|
Uitspraak
00/3803
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 24 augustus 1998 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 17 april 1998, waarbij zij
op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV)
hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [bedrijfsnaam]
verschuldigde, doch niet betaalde premies voor de sociale
werknemersverzekeringen over 1994, zulks ten bedrage van f 6.568,85.
De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 22 mei 2000 het door
gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd, het besluit van 17 april 1998 herroepen, bepaald dat
deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, appellant
veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat appellant het
betaalde griffierecht aan gedaagde vergoedt.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 29 november 2000
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 23 oktober 2002 heeft appellant een vanwege de Raad
gestelde vraag beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 januari
2003, waar voor appellant is verschenen mr. D.B. Smaalders, werkzaam bij
het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als
verweerder en gedaagde als eiseres, heeft de rechtbank omtrent de feiten
het volgende overwogen:
"Eiseres was bestuurder van [bedrijfsnaam], welke vennootschap is
opgericht bij akte van 18 maart 1994 en in staat van faillissement is
verklaard bij uitspraak van 19 mei 1994. De vennootschap in oprichting
had ingaande 1 september 1993 personeel in loondienst.
Eiseres heeft op 11 mei 1994 door tussenkomst van de Belastingdienst aan
verweerders rechtsvoorganger ter uitvoering van het bepaalde in artikel
16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering meegedeeld dat
[bedrijfsnaam] niet langer in staat was aan haar premieplicht te
voldoen.
Bij brief van 16 september 1994 is namens verweerders rechtsvoorganger
aan de Belastingdienst meegedeeld dat het voornemen bestond eiseres in
persoon aansprakelijk te stellen voor de onbetaald gebleven premieschuld
en is bij de dienst informatie opgevraagd.
Ten aanzien van eiseres in privé is op 19 maart 1996 een
faillissementsakkoord opgemaakt dat op 28 maart 1996 is gehomologeerd.
Nadat eiseres op 10 en 11 april 1996 was gehoord, is in een rapport van
10 mei 1996 van de opsporingsdienst van Gak Nederland B.V., regio Oost,
geadviseerd de niet afgedragen premie te verhalen op onder meer eiseres.
Bij brief van 19 december 1997 is aan eiseres verzocht te reageren op
het voornemen om niet betaalde premies werknemersverzekeringen tot een
bedrag van f 6.969,30 op eiseres te verhalen.
Bij brief van 13 maart 1998 is de brief van 19 december 1997 nogmaals
verzonden, doch naar een ander adres.
Als reactie daarop heeft eiseres een door de curator geschreven brief
van 10 april 1998 aan verweerder gezonden waarin wordt bevestigd dat het
door de rechtbank gehomologeerde faillissementsakkoord onherroepelijk is
geworden."
Bij zijn besluit van 24 augustus 1998 heeft appellant zijn besluit van
17 april 1998 tot aansprakelijkstelling van gedaagde gehandhaafd.
Daarbij heeft appellant overwogen dat naar zijn mening er sprake is
geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur onder anderen door gedaagde,
omdat er onttrekkingen hebben plaatsgevonden aan de boedel van
[bedrijfsnaam] in verband met het naderende faillissement, er na
stopzetting van het bedrijfskrediet goederen uit de voorraad zijn
verkocht zonder deze correct in de boekhouding te verwerken, er
bedrijfsgegevens, waaronder klantenbestanden en openstaande orders, zijn
veiliggesteld en er tevens valse facturen in de boekhouding zijn
aangetroffen. Voorts heeft appellant bij zijn besluit van 24 augustus
1998 overwogen dat, hoewel het te betreuren valt dat de
aansprakelijkstelling niet in een eerder stadium heeft plaatsgevonden,
de aansprakelijkstelling niet strijdig is met het
rechtszekerheidsbeginsel, nu het onderzoek naar de mogelijkheid daarvan
zich vrijwel ononderbroken heeft uitgestrekt over de periode vanaf de
melding van betalingsonmacht in mei 1994 tot en met 16 april 1998.
Daarbij heeft appellant ook aangegeven dat hij nimmer heeft laten
blijken dat van een aansprakelijkstelling zal worden afgezien. Tevens
heeft appellant aangegeven dat hij geen partij was in het bereikte
compromis in het faillissement van gedaagde in privé.
In beroep heeft gedaagde herhaald haar mening dat de
aansprakelijkstelling in strijd is met het rechtszekerheids- en het
zorgvuldigheidsbeginsel, nu zij eerst vier jaar na de melding van de
betalingsonmacht persoonlijk aansprakelijk is gesteld en appellant als
schuldeiser zich niet heeft gemeld in haar faillissement, terwijl zij
onderzoekers van appellant voortdurend op de hoogte heeft gehouden van
haar financiële situatie.
