|
Uitspraak
00/4882
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], voorheen handelend onder de naam [bedrijfsnaam], wonende te
[woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is, mr. B.J.G.L. Jaeger, advocaat-belastingkundige te
Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift van 20 oktober 2000 (met
bijlagen) aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de
rechtbank 's-Gravenhage onder dagtekening 17 juli 2000 tussen partijen
gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is bij brief van 22 augustus 2002 een verweerschrift
(met bijlage) ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 oktober
2002, waar namens appellant is verschenen, mr. Jaeger, voornoemd.
Gedaagde heeft zich - zoals te voren schriftelijk is aangekondigd - niet
doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de
volgende feiten en omstandigheden.
Appellant heeft van 7 juni 1995 tot en met 24 november 1995 als
werkgever ingeschreven gestaan als lid van de voormalige
Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven.
Appellant heeft in verband met de uitschrijving bij gedaagde een verzoek
ingediend tot deblokkering van het WKA-tegoed. Naar aanleiding van dit
verzoek heeft gedaagde bij appellant een eindcontrole ingesteld. In dit
onderzoek is door gedaagde een verschil geconstateerd tussen de
omzeturen en de loonuren van 730,5 uren. Gedaagde heeft vervolgens bij
brief van 12 augustus 1997 appellant medegedeeld dat wegens vorengenoemd verschil niet tot deblokkering zal worden overgegaan.
Bij brief van 23 september 1997 heeft gedaagde appellant ervan in kennis
gesteld dat over het jaar 1995 een correctienota zal worden opgelegd.
Appellant is hierbij gewezen op de bezwaarclausule. Voorts heeft
gedaagde medegedeeld van oordeel te zijn dat appellant een verzuim heeft
gepleegd als bedoeld in de regeling van 28 december 1987 Administratieve
Boeten Coördinatiewet en derhalve voornemens te zijn een boete op te
leggen. Gedaagde heeft in deze brief aangegeven dat, alvorens hij tot
het daadwerkelijk opleggen van een boete overgaat, appellant in de
gelegenheid wordt gesteld zijn visie hieromtrent weer te geven.
Bij brief van 14 oktober 1997 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen
de brief van 23 september 1997, zowel wat betreft de correctienota als
de nog op te leggen boete.
Blijkens de nota met factuurdatum 15 oktober 1997 bedroeg de totale
vordering over 1995 f 37.039,65, waarvan ontvangen was f 16.673,30,
zodat resteert een bedrag van f 20.366,35.
Namens appellant is aan gedaagde bij brief van 9 december 1997 een kopie
van het identiteitsbewijs ingevolge de Wet op de identificatieplicht (WID)
van één van de werknemer van appellant gezonden.
Bij brief van 10 december 1997 heeft gedaagde appellant, onder
vermelding van een bezwaarclausule, medegedeeld dat over het jaar 1995
een administratieve boete wordt opgelegd ten bedrage van f 1.482,34.
Bij brief van 7 januari 1998 is namens appellant verzocht om toezending
van de onderliggende stukken. Bij brief van 18 februari 1998 is namens
appellant een uiteenzetting gegeven betreffende het verschil tussen de
omzet- en loonuren.
In een rapport van 3 augustus 1998 heeft looninspecteur Gerts, met
betrekking tot bovenstaand verschil een reactie gegeven.
Nadat een hoorzitting is gehouden op 3 februari 1999 heeft gedaagde bij
het bestreden besluit van 27 april 1999 de bezwaren van appellant
ongegrond verklaard.
Bij aangevallen uitspraak is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat
het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
In hoger beroep zijn tegen de aangevallen uitspraak namens appellant de
volgende grieven aangevoerd.
Ten onrechte gaat de rechtbank er van uit dat de correctienota van de
aanvang af f 5.929,39 heeft bedragen. Aangevoerd wordt dat gedaagde een
correctienota ten bedrage van f 20.366,35 aan appellant heeft
toegezonden waartegen bezwaar is gemaakt. In verband met het overleggen
van een identiteitsbewijs op grond van Wet op de identificatieplicht
door appellant, is door gedaagde een premiecorrectie doorgevoerd hetgeen
resulteerde in een premienota van f 5.929,39. Gelet op het feit dat
gedaagde op dit onderdeel zijn primaire standpunt in het besluit op
bezwaar van 27 april 1999 niet heeft gehandhaafd, had gedaagde het
bezwaar van appellant hiertegen gegrond dienen te verklaren.
Vervolgens wordt namens appellant naar voren gebracht dat gedaagde ten
onrechte de weken waarin arbeidstekorten zijn geconstateerd, niet heeft
gecompenseerd met de weken waarin een overschot heeft plaatsgevonden.
Ter ondersteuning van dit standpunt wijst de gemachtigde van appellant
op een ongepubliceerde uitspraak van deze Raad van 23 oktober 1998,
97/3653 CSV.
Vervolgens worden namens appellant grieven aangevoerd tegen de
boeteoplegging.
Tenslotte wordt naast de vernietiging van de aangevallen uitspraak en
het bestreden besluit verzocht om een veroordeling in de kosten van
rechtskundige bijstand zowel in de beroepsprocedure als ook in de
bezwaarprocedure.
Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant
ongegrond verklaard.
Met betrekking tot de eerste grief overweegt de Raad dat de
correctienota over het jaar 1995 die aan de brief van 23 september 1997
ten grondslag heeft gelegen, een bedrag van f 20.366,35 inhield. Deze
correctienota dient als primair besluit te worden aangemerkt. Nadat
appellant alsnog een identiteitsbewijs in het kader van de WID aan
gedaagde had overgelegd, is gedaagde van dit primaire standpunt
teruggekomen en heeft vervolgens bij het bestreden besluit vastgesteld
dat er nog premie van f. 5.929,39 resteert. Gedaagde had gelet op het
vorenstaande reeds om die reden het bezwaar van appellant betreffende
dit geschilpunt gegrond dienen te verklaren in zoverre het premiebedrag
is teruggebracht tot f 5.929,39.
