|
Uitspraak
00/5819
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 3 februari 1999 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 25 augustus 1998, waarbij
hij op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [naam bedrijf]
niet betaalde premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten over
het jaar 1996 tot een bedrag van f 45.976,-- en een opgelegde boete over
dat jaar ten bedrage van f 22.798,--, in totaal f 68.774,--.
De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 28 september 2000 het
namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard,
het bestreden besluit vernietigd, appellant gelast het door gedaagde
gestorte griffierecht te vergoeden en appellant veroordeeld in de
proceskosten van gedaagde.
Op bij aanvullend beroepschrift van 17 januari 2001 aangevoerde gronden
is appellant van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 oktober
2002, waar appellant is vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Kluytmans,
werkzaam bij het UWV. Van de zijde van gedaagde is niemand verschenen.
II. MOTIVERING
Voor zijn oordeelsvorming neemt de Raad als uitgangspunt de door
partijen niet betwiste feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de
aangevallen uitspraak, waarbij appellant wordt aangeduid als verweerder
en gedaagde als eiser.
"Eiser is bestuurder van [naam bedrijf], handelende
onder de naam [naam], gevestigd te [vestigingsplaats]. Het betreft hier
een handelsmaatschappij en een technisch installatiebedrijf. De
bedrijfsuitoefening is medio november 1996 gestaakt en bij vonnis van
deze rechtbank van 24 december 1996 is het faillissement van de
onderneming uitgesproken.
Bij brief van 10 juli 1998 is eiser in kennis gesteld van verweerders
voornemen om eiser, als bestuurder van [naam bedrijf] aansprakelijk te
stellen voor onbetaalde sociale verzekeringspremies. Verweerder heeft
aangegeven dat ten aanzien van eiser als bestuurder het wettelijk
vermoeden geldt dat niet-betaling het gevolg is van aan eiser te wijten
kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar, voorafgaande
aan de dag waarop de vennootschap met de betaling in gebreke was.
Eiser is toegelaten tot het weerleggen van dit vermoeden.
Bij brief van 20 juli 1998 is namens eiser op de brief van 10 juli 1998
gereageerd en is de aansprakelijkstelling betwist.
Bij besluit van 25 augustus 1998 heeft verweerder eiser aansprakelijk
gesteld voor premie ingevolge de sociale verzekeringswetten over 1996.
Het bedrag aan premie is vastgesteld op f 45.976,--. Voorts is een boete
opgelegd over 1996 ten bedrage van f 22.798,--. Verweerder stelt zich
daarbij op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de
niet-betaling van de premies niet het gevolg is van aan eiser als
bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Gebleken is volgens
verweerder dat met name betalingsonmacht is ontstaan vanwege het aangaan
van veel te hoge verplichtingen bij dagbladen in verband met
advertentiekosten."
Bij het bestreden besluit van 3 februari 1999 heeft appellant de
bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 25 augustus 1998, ongegrond
verklaard.
In beroep heeft gedaagde als primair standpunt naar voren gebracht dat
appellant gedaagde in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), niet heeft gehoord en dat gedaagde door appellant
niet is gevraagd of hij gehoord wilde worden.
Naar aanleiding van dit primaire standpunt heeft de rechtbank bij
aangevallen uitspraak aan de vernietiging van het bestreden besluit de
volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
"Naar zijn oordeel blijkt onmiskenbaar uit de inhoud van het
primaire besluit dat eiser niet alleen hoofdelijk aansprakelijk is
gesteld voor niet betaalde premie over 1996 doch dat eiser evenzeer een
administratieve boete is opgelegd op grond van art. 12 lid 2 en 3 CSV.
Nu eiser voorts tegen zowel het premiebesluit als het daarmee
samenhangende boetebesluit bezwaar heeft gemaakt had verweerder
overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:2 Awb eiser in de gelegenheid
dienen te stellen te worden gehoord. Verweerder heeft door dit na te
laten het bepaalde in dat artikel derhalve geschonden.".
