|
Uitspraak
00/4155
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 24 september 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen het primaire besluit van 8 december 1997
waarbij haar een correctienota van f 11.813,- over het premiejaar 1992
is opgelegd.
De rechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 30 juni 2000 het
namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Namens appellante is mr. J. Meeboer, belastingadviseur bij KPMG Meijburg
& Co te Amsterdam, op bij beroepschrift van 1 augustus 2000
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Namens gedaagde is een verweerschrift, gedateerd op 28 november 2000,
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 december
2002, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.
Meeboer, voornoemd.
Gedaagde is bij die gelegenheid verschenen bij gemachtigde mr. drs. R.H.L.
Niehof, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of een uitkering
ingevolge een collectieve ongevallenverzekering, afgesloten door een
werkgever, als loon in de zin van artikel 4 van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering moet worden aangemerkt en daarmede voor het opleggen
van sociale verzekeringspremies - in 1992 - vatbaar dient te worden
geacht.
Appellante verzet zich hierbij tegen het standpunt dat de betaalde
verzekeringsuitkering als loon in de zin van de CSV is beschouwd en
daarmede tegen de omstandigheid dat hierover in 1992 correctiepremies
werknemersverzekeringen zijn berekend, zoals zulks is verdedigd door
gedaagde en onderschreven bij de uitspraak van de rechtbank. Appellante
ziet ter motivering van haar standpunt met name geen zodanig verband van
de betrokken uitkering met het dienstverband van betrokkene, een
werknemer, dat er daardoor sprake zou kunnen zijn van loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking. Het algemene uit het verrichten van
arbeid voortvloeiende karakter van de uitkering zou hieraan ook in de
weg staan.
Gedaagde blijft hiertegenover wel een direct verband zien tussen in een
bepaald tijdvak verrichte arbeid en hoogte van beloning enerzijds en
betrokken uitkering anderzijds.
De Raad overweegt te dien aanzien op grond van de gedingstukken en het
verhandelde te zijner zitting dat er in casu sprake is van een duidelijk
aanwijsbaar verband tussen de desbetreffende voor premie vatbaar geachte
ongevallenuitkering en betrokken - naar tijd en aard - bepaalde arbeid
van een medio 1992 door een bedrijfsongeval getroffen werknemer bij
appellante als werkgeefster - die de verzekering en daaraan verbonden
uitkering met de verzekeraar is overeengekomen ten behoeve van haar
werknemers voor een onverwachte calamiteitssituatie als de voorliggende
- en de hoogte van het door betrokkene hiervoor genoten loon benevens
een nauwe koppeling tussen de ten tijde in geding hier ook doorlopende
en deswege per definitie aan de orde zijnde tegenwoordige
dienstbetrekking met de daarin opgelopen mate van invaliditeit en
meerbedoelde uitkering aanwezig dient te worden geacht. De situatie van
een - vergelijking tot een -situatie van een vroegere dienstbetrekking
is te dezen volgens de Raad in elk geval niet van toepassing. Aangezien
de wetgever onder loon verstaat al hetgeen uit dienstbetrekking wordt
genoten, en hierop voor de onderhavige ongevallenuitkering als zodanig,
juist ook niet blijkens de slechts op aanspraken ziende rubrieken van
artikel 6, lid 1, onder f, van de CSV, géén uitdrukkelijke exceptie
heeft opgenomen, ziet de Raad geen doeltreffende reden evenbedoelde uitkering van het loonbegrip en de vatbaarheid voor de bestreden premies
uit te zonderen. De Raad ziet hierbij evenmin aanleiding in essentie af
te wijken van een over een zelfde type geval van een ongevallenuitkering
handelende uitspraak van de Raad van 29 juli 2002, gepubliceerd in USZ
2002/288. Dat de betalingsstroom van de uitkering daarbij verliep via de
werkgeefster in plaats van zoals hier direct door de verzekeraar aan
betrokkene geschiedde, doet daaraan niet af. Ook in het vanwege
appellante geschetste karakter van de uitkering, wat daarvan overigens
zij, kan de Raad onder de gegeven omstandigheden bij de geschetste
verbanden geen goede grond zien om thans anders te oordelen.
Op grond van het vorenoverwogene kan het hoger beroep van appellante
niet slagen en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|