|
Uitspraak
00/1975
CSV en 00/1976 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagden], wonende te [woonplaats], gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij de bestreden besluiten van 27 november 1998 heeft appellant de
bezwaren van gedaagden tegen de primaire besluiten van 27 oktober 1997,
waarbij gedaagden op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de
premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten en boetes voor
de jaren 1992 tot en met 1995, verschuldigd door [bedrijfsnaam],
ongegrond verklaard.
De namens gedaagden tegen deze besluiten ingestelde beroepen zijn door
de rechtbank Dordrecht bij uitspraak van 3 maart 2000, naar welke
uitspraak hierbij wordt verwezen, gegrond verklaard.
Appellant is op bij aanvullende beroepschriften (met bijlage) van 10
augustus 2000 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger
beroep gekomen.
Namens gedaagden heeft mr. B.R. Kleij, advocaat te Rotterdam, bij
brieven (met bijlage) van 6 oktober 2002, van verweer gediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6
september 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. M.P. Romijn, werkzaam bij het Uwv. Gedaagden zijn bij die
gelegenheid in persoon verschenen, bijgestaan door hun raadsman mr.
M.A.C. Backx, advocaat te Rotterdam.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken waren gedaagden bestuurder van [bedrijfsnaam],
een vennootschap met rechtspersoonlijkheid naar Engels recht, die sinds
21 augustus 1989 in Rotterdam was gevestigd en die zich bezig hield met
de exploitatie van een hotel. In het handelsregister is vermeld dat
gedaagden vanaf 11 augustus 1989 bestuurder zijn van voormelde
vennootschap. Verder blijkt uit het handelsregister dat [gedaagde 1] per
23 februari 1995 als bestuurder is uitgeschreven.
Gedaagden hebben zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat niet
zij, doch de vader van [gedaagde 1] de feitelijke bestuurder was en dat
zij uitsluitend op papier als bestuurders fungeerden.
De rechtbank heeft de bestreden besluiten waarin de
aansprakelijkstellingen onverkort zijn gehandhaafd, primair vernietigd
wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hiertoe is, kort samengevat, overwogen dat gedaagden voldoende
aannemelijk hebben gemaakt dat [vader van gedaagde 1] degene is geweest
die in de periode hier van belang het beleid van de vennootschap
bepaalde. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant een nader
onderzoek had moeten doen naar de rol die [vader van gedaagde 1] in
hotel Europa dan wel in de vennootschap heeft gespeeld. De rechtbank
heeft overigens wel geoordeeld dat gedaagden terecht aansprakelijk zijn
gesteld.
Voor zover de aansprakelijkstellingen zien op de door de vennootschap
verschuldigde boetes, heeft de rechtbank onder verwijzing naar een
arrest van de Hoge Raad, gepubliceerd in BNB 1997/275, geoordeeld dat
gedaagden ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld om
aannemelijk te maken dat het belopen van de boetes niet aan hen te
wijten is.
Appellant heeft het oordeel van de rechtbank dat de bestreden besluiten
strijdig zijn met artikel 3:2 van de Awb bestreden. Daartoe is naar
voren gebracht dat gedaagden als enige bestuurders ingeschreven stonden
in het handelsregister en dat in een dergelijke situatie, zeker indien
de bewijslast van het onbehoorlijk bestuur niet op appellant rust,
appellant niet gehouden is ambtshalve te onderzoeken of er naast de in
het handelsregister ingeschreven bestuurders ook anderen hoofdelijk
aansprakelijk kunnen worden gesteld.
Voorts is appellant van mening dat gedaagden voldoende in de gelegenheid
zijn gesteld om aannemelijk te maken dat het belopen van de
administratieve boetes niet aan hen te wijten was, zodat een beroep op
voormeld arrest van de Hoge Raad niet opgaat.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad moet met appellant vaststellen dat gedaagden ten tijde hier van
belang als bestuurders van de vennootschap stonden ingeschreven in het
handelsregister. Onder verwijzing naar zijn inmiddels vaste rechtspraak
waaronder een uitspraak van 20 februari 1997, gepubliceerd in VN
1997/1496, en een niet gepubliceerde uitspraak van 14 maart 2002
(kenmerk 99/3778 Algem ev), bestaat er in een dergelijke situatie naar
het oordeel van de Raad geen gehoudenheid van appellant tot
aansprakelijkstelling van een niet in het handelsregister als bestuurder
ingeschreven persoon.
Appellant heeft er ter zitting terecht op gewezen dat de uitspraken van
de Raad, gepubliceerd in RSV 1994/37 en RSV 1996/230, die de rechtbank
aan zijn oordeelsvorming ten grondslag heeft gelegd, op een andere
situatie zien, namelijk die waarin een van de formele bestuurders, die
ook als zodanig ingeschreven stond in het handelsregister, niet
aansprakelijk is gesteld.
Inzake het oordeel van de rechtbank voor zover in de
aansprakelijkstellingen een boete is vervat, stelt de Raad op grond van
de gedingstukken vast dat appellant gedaagden bij brief van 15 juli 1997
ervan in kennis gesteld heeft dat het voornemen bestond tot
aansprakelijkstelling - ook voor de belopen boetes - , tenzij gedaagden
zich konden disculperen. Hiertoe zijn gedaagden bij voormelde brief ook
uitgenodigd. Bovendien hebben gedaagden zowel in de bezwaarfase als in
de beroepsfase de gelegenheid gehad aannemelijk te maken dat het belopen
van de boetes niet aan hen te wijten was. Dit betekent dat de Raad het
oordeel van de rechtbank, dat gegrond is op een arrest van de Hoge Raad
waarin een essentieel andere situatie aan de orde is, ook in dit opzicht
niet kan onderschrijven.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
vernietiging in aanmerking komt en de inleidende beroepen alsnog
ongegrond dienen te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de inleidende beroepen alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 november 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|