Van deze uitspraak is appellant bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Appellant heeft in het aanvullend hoger beroepschrift de volgende
grieven naar voren gebracht.
"Ingevolge artikel 7:2 Awb dient een bestuursorgaan, voordat het op
het bezwaar beslist, belanghebbende in de gelegenheid te stellen om te
worden gehoord. Artikel 18a CSV bepaalt echter vervolgens dat in
afwijking van artikel 7:2 Awb dat de belanghebbende in een
bezwaarschriftprocedure ten aanzien van een besluit ingevolge de CSV,
met uitzondering van een beschikking op grond van het bepaalde in
artikel 12 lid 2 CSV, gehoord wordt op zijn verzoek.
In casu is gedaagde hoofdelijk aansprakelijk gesteld ingevolge artikel
16d CSV voor de premie ingevolge de sociale verzekeringswetten en de
boete over het jaar 1996 verschuldigd door [naam bedrijf]. Naar de
mening van ondergetekende is er derhalve sprake van een besluit op grond
van artikel 16d CSV waartegen gedaagde bezwaar heeft aangetekend.
Ondergetekende is derhalve van mening dat gedaagde ingevolge artikel 18a
CSV slechts gehoord diende te worden op zijn verzoek. Hierbij merkt
ondergetekende op dat gedaagde tijdens de onderhavige bezwaarprocedure
nimmer uitdrukkelijk heeft verzocht om zijn bezwaren op een hoorzitting
toe te lichten.
(...)
Ingevolge artikel 16d lid 8 CSV wordt degene die hoofdelijk
aansprakelijk is gesteld ter zake van het instellen van bezwaar of
beroep tegen een beslissing betreffende verschuldigde premie of
voorschotpremie mede als werkgever in de zin van de CSV beschouwd.
Ingevolge deze bepaling komt aan gedaagde, aangezien er geen
onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gewezen omtrent de hoogte van
het door [naam bedrijf]. verschuldigde bedrag aan premie en boete, als
ware gedaagde werkgever, derhalve alsnog bezwaar toe tegen de hoogte van
de aan [naam bedrijf]. opgelegde premienota's en boetenota's. (...)
Voornoemd artikel heeft naar de mening van ondergetekende derhalve niet
tot gevolg dat de aansprakelijk gestelde bezwaar kan aantekenen tegen
een besluit op grond van het bepaalde in artikel 12 lid 2 en 3 CSV. Dit
artikel heeft naar de mening van ondergetekende slechts tot gevolg dat
de aansprakelijk gestelde zijn bezwaren tegen de hoogte van de boete,
welke op grond van artikel 12 lid 2 en 3 is vastgesteld, naar voren kan
brengen en dat deze bezwaren betrokken worden bij de heroverweging naar
aanleiding van de bezwaren tegen het besluit op grond van artikel 16d
CSV. Gezien het voorgaande is ondergetekende van mening dat toepassing
van artikel 16d lid 8 CSV niet tot gevolg heeft dat gedaagde bezwaar
heeft aangetekend tegen een besluit op grond van artikel 12 lid 2 en 3
CSV."
Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de vraag of in een
situatie als de onderhavige waarbij gedaagde op grond van artikel 16d
van de CSV aansprakelijk is gesteld voor premies, waarin begrepen een
verhoging als bedoeld in artikel 12, tweede en derde lid, van de CSV,
verschuldigd door [naam bedrijf]., appellant gedaagde ingevolge artikel
18a van de CSV in de gelegenheid had dienen te stellen te worden gehoord
dan wel of appellant slechts op verzoek van gedaagde hiertoe was
gehouden.
Ingevolge artikel 7:2 van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het
op bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
Artikel 18a van de CSV bepaalt dat, in afwijking van artikel 7:2 van de
Awb de belanghebbende in een bezwaarschriftprocedure ten aanzien van
een besluit ingevolge deze wet, met uitzondering van een beschikking op
grond van het bepaalde in artikel 12, tweede en derde lid, wordt gehoord
op zijn verzoek.
