|
Uitspraak
01/6243
CSV
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 4 april 2002 is het namens opposant
ingestelde hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank te
Amsterdam van 24 oktober 2001 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft mr. S.J. Schaap, advocaat te Rotterdam, een
verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting
van 20 februari 2003, waar opposant noch zijn gemachtigde - zoals
tevoren bericht - niet zijn verschenen. En waar geopposeerde heeft zich
doen vertegenwoordigen door mr. P.G.J. Reurings.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 4 april 2002 is kort samengevat, hierop
gebaseerd dat bij het instellen van het hoger beroep de termijn van zes
weken voor het indienen van een beroepschrift niet in acht is genomen en
dat geen aanknopingspunten zijn gevonden om de termijnoverschrijding
verschoonbaar te achten.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht
niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in
zijn genoemde uitspraak gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen merkt de Raad op
dat hij in hetgeen namens opposant in verzet is aangevoerd geen
aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie
dat opposant zijn verzuim in de onderhavige zaak niet kan worden
tegengeworpen.
De Raad overweegt in dit verband nog dat naar vaste rechtspraak de
gevolgen van (processueel) handelen of van nalatigheid van de
gemachtigde volledig voor rekening komen van degene die de behartiging
van zijn belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met
toepassing van artikel 8:55, vijfde lid aanhef en onder b, van de Awb
ongegrond te verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.
|
|