|
Uitspraak
00/5533
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 14 september 2000,
beslissende op het namens appellante tegen het bestreden besluit van
gedaagde van 12 oktober 1999 ingestelde beroep, dat beroep ongegrond
verklaard.
Namens appellante is mr. O.A.G. Rosenberg, belastingadviseur, op de bij
een aanvullend beroepschrift van 21 maart 2001 aangevoerde gronden in
hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde is een op 5 juni 2001 gedateerd verweerschrift bij de
Raad ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 januari
2003, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S.C.
Roosje en mr. drs. M. van der Laarse, werkzaam bij Fortuin Sijbes
belastingadviseurs. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen
vertegenwoordigen door mr. M. Mulder, werkzaam bij Uwv Gak.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij de beoordeling van dit geding uit van de feiten en de
omstandigheden zoals die reeds in de aangevallen uitspraak van de
rechtbank voldoende zijn aangegeven.
De centrale vraag waarover het antwoord partijen verdeeld blijft houden,
is of directeur [naam directeur] in de jaren 1996 en 1997 met zijn
vennootschap met 38 aandelen en een minder winstaandeel in appellante,
in relatie tot de grotere aandeelhouder en mededirecteur [naam
mededirecteur] met diens vennootschap met 40 aandelen in appellante, in
een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de
sociale werknemersverzekeringswetten, in het bijzonder in een
gezagsrelatie, bij appellante werkzaam is geweest.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank die vraag gemotiveerd in
bevestigende zin beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank zowel de
correctienota's als de boetenota's over 1996 en 1997 voor juist
gehouden, alsmede het bezwaar tegen de boetenota over 1998
onverschoonbaar te laat geacht.
In hoger beroep heeft appellante doen betogen dat [naam directeur] en
[naam mededirecteur] gezamenlijke ondernemers met eigen werkterreinen
zijn met gezamenlijke vertegenwoordigingsbevoegdheid en gelijke
zeggenschap over beleid en dagelijkse gang van zaken van de onderneming
van appellante. De niet gelijke winstverdeling tot 2005 tussen beiden
betreft een inverdienregeling. Een gezagsverhouding ontbreekt hierbij,
omdat [naam mededirecteur] nooit een overheersende positie heeft gehad
ten opzichte van [naam directeur]. Appellante is zich hierbij niet
bewust geweest van mogelijke verzekeringsplicht en daaraan verbonden
premieplichtigheid en meent deswege hoe dan ook wegens gebrek aan
absolute nalatigheid niet voor enige boete in aanmerking te kunnen
komen.
Daarenboven heeft appellante zich gekeerd tegen de niet-ontvankelijkheid
van zijn ontijdig bezwaar tegen de correctienota over 1998 wegens het
gemis aan een vooraankondiging van het desbetreffend besluit.
Gedaagde heeft zich ter zake van de centrale vraag aangesloten bij de
zienswijze van de rechtbank en over het laatste specifieke punt nog
onder de aandacht van de Raad gebracht dat de termijn voor het indienen
van een bezwaarschrift van openbare orde is, waarbij in het voetspoor
van de rechtbank geen vrijheid bestaat in het geval van
termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden tot inhoudelijke
behandeling van het bezwaar over te gaan.
De Raad overweegt het volgende.
Indien, zoals in het onderhavige geval, een directeur/aandeelhouder van
een besloten vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de
eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen, in de algemene
aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende invloed heeft op de
benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van
directeuren, moet in beginsel worden aangenomen dat hij werkzaam is in
een gezagsrelatie tot een vennootschap als die van appellante.
Ofschoon niet valt uit te sluiten dat sprake kan zijn van bijzondere
feiten of omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet
aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten
aanzien van een directeur/grootaandeelhouder die geen doorslaggevende
invloed heeft in de algemene aandeelhoudersvergadering, is de Raad in
het licht van zijn vaste jurisprudentie van oordeel dat er in het
onderhavige geval, gelet ook op de ongelijke winstverdeling in de jaren
in geding, onvoldoende materiële aanwijzingen bestaan om een zodanige
uitzonderingssituatie aanwezig te achten.
De Raad markeert daarbij, dat zijns inziens dient te prevaleren dat in
vennootschapsrechtelijke zin de statutaire bepalingen te dezen niet
behoefden uit te sluiten dat in een situatie waarin de onderscheidene
belangen minder met elkaar in overeenstemming zouden blijken te zijn dan
in de door belanghebbenden beoogde of verwachte situaties, [naam
directeur] zou kunnen worden geconfronteerd met enige vorm van
gezagsuitoefening in de algemene vergadering, welke immers opereert op
basis van besluitvorming van volstrekte meerderheid van stemmen, ook in
conflictsituaties met als uiterst gevolg zelfs het niet tegen te houden
ontslag van de minderheidsaandeelhouder.
Daarbij kan de Raad, anders dan appellante, geen doorslaggevende
betekenis toekennen aan de als regel op basis van gelijkwaardigheid
verlopende dagelijkse gang van zaken tussen [naam mededirecteur] en
[naam directeur] en evenmin aan de mitigerende contractuele afspraken
zoals die onder meer vervat zijn in de managementovereenkomst van
betrokkenen.
Hetgeen appellante overigens doet aanvoeren vermag ook niet de
zienswijze van appellante voldoende te schragen dat er te dezen ten
tijde in geding hoe dan ook metterdaad sprake is geweest van gezamenlijk
ondernemerschap.
Volledigheidshalve tekent de Raad in dit verband nog aan dat hij ook
verder geen grond heeft kunnen vinden in casu het bestaan van - de
vereiste elementen voor - een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen
appellante en [naam directeur] in twijfel te trekken.
Met gedaagde heeft de Raad voorts niet alleen geen termen gevonden over
1996 en 1997 de correctienota's voor onjuist te houden, maar ook kan hij
zich vinden in de boetenota's over die jaren ervan uitgaande dat
appellante zich van de door hem bewerkstelligde situatie van
verzekeringsplicht ter zake van [naam directeur] met daaraan annexe
premieplicht genoegzaam bewust had behoren te zijn en daaraan in
overwegende mate schuldig kan worden geacht, juist ook nu zij verzuimd
heeft ter zake tijdig adequate informatie bij gedaagde in te winnen,
zonder dat appellante te dezen absolute nalatigheid behoeft te kunnen
worden verweten.
Tenslotte kan de Raad zich geheel verenigen met de gefundeerde
zienswijze van gedaagde ter zake van de niet-ontvankelijkheid van het
bezwaar tegen de correctienota over 1998 en de wel gemotiveerde
opvatting ter zake van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Aan de
Raad is in elk geval in hetgeen van de zijde van appellante hieromtrent
is aangevoerd niet gebleken van een haar niet toe te rekenen
verschoonbare reden voor het begaan van het verzuim van het te laat
indienen van bezwaar.
Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak naar het
oordeel van de Raad voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht deswege geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|