Het tweede en derde lid, van artikel 12, van de CSV luidden ten tijde
hiervan belang:
"2. De ingevolge het eerste lid vastgestelde premie of
voorschotpremie wordt verhoogd met 100 procent. Deze verhoging bedraagt
tien procent doch ten minste vijf gulden, voorzover het niet voldoen aan
een op grond van artikel 10, tweede lid, gestelde verplichting niet aan
opzet of grove schuld van de werkgever is te wijten. De verhoging wordt
als premie beschouwd.
3. Een verhoging als bedoeld in het tweede lid kan door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, volgens door Onze Minister te stellen
regelen, geheel of gedeeltelijk worden kwijtgescholden."
Op grond van artikel 18a CSV dient appellant de werkgever aan wie
ingevolge artikel 12, tweede en derde lid, van de CSV een verhoging is
opgelegd door het UWV in de gelegenheid te stellen te worden gehoord.
Ingevolge artikel 16d, achtste lid, van de CSV wordt degene die
hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, terzake van het instellen van
bezwaar of beroep tegen een beslissing betreffende verschuldigde premie
of voorschotpremie mede als werkgever beschouwd.
De Raad is van oordeel dat, gelet op die bepalingen in onderlinge
samenhang bezien, in een situatie als de onderhavige, waarin gedaagde op
grond van artikel 16d van de CSV zowel hoofdelijk aansprakelijk is
gesteld voor de door [naam bedrijf]. verschuldigde premie, als de
verhoging als bedoeld in artikel 12, tweede en derde lid van de CSV,
gedaagde voor de toepassing van artikel 18a van de CSV mede als
werkgever dient te worden beschouwd.
Dat een derde, in casu gedaagde, aansprakelijk wordt gesteld op grond
van artikel 16d van de CSV, neemt immers niet weg dat de grondslag van
de aansprakelijkheid mede is en blijft gebaseerd op artikel 12, tweede
en derde lid van de CSV. Door de aansprakelijkstelling verandert het
karakter terzake waarvan aansprakelijkstelling plaatsvindt niet, hetgeen
betekent dat gedaagde niet alleen de mogelijkheid toekomt bezwaar te
maken dan wel beroep in te stellen tegen (de hoogte van) de premie, doch
dat hij, evenals de werkgever, ook in de gelegenheid moet worden gesteld
in bezwaarschriftenprocedure te worden gehoord. De Raad vindt hiervoor
mede steun in het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1997 (BNB
1997/275), waarin de Hoge Raad kort gezegd overwoog dat de waarborgen
van artikel 6 van het EVRM die gelden voor de primair belastingplichtige
aan wie een verhoging (boete) is opgelegd, ook gelden voor de bestuurder
die voor de in de aanslag begrepen verhoging aansprakelijk is gesteld.
De Raad overweegt voorts dat, gelet op het onlosmakelijk verband tussen
de verschuldigde premie enerzijds en de verhoging als bedoel in artikel
12, tweede en derde lid, van de CSV anderzijds, terzake van het horen
het bestreden besluit als een geheel moet worden aangemerkt.
Nu gedaagde niet in de gelegenheid is gesteld in de
bezwaarschriftenprocedure te worden gehoord is het bestreden besluit in
strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb genomen. De raad is
voorts met de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen termen
aanwezig waren om het bestreden besluit, ondanks de vastgestelde
schending van artikel 7:2 van de Awb, in stand te laten met toepassing
van artikel 6:22 van de Awb.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van appellant niet
kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
De Raad stelt tot slot vast dat ingevolge artikel 22, derde lid, van de
Beroepswet, van het bestuurorgaan een griffierecht van € 327,-- dient
te worden geheven.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 327,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van
R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 november
2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|