|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/3104 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 17 juli 2002
aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de
rechtbank Leeuwarden onder dagtekening 8 mei 2002 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 29 augustus 2002 ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 januari
2003, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde -met
voorafgaand schriftelijk bericht- niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of appellant die bij het
indienen van zijn bezwaarschrift de in artikel 6:7 van de Algemene wet
bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde termijn van zes weken niet in acht
heeft genomen, redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn
geweest.
Naar aanleiding van een op 11 februari 2000 bij appellant gehouden
looncontrole heeft gedaagde bij besluiten van 21 april 2000
correctienota's opgelegd over de jaren 1995 tot en met 1998. Na
telefonisch contact met gedaagde heeft appellant tot 1 juli 2000 de tijd
gekregen om zijn bezwaar kenbaar te maken. Bij bezwaarschriften van 24
juni 2000 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen voornoemde
correctienota's.
Na geconstateerd te hebben dat het bezwaar te laat was ingediend, heeft
gedaagde bij besluit op 18 oktober 2000 desalniettemin inhoudelijk
beslist, omdat appellant een mondelinge toezegging had verkregen waarbij
hem uitstel was verleend voor het aantekenen van bezwaar.
Na de behandeling van het beroep ter zitting is de rechtbank gebleken
dat het onderzoek niet volledig is geweest. Teneinde gedaagde enkele
vragen voor te kunnen leggen heeft de rechtbank besloten om met
toepassing van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek te heropenen. Met
name is gedaagde de vraag voorgelegd of appellant binnen de wettelijke
termijn van zes weken, dat wil zeggen voor 2 juni 2000, uitstel heeft
gevraagd voor het indienen van zijn bezwaarschrift. In reactie daarop
heeft gedaagde een afschrift van een telefoonnotitie overgelegd waaruit
blijkt dat appellant op 16 juni 2000 telefonisch om uitstel voor het
indienen van bezwaar heeft verzocht en verkregen.
De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of er sprake is van een
situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Onder verwijzing naar
een uitspraak van de Hoge Raad, gepubliceerd in JB 2000/343, heeft de
rechtbank als zijn oordeel uitgesproken dat aangezien appellant eerst na
afloop van de bezwaartermijn uitstel heeft verzocht en verkregen
gedaagde hem ten onrechte in zijn bezwaar ontvangen heeft. Bij de
aangevallen uitspraak heeft de rechtbank weliswaar het beroep van
appellant gegrond verklaard, maar zijn bezwaar niet-ontvankelijk
verklaard.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij na een inhoudelijke
behandeling door de rechtbank Leeuwarden, waarbij de
termijnoverschrijding slechts was aangehaald, onverwacht geconfronteerd
werd met een niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar ondanks het
gegeven dat hij met goedvinden van gedaagde zijn bezwaar later mocht
indienen.
De Raad overweegt als volgt.
Dat de overschrijding van de bezwaartermijn geen punt van geschil is
tussen partijen is voor de Raad geen grond om dit bij zijn beoordeling
buiten beschouwing te laten. De Raad is van oordeel dat hij zich over de
toepassing van bepalingen van openbare orde, zoals die welke de
tijdigheid van het indienen van een bezwaarschrift betreffen, als regel
ambtshalve zal dienen uit te spreken. De Raad vindt hiervoor steun in de
memorie van antwoord aan de Tweede kamer van de Staten Generaal bij
artikel 8:69 van de Awb, waarin is uitgesproken dat regels inzake
bevoegdheid en ontvankelijkheid van openbare orde zijn en niet ter vrije
beschikking van partijen staan en dat de rechter zich niet zal
conformeren aan een ten onrechte verschoonbaar geoordeelde
termijnoverschrijding.
De Raad verenigt zich derhalve met oordeel van de rechtbank en kan het
standpunt van appellant, dat hij plotseling geconfronteerd werd met een
niet-ontvankelijkverklaring, niet delen aangezien de rechtbank na
inhoudelijk behandeling het onderzoek heeft heropend en gedaagde
expliciet heeft gevraagd naar het verleende uitstel het indienen van het
bezwaar betreffende. Appellant is door de rechtbank op de hoogte gesteld
van de reactie van gedaagde en heeft daarin geen aanleiding gezien te
reageren of om af te zien van het geven van toestemming om het onderzoek
ter zitting achterwege te laten. Naar het oordeel van de Raad heeft de
rechtbank terecht en op goede gronden het bezwaar van appellant
niet-ontvankelijk verklaard, terwijl ook de Raad niet gebleken is van
een verschoonbare reden voor deze termijn overschrijding.
Gelet op het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet kan slagen
en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termijn aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|