|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/5271 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellante heeft op bij beroepschrift van 30 augustus 2000 aangevoerde
gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld van een door de rechtbank
Amsterdam onder dagtekening 21 augustus 2000 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een op 14 februari 2001 gedateerd verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 februari
2003, waar appellante niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door mr. P.G.J. Reurings, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden, na bezwaar genomen, besluit van 29 juli 1998 heeft
gedaagde gehandhaafd de correctienota's premies werknemersverzekeringen
van 13 december 1996 met betrekking tot de jaren 1991 tot en met 1996,
voor zover deze zien op correcties inzake een door appellante in eigen
beheer uitgevoerde spaarloonregeling.
De rechtbank heeft het beroep dat appellante tegen dit onderdeel van het
bestreden besluit heeft ingesteld, ongegrond verklaard. Tevens heeft de
rechtbank het door appellante gedane beroep op het vertrouwensbeginsel
dat aan toepassing van de dwingendrechtelijke bepalingen in de weg zou
staan, gemotiveerd verworpen.
In hoger beroep is uitsluitend de vraag aan de orde of bij appellante
door gedaagde het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat
appellante door uitvoering te geven aan de spaarloonregeling zoals zij
dit heeft gedaan, zij geen correctienota's behoefde te verwachten.
Met de rechtbank, op de door de rechtbank aangegeven gronden welke de
Raad tot de zijne maakt, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.
De stelling van appellante dat aan haar door gedaagde niet de gevraagde
informatie omtrent de uitvoering van de spaarloonregeling is verstrekt
brengt in dit oordeel geen verandering. Ingevolge vaste rechtspraak van
de Raad moet sprake zijn van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde
toezeggingen van de kant van gedaagde wil een beroep op het
vertrouwensbeginsel in een situatie als de onderhavige, voor honorering
in aanmerking kunnen komen. Hiervan is in casu evenwel niet gebleken.
Ook de omstandigheid dat de handelwijze van appellante niet heeft geleid
tot fiscale correcties door de belastingdienst vomt voor de Raad geen
grond voor een ander oordeel. Gedaagde immers is voor de premieheffing
werknemersverzekeringen de bevoegde instantie en heeft in dat verband
een eigen verantwoordelijkheid.
Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist
als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.
|
|