Nu zowel gedaagde als de rechtbank hiertoe niet zijn overgegaan, dienen
de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit in zoverre
vernietigd te worden. De eerste grief treft derhalve doel.
Ten aanzien van de namens appellant aangevoerde grief dat de
arbeidstekorten mede onder verwijzing naar 's Raads uitspraak van 23
oktober 1998, 97/3653 CSV, gecompenseerd hadden dienen te worden met de
in andere weken bestaande arbeidsoverschotten, is de Raad van oordeel
dat deze grief dient te falen. Blijkens het bestreden besluit is
gedaagde van mening dat gelet op de bevindingen van gedaagdes
looninspecteur naar aanleiding van de eindcontrole, er geen reden is om
arbeidsoverschotten toe te rekenen aan weken waarin een arbeidstekort is
geconstateerd. Alsdan ligt het naar 's Raads oordeel op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat er
concrete aanknopingspunten zijn die een compensatie als bedoeld in
vorenvermelde uitspraak, rechtvaardigen. Appellant is gelet op de namens
hem aangevoerde niet onderbouwde stellingen hieromtrent, hierin niet
geslaagd noch is hij er in geslaagd een verklaring te geven voor de door
de looninspecteur geconstateerde verschillen.
Voor wat betreft appellants grieven tegen het opleggen van een boete,
overweegt de Raad het volgende.
Bij brief van 23 september 1997 is door gedaagde onder meer aan
appellant medegedeeld dat gedaagde voornemens was een boete op te
leggen. Alvorens tot oplegging over te gaan heeft gedaagde aan appellant
hieromtrent een reactie gevraagd. Bij brief van 14 oktober 1997 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen de
correctienota alsmede de administratieve boete. Bij brief van 9 december
1997 is van de zijde van appellant aan gedaagde een kopie van het
identiteitsbewijs van één van appellants werknemers toegezonden. Eerst
bij brief van 10 december 1997 heeft gedaagde daadwerkelijk een boete
opgelegd van f 1.482,34. Vervolgens is namens appellant bij brief van 7
januari 1998, refererend aan de brief van 14 oktober 1997, verzocht om
toezending van de stukken.
De Raad is op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde brieven van
oordeel dat noch met de brief van 14 oktober 1997 noch met de brief van
7 januari 1998 bezwaar is gemaakt tegen het boetebesluit van 10 december
1997. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant ook ter zitting
van de Raad niet kunnen aangeven met welke brief namens appellant
bezwaar is gemaakt tegen het boetebesluit van 10 december 1997. De Raad
concludeert op grond hiervan dat zijdens appellant geen bezwaar is
gemaakt tegen voornoemd boetebesluit. Ook ingevolge artikel 6:10 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan appellant met zijn brief van 14
oktober 1997 niet worden ontvangen in bezwaar aangezien niet is voldaan
aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, onder a en b
van de Awb. Gelet op het vorenstaande dient appellant in zijn bezwaar
tegen het besluit van 10 december 1997 alsnog niet-ontvankelijk te
worden verklaard.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak alsmede het
bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Met inachtneming van het
bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb zal de Raad de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit gedeeltelijk in stand laten
voor zover het de hoogte van de premiecorrectie betreft.
Aangaande appellants grief inzake een proceskostenveroordeling in de
bezwaar - alsmede de beroepsprocedure - overweegt de Raad het volgende.
Gelet op artikel III Overgangsbepaling bij de wet kosten bestuurlijke
voorprocedures, blijft artikel 8:75 van de Awb, zoals dit luidde voor
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing, indien
het besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt of administratief
beroep kan worden ingesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet is genomen.
Vooropgesteld dat gemaakte kosten in een bestuurlijk voorprocedure in
beginsel voor rekening van de betrokkene komen, ziet de Raad te dezen
geen grond voor het oordeel dat de primaire besluitvorming dermate
ernstige gebreken heeft vertoond dat moet worden vastgesteld dat
gedaagde tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen. In
het onderhavige geval moet worden geconstateerd dat gedaagde, omdat
appellant eerst tijdens de bezwaarfase aan het bepaalde ingevolge de WID
heeft voldaan, zijn primair standpunt heeft moeten bijstellen hetgeen
blijkens het besluit op bezwaar heeft geresulteerd in een lagere
premiecorrectie dan waartoe bij het besluit in primo was gekomen. Gelet
op de op appellant rustende plicht om te voldoen aan het bepaalde in de
WID, kan naar het oordeel van de Raad niet gezegd worden dat het besluit
in primo tegen beter weten in is genomen, zodat het verzoek om
vergoeding van de proceskosten in bezwaar dient te worden afgewezen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde ingevolge het bepaalde in
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant
begroot op in totaal € 1.288,-- aan kosten voor beide instanties. Van
bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid van het
Besluit proceskosten bestuursrecht, is de Raad niet gebleken.
Tevens zal gedaagde op grond van artikel 25, eerste lid, van de
Beroepswet het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep
gestorte griffierecht van € 104,37 in totaal dienen te vergoeden.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
gelaten worden voor zover betrekking hebbend op de premiecorrectie ad f
5.929,39;
Verklaart het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 december
1997 alsnog niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beide
instanties tot een bedrag € 1.288,--, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Wijst af het meer of anders gevorderde;
Bepaalt dat het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen aan appellant
het gestorte griffierecht van € 104,37 in beide instanties vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van
R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 november
2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|