Dienaangaande heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het
volgende overwogen:
"Niet in geschil is dat hier sprake is van een geval bedoeld in het
derde lid van artikel 16d CSV, terwijl evenmin verschil van mening
bestaat over de hoogte van de vordering. De strekking van artikel 16d
CSV is dat verweerder een bestuurder aansprakelijk stelt indien aan de
vereisten bedoeld in genoemd artikel wordt voldaan. Indien verweerder
evenwel onnodig lang talmt met aansprakelijkstelling kan onder
omstandigheden sprake zijn van strijd met algemene beginselen van
behoorlijk bestuur. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep van 20 mei 1996 (RSV 96/231).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de voorbereiding
van het besluit in primo onnodig lang getalmd, nu het gaat om een
tamelijk kleine onderneming die slechts een korte tijd heeft bestaan en
ook overigens niet is gebleken van complicaties. Indien het besluit in
primo met de nodige voortvarendheid zou zijn voorbereid had het kunnen
worden genomen nog voor het moment waarop het faillissementsakkoord is
bereikt. De rechtbank merkt daarbij op dat verweerder niet heeft ontkend
dat eiseres de onderzoekers heeft meegedeeld dat een faillissement
aanstaande was. Niet betwist en aannemelijk is dat verweerder(s
rechtsvoorganger) zich als preferente schuldeiser zou hebben gemeld en
zich in de schikking zou hebben gevoegd, zoals ook de voormalige
Bedrijfsvereniging Detam (een (andere) rechtsvoorganger van verweerder)
dat heeft gedaan.
Onder deze omstandigheden is eiseres aanzienlijk benadeeld door
verweerders trage besluitvorming en is het besluit in primo naar het
oordeel van de rechtbank in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel
genomen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dat besluit dan ook
ten onrechte niet herroepen."
Appellant kan zich met het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen, niet
verenigen. Daarbij heeft hij primair als grief naar voren gebracht dat
er geen sprake is geweest van onnodig lang talmen. Onder verwijzing naar
zijn het zich onder de gedingstukken bevindende rapport werkgeversfraude
van 10 mei 1996 heeft appellant erop gewezen dat een omvangrijk
onderzoek heeft plaatsgevonden, gericht op de vaststelling van de
bestuurders, de mogelijkheid van aansprakelijkstelling, de wijze van
besturen en de wijze waarop naar aanleiding van het faillissement
uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet werden uitgekeerd aan
werknemers van de vennootschap. Voorts heeft appellant erop gewezen dat
alvorens tot een aansprakelijkstelling kan worden overgegaan, eerst
dient te worden vastgesteld of er een premievordering op de vennootschap
is en tot welk bedrag. Dit laatste is pas vastgesteld bij creditnota van
13 november 1997.
Gedaagde heeft bij haar verweerschrift volstaan met te verwijzen naar
haar bezwaarschrift. Ter zitting heeft zij daaraan toegevoegd dat zij
appellant altijd op de hoogte heeft gehouden van haar faillissement, en
dat zij dan ook kon menen dat na het bereikte faillissementsakkoord er
geen vordering van appellant meer zou komen.
De Raad is van oordeel dat de grief van appellant slaagt en overweegt
daartoe het volgende.
Het gaat te dezen om een uit de wet voortvloeiende, niet aan een termijn
gebonden aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap voor
door deze vennootschap onbetaald gebleven premies voor de sociale
werknemersverzekeringen. Daarbij komt dat een voormalige bestuurder van
een gefailleerde vennootschap er rekening mee moet houden dat na het
faillissement nog nadere premievaststelling ten laste van de
vennootschap kan volgen en wel uiterlijk tot vijf jaar na en over het
jaar waarin het faillissement is uitgesproken. Het vorenstaande betekent
naar het oordeel van de Raad dat van talmen in de zin van zijn door de
rechtbank genoemde uitspraak van 20 mei 1996 geen sprake kan zijn,
indien nog geen vijf jaar zijn verstreken na het faillissement. In dit
geval geldt dit te minder, nu appellant genoegzaam heeft aangetoond dat
er nog een omvangrijk onderzoek heeft plaatsgevonden, onder meer
uitmondend in een creditnota van 13 november 1997. Terecht heeft
appellant erop gewezen dat, alvorens een bestuurder hoofdelijk
aansprakelijk kan worden gesteld, eerst moet worden vastgesteld of er
nog een premievordering op de vennootschap bestaat en, zo ja, tot welk
bedrag. Met betrekking tot het bereikte akkoord in het faillissement van
gedaagde in privé, merkt de Raad op dat appellant hierbij geen partij
was en als preferente schuldeiser hieraan ook niet gebonden is. Gedaagde
kon dan ook niet menen dat na dit akkoord geen aansprakelijkstelling op
grond van artikel 16d van de CSV meer zou volgen. Dat onderzoekers van
appellant op de hoogte waren van de financiële situatie van gedaagde,
maakt dit niet anders.
Nu onbestreden is gebleven de vaststelling van appellant dat de
premieschuld van [bedrijfsnaam] is veroorzaakt door kennelijk
onbehoorlijk bestuur, volgt uit het vorenstaande dat de aangevallen
uitspraak niet in stand kan worden gelaten en het inleidend beroep
alsnog ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|