfs niet met de opsporingsfunctionarissen
van de belastingdienst is getreden over de bijzondere situatie van het
voorliggende geval en zijn oordeel autonoom zonder nadere genoegzaam
geobjectiveerde basis heeft gevormd.
Aan de andere kant wil de Raad daartegenover zeker niet geringschatten
dat ook appellante zelf gedaagde en allereerst inspectie in elk geval
meer informatie had kunnen en dienen te leveren over de boekjaren in
geding ter zake van standplaatsen, de inzet en het gebruik van
allerhande materieel en personeel benevens de administratief volwaardig
uitgewerkte beloning per man. Behoudens voor wat de op grond van het
bovenstaande aan te passen niet reëel voorkomende personeelsbezetting
aangaat ten gunste van appellante, acht de Raad dan ook geen termen
aanwezig verdere haar begunstigende aanpassingen in deze uitspraak te
bevorderen en oordeelt het risico te dien aanzien thans voor rekening en
verantwoording van appellante te moeten laten.
Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het bestreden besluit en in het
voetspoor daarvan de aangevallen uitspraak wegens het gemis van
voldoende grondslag niet in stand kunnen worden gelaten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.
Tot slot stelt de Raad vast dat het door appellante zowel in eerste
aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te
worden vergoed.
De Raad beslist derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van het in
deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot in totaal €
1.288,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van € 510,50
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|